dinsdag 29 december 2009

Een decennium om snel te vergeten

Wat kan er in een jaar tijd veel veranderen! Aan het begin van het nu aflopende jaar leek het alsof de wereld op instorten stond. In de VS leefde grote vrees voor het voortbestaan van zulke giganten als Citigroup, Bank of America, General Motors en Chrysler. In Nederland moest minister van Financiën, Wouter Bos, de nationale grootbanken met vele miljarden te hulp schieten. De EU maakte bekend EUR 500 miljard achter de hand te houden om te verhoeden dat Europabreed het financiële bestel zou imploderen en de rest van de economie in zijn neergang zou meesleuren.

Boetepredikers
Het kan ook niet anders dan dat in zulke tijden van schijnbaar eindeloze tegenslag het juist de boetepredikers zijn die met hun boodschap vervuld van aanhoudende en groeiende kommer en kwel de show stelen. In de VS waren de immer sombere Stephen Roach en ‘Dr Doom’ Roubini niet van de buis weg te slaan. In Nederland genoot Willem Middelkoop aanzien als aanzegger van crisis en depressie. Mohammed El-Erian, chief strategist van Pimco, sprak zelfs van een ‘new normalcy’. De economische groei zou structureel omlaag gaan, de werkloosheid zou hoog blijven en de welvaart van brede bevolkingsgroepen in het Westen zou ernstig aangevreten worden.

Herstel?! Wat voor herstel?!
De rode draad in al die beschouwingen was dat het nooit meer goed zou komen met de VS en in mindere mate gold dezelfde boodschap voor de EU. ‘Nooit’ is een rekbaar begrip, dat blijkt maar weer eens. Al in de tweede helft van 2009 is het beeld enigszins gaan kantelen. Dat was terug te zien aan de letters die gebruikt werden om het eventuele economische herstel te duiden. Die liepen van L naar U naar W naar √ naar tenslotte V en dat laatste mag toch een verrassing heten. Want dat wijst op een ouderwets sterk herstel!
Neem het Nederlandse voorbeeld: een jaar geleden ging het Centraal Planbureau uit van een 0-groei of minder voor 2010 met een sterk stijgende werkloosheid richting 900 000. Inmiddels ziet het scenario er een stuk rooskleuriger uit. In het komende jaar mogen we in dit land op een groei rekenen van om en nabij 1,5% terwijl de werkloosheid niet uitstijgt boven 600 000. De echte optimisten hebben het alweer over een dreigende krapte op de arbeidsmarkt hier te lande. Met een dergelijk optimisme loop je toch wel erg ver voor de muziek uit.

……..En waar komt het vandaan?
Waar komt het herstel vandaan? Het lijkt aannemelijk dat de vele honderden miljarden dollars en euro’s die in de loop van 2009 in de wereldeconomie zijn gepompt hun uitwerking niet hebben gemist. Echter, vooral veel Amerikaanse economen zijn minder gecharmeerd van deze omvangrijke injecties en betwisten de heilzame uitwerking ervan.
Zoals gebruikelijk komt het herstel van de economie in de landen van de Europese Unie van buitenaf. Dit keer komt het herstel niet vanuit de VS, maar vanuit het Oosten en dan valt meestal de naam China. Dit land kende over 2008 een economische groei van 9,6% en heeft voor 2009 al een groeicijfer gecalculeerd van 8%. Dankzij deze groeicijfers passeert China in 2009 Japan als tweede economie van de wereld, na de VS. Terzijde, wie nu denkt dat China over een of twee jaar ook de VS heeft ingehaald, die heeft het goed mis. De economie van de VS is ongeveer $ 14 triljoen groot tegen die van China $ 4,75 triljoen.
Dat neemt niet weg dat de sterke groei van China en eigenlijk van de hele regio daar Europa de kans geeft zich uit de crisis te exporteren.

Meer goed nieuws
Er is een redelijke kans, dat voor Europa 2010 een beter dan verwacht jaar kan worden. Dan moet de locomotief van de wereldeconomie, de VS, in 2010 op stoom komen. Volgens menigeen is dat niet langer uitgesloten. Dean Maki, de beste voorspeller van het economisch weer in 2009, ziet de VS in 2010 met 3,5% groeien. De groei is te danken aan het herstel op de financiële markten, waardoor veel Amerikanen weer wat ruimer in hun jasje zijn komen zitten. Dat geeft in de loop van 2010 een impuls aan de consumentenbestedingen en dan zullen bedrijven wel moeten investeren, aldus Maki. Veel bedrijven hebben in 2009 hun voorraden tot een absoluut minimum afgebouwd.
De chief economist van Barclays Capital is het dan ook grondig oneens met de eerder genoemde Mohammed El-Erian. In zijn visie is er weinig reden om een ‘new normalcy’ te veronderstellen. Barton Biggs en Marc Faber, die al in maart van dit jaar hun cliënten aanrieden om de staatsobligaties de deur uit te doen ten faveure van aandelen, onderschrijven het optimisme van Dean Maki. Ze voorzien een stijging van de dollar ten opzichte van Euro en Yen met 5% à 10%. Voor de aandelenmarkten voorzien ze een groei van minimaal 10%, zowel in 2010 als 2011.
De grote verrassing van 2010 kan wel eens de Amerikaanse huizenmarkt worden. Brian Wesbury, een econoom uit Chicago, wijst erop dat er in 2009 slechts 550 000 woningen in aanbouw zijn genomen, maar dat alleen al de toename van de bevolking jaarlijks om 1,5 miljoen nieuwe huizen vraagt. Wesbury gewaagt zelfs van een dreigende woningnood. De bijnaam van Wesbury is Mr Sunshine.

Een decennium om snel te vergeten
De wereld zal zonder een traan te laten afscheid nemen van het eerste decennium van de 21ste eeuw. Dit decennium begon met het leeglopen van de Internetbubbel en eindigde met de bijna implosie van de financiële markten. In de tussenliggende jaren kocht menigeen een veel te duur huis, dat nu in de meeste gevallen sterk in waarde is gedaald. En om de puntjes op de i te zetten: beleggingen hebben in het afgelopen decennium niets opgeleverd. In 2000 bereikte de AEX een hoogste stand van 701 punten. Sedertdien is de beurs nagenoeg gehalveerd. Je zou je spaarcentjes maar in beleggingsfondsen of in lijfrentes hebben gestopt!

Iedereen een zonnig 2010 toegewenst, maar laten we met beide benen op de grond blijven staan.

maandag 14 december 2009

Het einde van het olietijdperk

Afgelopen weekeinde is een speciale trein vanuit Utrecht naar Kopenhagen vertrokken. Meer dan 200 goedbedoelende activisten, journalisten en veelsoortige politici willen in Kopenhagen de aanwezige politici onder druk zetten om ‘de juiste’ beslissingen te nemen en tot een opvolger van het verdrag van Kyoto te komen. Kopenhagen is verworden tot een kermis, waar activisten van de meest uiteenlopende pluimage hun winkeltje onder de aandacht willen brengen van een al even gretige pers. In Nederland proberen de diverse media elkaar te overtroeven in het schilderen van de meest bloedstollende scenario‘s mocht Kopenhagen onverhoopt mislukken. In het Verenigd Koninkrijk heeft een rechter milieuovertuigingen gelijk gesteld aan religie. Kopenhagen begint meer trekken van hysterie te krijgen.

Stenen tijdperk
In een klimaat, waar wetenschappers, journalisten, politici en activisten tegen elkaar opbieden om het naderend milieu-onheil te schilderen, is het altijd weer prettig enkele relativerende artikelen of rapporten te lezen. En relativeren doet de Deutsche Bank in een rapport getiteld ‘the Peak Oil Market’. De auteurs van het rapport constateren dat het olietijdperk ten einde loopt. Anders dan menigeen denkt is dat niet vanwege een achterblijvende productie. Integendeel. In hun visie is er vandaag en morgen voldoende olie om aan de vraag te voldoen. Waarom dan wel? De analisten denken dat het economisch herstel de komende jaren zwak zal blijven. Een zwakke economie heeft sowieso minder olie nodig. Bovendien beginnen allerlei efficiencymaatregelen hun vruchten af te werpen. Het is dan ook goed mogelijk dat de prijs voor een vat olie in 2010 en 2011 kan gaan dalen. Dat is prettig nieuws voor de modale automobilist.
Dat is echter maar een deel van het verhaal. Met enig gevoel voor understatement stellen de auteurs vast, dat het Stenen Tijdperk niet eindigde omdat er geen stenen meer waren. Een voortschrijdende technische ontwikkeling maakte het mogelijk afscheid te nemen van het Stenen Tijdperk. En dat is nu precies de reden dat het Olie Tijdperk ten einde loopt. Niet omdat de olie opraakt, maar omdat het belang van olie de komende decennia gaat afnemen voor de economie.

Energie intensiteit.
Hoe kan dat, dat teruglopen van het belang van olie. Volgens de Deutsche Bank is het sleutelwoord hier energie-intensiteit, ofwel de hoeveelheid gebruikte olie in relatie tot de omvang van de economie. Die intensiteit neemt af, ook bij een grootverbruiker als de VS. Daar neemt trouwens de energie-intensiteit sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw af met gemiddeld 2% per jaar. Dat percentage kan de komende jaren wel eens stijgen naar 3% als de economie blijft kwakkelen. Maar de Deutsche Bank gaat nog een stapje verder en voorziet dat de vraag naar olie in de VS daadwerkelijk gaat afnemen. Bedroeg de oliedorst in de VS in 2005 nog 21 miljoen vaten per dag, anno nu is dorst 19 miljoen vaten groot, aldus het Internationaal Energie Agentschap(IEA). Dat is de grootste daling sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw en het decennium van de twee oliecrises. Datzelfde Agentschap verwacht trouwens dat de VS pas weer in 2029! een niveau van 21 miljoen vaten per dag bereiken. Die lagere energie intensiteit is vooral terug te zien bij de auto. Die wordt komende jaren dankzij de opmars van de hybride en elektrische varianten een stuk zuiniger. In 2020 zal het verbruik van benzine met meer dan 50% gedaald zijn in vergelijking met 2009. De Deutsche gaat ervan uit dat de omvang van de Amerikaanse benzinemarkt, de grootste ter wereld, in 2030 bijna 50% kleiner zal zijn dan vandaag de dag.

Onderinvesteringen
De vraag naar olie zal ook dalen, omdat dit zwarte goud de komende jaren en decennia scherpe concurrentie mag verwachten van gas. Dat is goedkoper, gemakkelijker te winnen en niet alle belangrijke voorraden zijn in handen van OPEC. Deze organisatie mag misschien wel een sleutelrol spelen bij de huidige relatieve schaarste, het kan eveneens een sleutelrol spelen bij de oplossing ervan. OPEC landen vertonen zowel politiek als energietechnisch een steeds wispelturiger gedrag. Dat zal ertoe leiden dat investeringen van buitenaf gaan teruglopen. Die trend wordt nog sterker door het optreden van overheden, bijvoorbeeld in het Westen. Het is nog steeds de vraag hoe milieuwetgeving er komende jaren gaat uitzien. Problemen in het Midden Oosten in combinatie met onzekerheid op het thuisfront zal de grote oliemaatschappijen ertoe bewegen hun investeringen in de oliemarkt terug te schroeven. Juist vanwege die onderinvesteringen gen zal de olieproductie in 2016 zijn hoogtepunt bereiken met een productie van 90 miljoen vaten per dag en dat is maar 5% hoger dan de productie nu is. Die piek in de productie valt samen met een piek in de prijs van $ 175 per vat. Dat is nodig, aldus de Deutsche, om het karakter van de Amerikaanse olieconsumptie definitief te veranderen en op het spoor van steeds grotere efficiency te zetten. Als de Amerikaanse olieverslaving gebroken kan worden, dan zal de prijs van olie na 2016 geleidelijk gaan dalen.

Consequenties
Zo zou het zomaar kunnen dat in 2030 de prijs van een vat olie op hetzelfde niveau ligt als in 2009 of misschien zelfs lager. Dat heeft grote gevolgen voor de sector zelf. Wat zal nog de waarde zijn van de Canadese teerzanden of allerlei voorraden die heel diep onder de zeespiegel liggen? Die waarde kan wel eens dramatisch afnemen.
Ook raffinaderijen zullen zich moeten aanpassen als de vraag naar olie structureel daalt en de prijs onder druk blijft. Het kan weleens zijn dat de locatie van de raffinaderij belangrijker wordt dan de complexiteit en state of the art ervan. Het zou zomaar kunnen dat raffinaderijen en masse gaan verhuizen naar het Midden Oosten. Het resultaat zal zijn dat internationale handel in ruwe olie fors gaat verminderen, maar dat de handel in olieproducten daarentegen fors gaat groeien. Olieproducten zullen altijd gevraagd blijven.
Let wel, 2016 is morgen en 2020 is overmorgen!


Bronnen:
CNNfn, Why cheap oil is here to stay, 3 december 2009`
The Deutsche Bank, the Peak Oil Market, oktober 2009
The financial times, Deutche: the end is nigh for the Age of Oil, 6 oktober 2009

maandag 7 december 2009

Met of zonder Kopenhagen

Afgelopen week zegende de bisschop van Den Bosch 200 elektrische scooters, die op het punt stonden naar Kopenhagen af te reizen. Kopenhagen moet een succes worden en er zijn meer dan voldoende middelen om het tot een succes te maken. Dat is de boodschap van de scootertocht. Het hele initiatief straalt een kinderlijk naïef geloof uit in de mogelijkheden van politiek en overheden. Het geeft ook aan dat ‘klimaatverandering’ trekken begint te vertonen van een religie.
De kans, dat een conferentie met meer dan 190 deelnemende landen, een succes wordt is gering. Een bijeenkomst van die omvang is te complex, te omvangrijk en te bureaucratisch. Maar is het eigenlijk wel zo belangrijk of Kopenhagen wel of niet een succes wordt?

Kansen en bedreigingen
Wanneer we in Nederland en misschien ook wel in de rest van Europa over belangrijk en noodzakelijke initiatieven praten, dan is er de onmiskenbare neiging om naar de overheid te kijken. Daar verwachten we alle heil van, maar is dat terecht? Kijken we wel de juiste kant op? Volgens Ernst&Young[1] is het beter te kijken naar wat het bedrijfsleven doet en welke initiatieven daar tot ontplooiing komen. Volgens de consultants is het thema klimaatverandering in een jaar tijd opgeklommen van plaats 9 naar plaats 4 op de agenda van ‘de bedrijven’ en dit gevoel voor urgentie gaat zowel op voor de grote internationals als voor het mkb. ‘Klimaatverandering’ is onderdeel geworden van de strategie en het topmanagement zet mogelijke projecten af tegen eventuele politieke besluitvorming.
Natuurlijk zitten er achter deze opstelling van bedrijven meer zakelijke dan morele overwegingen. Volgens A.T. Kearny[2] doen aandelenkoersen van bedrijven die duurzaamheid in hun strategie verweven het gemiddeld 15% beter dan sector. Die betere koers ontwikkeling hangt samen met overheidsbeleid. Wereldwijd hebben overheden het afgelopen jaar fiscale en stimuleringsmaatregelen genomen ter waarde van USD 430 miljard[3]. Overheden stimuleren niet alleen, maar dwingen ook af. Tussen juli 2008 en februari werden wereldwijd meer dan 250 voorschriften van kracht[4]. Uiteindelijk zien we hier een typische staaltje van een ‘stick and carrot’ politiek.

Een eigen dynamiek
De rol van de overheid is er een van het scheppen van voorwaarden. Volgens Goldman Sachs begint dat totaal van maatregelen zijn vruchten af te werpen. Het ogenblik is niet ver weg meer dat de opstelling van een bedrijf ten opzichte van klimaatsverandering van doorslaggevend belang zal zijn voor zijn zakelijke prestaties[5]. De investmentbanker verwacht dat op niet al te lange termijn 60% van de cashflow van CO2 intensieve bedrijven als nutsbedrijven kan overgaan van bedrijven die weinig of niets aan hun CO2 uitstoot doen naar bedrijven die daar driftig in geïnvesteerd hebben.
Maar dan doet Kopenhagen er toch juist toe! Daar moeten toch de juiste beslissingen genomen worden om voor de juiste verhouding tussen ‘stick and carrot policy’ te zorgen? Misschien wel, maar misschien ook niet. Het gaat uiteindelijk om het ‘tipping point’, het omslagpunt, zoals Goldman Sachs het noemt. En het ziet er naar uit dat dit omslagpunt dichtbij is. Ongeacht de uitslag van Kopenhagen stijgen investeringen in ‘renewable energy’ wereldwijd met 50% naar een bedrag van USD 200 miljard[6]. Ongeacht Kopenhagen verdubbelen in de VS in 2010 de uitgaven voor groene energie naar $ 60 miljard en ongeacht Kopenhagen zetten de VS, China en nog een tiental landen hun initiatief door om de komende jaren $ 177 miljard te ‘funden’ voor groene energie. National Grid, het elektriciteitsnetwerk in het Verenigd Koninkrijk laat zijn beleid afhangen van Europese en Britse voorschriften. Kopenhagen zal hier weinig aan veranderen.
Het ziet er derhalve naar uit, dat ‘klimaatsverandering’ een eigen dynamiek aan het ontwikkelen is en op weg is naar de ‘take-off’ fase waardoor het zichzelf in stand kan houden en kan groeien. De technologische vooruitgang versnelt en massaproductie tegen lage kosten komt binnen handbereik.
Is een Kopenhagen dan helemaal niet meer nodig? Dat gaat te ver. Zoals het Internationale Energie Agentschap nog in november liet weten, is er internationaal beleid nodig om bijvoorbeeld de effecten van verwoestijning, lange periodes van droogte en stijging van de zeespiegel tegen te gaan. De klimaattrein heeft echter al de nodige snelheid gekregen en steeds grotere delen van het bedrijfsleven haken aan. En daar moet uiteindelijk de oplossing vandaan komen.

[1] Ernst & Young, The business response to climate change. Choosing the right path, 2009
[2] A.T. Kearny Management Consultants, Green winners-the performance of sustainability focused companies
during the financial crisis, 2009
[3] HSBC Global Research, The green rebound. Clean energy to become an important component of the global
Recovery plan, 2009
[4] Deutsche Bank, Global climate change regulation policy developments. July 2008 – February 2009. February 2009
[5] Goldman Sachs, Change is coming. A framework for climate change- a defining issue of the 21st century. May 2009
[6] Bloomberg, Copenhagen defied by$ 200 billion green investments, 2 december 2009

vrijdag 27 november 2009

De lange weg na Kopenhagen

De aanstaande klimaatconferentie werpt zijn schaduwen nadrukkelijk vooruit. Allerlei non-gouvernementele organisaties (ngo’s) maken van de gelegenheid gebruik om hun standpunten nog eens nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Maar het zijn niet alleen ngo’s. Een financiële boutique als het Zwitserse Sam maakt eveneens gebruik van ‘Kopenhagen’ om zijn boodschap aan potentiële beleggers over te brengen.

Teveel aandacht voor CO2-reductie
Een bijzonder pleidooi komt van de kant van the Center for Global Development[i]. Deze ngo gaat ervan uit dat ‘Kopenhagen wel móet mislukken. De discussie rondom CO2 kan wel eens uitmonden in aanhoudend gekrakeel over financiële bijdragen in de kosten in een sfeer van verwijten over en weer. De kern van de discussie draait immers om het vaststellen van een evenwichtige verdeling van het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen. Dat vraagt waarschijnlijk om revolutionaire veranderingen in de wijze van productie en consumptie op een schaal die historisch gesproken zonder precedent is. Dat is misschien toch wel teveel gevraagd.
Mochten er al resultaten geboekt worden, dan is het niet onwaarschijnlijk dat die ten koste zullen gaan van de positie van de doorsnee burger in de ontwikkelingslanden, aldus de ngo. Het gevaar is reëel dat die burger op of onder het bestaansminimum terechtkomt. Het is daarom misschien beter het accent van de discussie te verschuiven. De vraag is niet welk aandeel ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden moeten leveren om de uitstoot omlaag te brengen. De vraag hoort te zijn hóe de ontwikkelde wereld de burger van ontwikkelingslanden kan helpen toegang te krijgen tot allerlei vormen van energie.
Het mes moet hier aan twee kanten snijden. Energiezekerheid moet helpen de kwaliteit van het leven van de doorsnee burger naar een behoorlijk niveau te tillen. Tegelijkertijd moet dit gebeuren met behulp van nieuwe energiezuinige technieken die passen bij de ontwikkelingsfase van betreffende landen en zodoende snel en gemakkelijk ingepast kunnen worden in de bestaande maatschappelijke organisatie. Juist het stapsgewijs maar stringent invoeren van die nieuwe energiezuinige technologie kan een zeer belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de CO2-emissie in ontwikkelingslanden, zo staat te lezen.

Water, uitdaging en kans[ii]
Een thema dat ongetwijfeld ter sprake zal komen in Kopenhagen is het groeiend gebrek aan betrouwbaar water in steeds meer delen van de wereld. De problemen rondom water en watervoorziening mogen inmiddels genoegzaam bekend zijn. In sommige opkomende landen neemt de waterschaarste toe vanwege de combinatie van bevolkingsgroei, verstedelijking en een streven van de bevolking zich een westerse levenswijze aan te meten. Een gebrek aan water vormt een bedreiging van de economische groei. En als er al voldoende water is, dan kan een gebrek aan infrastructuur een probleem vormen en een niet gering probleem. Volgens berekeningen verhuizen er de komende 20 jaar ongeveer 350 miljoen mensen van het platteland naar de stad. Iedereen kan bedenken dat er gigantische investeringen nodig zijn om bijvoorbeeld behoorlijke sanitaire voorzieningen voor deze stedelijke mensenmassa te scheppen en te onderhouden.

Private investeringen
De vraag is of overheden bereid en geneigd zijn om blijvend voor de kosten op te draaien. Meer dan 90% van de nutsbedrijven in de wereld van vandaag kunnen niet zonder een blijvende bijdrage van de overheid. Hoewel privatisering veel van haar glans verloren heeft, is het te gemakkelijk om deze optie zomaar van tafel te vegen. Ervaringen in de Filippijnen vertellen dat privatisering kan werken tot tevredenheid van alle betrokken partijen. De kwaliteit van het netwerk verbeterde, het niveau van de voorziening ging omhoog en grotere groepen consumenten kregen toegang tot kwalitatief goed water tegen behoorlijke prijzen. Het geprivatiseerde waterleidingbedrijf rendeert.
Er zijn meer terreinen waar privaat kapitaal nuttig werk doet. De Chinese industrie heeft niet de naam erg milieuvriendelijk te werken. Dat heeft geleid tot grootschalige vervuiling van oppervlaktewater en grondwater. De vervuiling is zo groot dat het de economische groei aantast. De overheid heeft daarom een veelomvattend initiatief genomen om de structuur rondom afvalwater te verbeteren. De omvang van dit initiatief bedraagt $ 60 miljard en biedt kansen voor lokale maar ook internationale bedrijven om in afvalwatersystemen te investeren. Trouwens, de Chinese burger maakt zich steeds meer zorgen om de kwaliteit van het water dat uit zijn kraan komt. Dat blijkt uit de groeiende populariteit van hulpmiddelen die de gevraagde kwaliteit moeten garanderen.

Minder irrigatie, meer opbrengst
Een doeltreffend beleid van besparingen kan niet zonder besparingen in de landbouw. Deze sector is met 70% verreweg de grootste waterconsument. Zeker in landen als India met een aanhoudende sterke bevolkingsgroei is het zonder meer nuttig het aandeel van de landbouw (86%) fors te verlagen. De combinatie van een sterke bevolkingsgroei en lukrake irrigatie leidt in meer en meer regio’s tot uitputting van de normale watervoorraden en een sterke daling van het grondwaterpeil. Waterputten met een diepte van 400 meter zijn geen uitzondering meer. Daar komt nog bij dat de verwachte klimaatverandering de traditionele watervoorraden nog verder zullen aantasten en bedreigen. Hoogste tijd voor nieuwe en slimmere irrigatietechnieken die het waterverbruik drastisch omlaag brengen. De druppeltechniek biedt tot nu toe de beste resultaten. De hoeveel gebruikt water gaat met 80% omlaag.

Kopenhagen biedt kansen
Het is vooralsnog onduidelijk hoe Kopenhagen gaat uitpakken. Verregaande beslissingen zijn niet te verwachten. Kopenhagen is slechts een tussenstation op een lange weg. Wel ligt het voor de hand dat er de contouren voor nieuw beleid uitgezet zullen worden. Gelet op de zwakke financiële positie van veel overheden, ligt het voor de hand dat een deel van dit beleid uitbesteed gaat worden aan private bedrijven en investeerders. Zonder private inspanningen geen nieuwe energiezuinige technologie, evenmin als nieuwe waterzuiveringssystemen en irrigatietechnologieën. En het gaat om zeer interessante markten, ook in opkomende markten. De omvang van de Chinese markt bedraagt $ 40 miljard met een jaarlijkse groei van meer dan 10%. Wie wil daar geen graantje van meepikken?

Birdsall N. and Arvind Subramanian, Energy needs and efficiency, not emissions: re-fraiming the climate change narrative. Center for Global development, working paper 187. November 2009.
[ii] Sam Insight, Water Crisis: Challenges and Opportunities in Emerging Markets. November 2009

zaterdag 21 november 2009

Investeren in landbouw, een kwestie van volhouden

Het zal weinigen opgevallen zijn, maar afgelopen week was er in Rome een driedaagse conferentie over voedselveiligheid anno 2009. Misschien heeft een enkeling gehoord dat Jacques Diouf, hoofd van de FAO, in de aanloop naar de top een weekeinde gevast heeft bij wijze van protest tegen de weer groeiende honger in de wereld. Ongeveer één miljard mensen hebben dagelijks te weinig te eten. En dan nog, niemand staat ervan te kijken dat in Nederland dagelijks een handvol boeren het voor gezien houdt, omdat de prijzen voor hun product door de bodem zijn gezakt.

De gevolgen van de economische crisis
De geringe belangstelling voor voedselveiligheid staat in schril contrast met de aan hysterie grenzende belangstelling voor dit onderwerp nog maar twee jaar geleden. In 2006 gingen prijzen voor allerlei landbouwproducten in versneld tempo omhoog, variërend van melk tot rijst en gerst. Her en der in de wereld braken voedselrellen uit. Landbouw en alles wat ermee samenhing was hot. Die belangstelling duurde tot medio 2008, toen onzekerheid over de energievoorziening en de financiële crisis de internationale media gingen beheersen.
In diezelfde periode begonnen de landbouwprijzen aan een mars naar beneden. Die daling was niet te danken aan overvloedige oogsten maar was te wijten aan een vraaguitval als gevolg van de wereldwijde crisis. Nu zijn economische crises geen bijzonderheid, maar deze verschilt op drie belangrijke terreinen van eerdere crises. De crisis is daadwerkelijk wereldwijd en dat beperkt het arsenaal van landen om de effecten ervan te bestrijden. Zo is devaluatie van de eigen munt bijna geen optie meer om de macro-economische schokken op te vangen. De breedte en diepte van de crisis beperkt ook de terugstroom van middelen door de internationale arbeidsmigrant. In de tweede plaats zijn prijzen wel gaan dalen, maar blijven ze historisch gesproken op een hoog niveau. Daar komt nog bij dat de prijsdaling op de internationale markten met een behoorlijke vertraging doordringen op de lokale markten. En zo kan het gebeuren dat op lokale markten prijzen in reële termen nu 17% hoger liggen dan twee jaar geleden. Dat is voor veel inwoners van ontwikkelingslanden een ware aanslag op hun koopkracht. Ze besteden gemiddeld toch al meer dan 40% van hun budget aan de voedselvoorziening. Ook nieuw is, dat de meeste ontwikkelingslanden nu onderdeel uitmaken van de internationale economie. Dat is terug te zien aan de instroom van investeringen en de ontwikkeling van de export. Kortom, de gemiddelde inwoner van een gemiddeld ontwikkelingsland ondervindt nu dagelijks de schaduwzijden van de globalisering.

Meer investeren
Goede raad is duur, is een bekend gezegde. In een zeldzaam interview met the Financial Times waarschuwde de topman van Cargill, Paul Conway, voor zelfgenoegzaamheid. Goede oogsten in de afgelopen twee jaren betekende zijns inziens niet, dat de structurele problemen overwonnen waren. Hij wees er – misschien ten overvloede – op dat de wereldbevolking voorlopig blijft groeien. Veel inwoners in de zogeheten opkomende markten zien hun inkomen jaarlijks verbeteren en willen graag meer vlees, vis, eieren en melk. Ten slotte blijft het onduidelijk wat de impact van de zogeheten biobrandstoffen zijn op de landbouwproductie. Investeringen in landbouw zijn en blijven broodnodig. Conway’s waarschuwing is hopelijk niet aan dovemansoren gericht want in tijden van economische crises dalen investeringen in de landbouw. Dat is een historische werkelijkheid. Zonder voortgaande investeringen zullen landbouwprijzen relatief hoog blijven en zullen ze, bij een wegebben van de gevolgen van de crisis, opnieuw gaan stijgen. Dat is althans de mening van bijvoorbeeld de FAO.

Onverwachte problemen
De crisis van de jaren 2006-2008 heeft ook onverwachte en ongewenste effecten gehad, volgens Conway. Veel landen hebben een beleid van zelfvoorziening opgezet en combineren dat vaak met hoge importtarieven. Dat impliceert het verkeerd aanwensen van schaarse middelen in de vorm van subsidies en is een sta-in-de-weg voor een goed en efficiënt internationaal verkeer van landbouwproducten. Het kan ook marktverstorend werken, omdat sommige landen geneigd zijn hun overproductie op te potten en niet te exporteren. Dat werkt nodeloze prijsstijgingen in de hand. En dan is er nog het nieuwe fenomeen van ‘landje pik’. Landen als Saoedi-Arabië en Zuid-Korea proberen hun voedselproductie veilig te stellen door in derde landen landbouwareaal op te kopen voor eigen gebruik. Dat kan voor grote politieke onrust zorgen in tijden van nood.

Groep van Acht
Conway staat niet alleen met zijn zorgen. Militaire strategen van het Pentagon nodigen vandaag de dag landbouwexperts uit om over voedselveiligheid te praten. Het is communis opinio dat onvrede over voedselprijzen een voedingsbodem is voor extremisme in landen als Afghanistan en Pakistan. Volgens insiders staat door hoge voedselprijzen de politieke stabiliteit van zeker dertig landen op het spel. Washington heeft daarom het initiatief voor een zogeheten Groep van Acht voor voedselveilig beleid genomen. Het doel is om de komende drie jaren $ 20 miljard te investeren in een landbouwplan voor de lange termijn. Die investeringen zijn bitter nodig, al was het maar om de landbouwstructuur in veel ontwikkelingslanden voor te bereiden op de effecten van de klimaatverandering. Gebeurt dit niet dan is de kans heel groot dat de komende decennia de productiviteit in de landbouw omlaag gaat, terwijl de wereldbevolking stijgt van 6,5 miljard nu naar ongeveer 9 miljard in 2050. Tel uit je winst, of liever gezegd: je verlies.
We sluiten af met een beetje goed nieuws. In Rome was er een onmiskenbare toenadering tussen het kamp dat voorstander is van de inzet van gentechnologie en de voorstanders van organische landbouw. Er is de erkenning dat technologie een grote rol kan spelen bij de verhoging van de productiviteit in de landbouw. Het is allemaal een kwestie van volhouden.



Bronnen:

FAO, The state of agricultural commodity markets, 2009
The state of food insecurity in the world, 2009
IFPRI, The impact of climate change on agriculture, 2009
www.ft.com/foodsecurity

woensdag 11 november 2009

Waar blijft de nieuwe werkgelegenheid?

Wat is voor de gemiddelde man in de straat hét bewijs dat een recessie ten einde loopt? Dat is niet het herstel van de productiviteit of van de export, maar het herstel van de arbeidsmarkt. Als dat niet gebeurt, is er geen herstel in zijn ogen en dat heeft weer verschillende consequenties. Het consumptief vertrouwen herstelt niet en de neiging om eens flink de portemonnee te trekken blijft beperkt. Om maar eens een voorbeeld te noemen. In de VS steeg de arbeidsproductiviteit in het derde kwartaal met een verbluffende 9,5%. Tegelijkertijd steeg de werkloosheid tot boven 10%. In totaal zijn nu bijna 16miljoen Amerikanen op zoek naar werk, maar in september waren er maar 2,5 miljoen vacatures.

Productiviteit en consumentenvertrouwen
Hoe groot is eigenlijk de kans dat de arbeidsmarkt in de VS, maar ook in de EU sterk verbetert? Die kansen zijn op de korte termijn niet zo groot. In de VS groeit de productiviteit sterk, maar het aantal gewerkte uren blijft afnemen. Werkgevers hebben voorlopig nog voldoende ruimte om de productiviteit en de productie op te voeren zonder dat daarvoor extra handjes nog zijn. In de EU is de situatie niet veel beter. Ook hier is er nog veel onbenutte capaciteit. Denktanks als The Lissabon Council menen dat het wel tot 2012 kan duren voordat de onderbenutting omslaat in een gebrek aan capaciteit. Voeg daar aan toe dat de groei van de productiviteit in de EU stagneert en het is duidelijk dat ook in dit werelddeel werkgevers nog een wereld te winnen hebben. Kortom, als het om de arbeidsmarkt gaat, heeft de consument weinig reden om optimistisch de toekomst in te turen.

Vermogenspositie en huizenmarkt
Je hoeft trouwens niet werkeloos te zijn om toch streng op je uitgavenpatroon te letten. De financiële crisis heeft de waarde van traditionele spaarpotjes als het eigen huis en de effectenportefeuille ernstig aangevreten. In de VS is de vermogenspositie van het doorsnee gezin terug gevallen naar een niveau vergelijkbaar met dat van 1960. Er is veel herstelwerk nodig, temeer omdat veel Amerikanen zich diep in de schulden hadden gestoken in de veronderstelling dat diepe crises definitief tot het verleden behoorden en vervangen waren door ‘guirlandes’ van de groei. Sparen is het nieuwe toverwoord, sparen voor de onzekere dag van morgen. Hoe zwaar de vermogenspositie van het gemiddelde Europese gezin is aangetast, is onduidelijk. Wel is duidelijk dat de huizenmarkt Europa breed in een impasse verkeert. De vraag naar huizen en hypotheken is gekelderd en huizenprijzen staan onder druk. Hoe groot de stille armoede is achter de voordeur, laat zich maar moeilijk raden! Een ding is zeker: de Nederlander steekt traditiegetrouw heel veel geld in zijn huis. Als we de hypotheek meetellen is de Nederlander de grootste schuldenaar van de EU.

Investeringen en inventarissen
Als de arbeidsmarkt voor zijn herstel alleen afhankelijk zou zijn van het herstel van het consumentenvertrouwen en consumentenbestedingen dan zag de toekomst er verre van rooskleurig uit. Dan ligt het gevaar van een neerwaartse spiraal op de loer. Gelukkig spelen het niveau van investeringen en het herstel van de export een belangrijke rol bij het herstel van de werkgelegenheid.
Hoe staat het bijvoorbeeld met het niveau van investeringen in bedrijfsuitrusting en infrastructuur? Voor beide zijden van de oceaan geldt hetzelfde antwoord: niet echt goed. Er is aan beide zijden nog veel overcapaciteit. Dat hebben we eerder al vastgesteld voor de EU, maar het beeld is niet anders voor de VS. In de industrie steeg in het derde kwartaal de productiviteit met meer dan 13% ondanks een aanhoudende forse krimp in het aantal gewerkte uren. Van de industrie is weinig te verwachten en hetzelfde geldt voor de financiële sector, waar traditiegetrouw investeringen sterk oplopen aan het einde van een recessie, vooral in nieuwe technologie. Een lichtpuntje vormen de sterk teruggelopen voorraden. Bedrijven hebben afgelopen kwartalen hun voorraden tot een dieptepunt afgebouwd uit kostenoverwegingen en het uitblijven van de vraag. Aan dat afbouwen komt een einde of is al een einde gekomen. Dat zal een stimulans voor de vraag zijn, maar geeft het herstel van de voorraden een blijvende impuls aan de vraag of is er slechts sprake van een tijdelijke opleving?
En ja, de export leeft weer op, zowel in de EU als in de VS en dat met dank aan Azië. Een opleving van de importen doet het positieve effect van het herstel weer deels teniet.

Tenslotte
Zowel in de VS als in de EU zijn er onmiskenbare tekenen van economisch herstel, maar er zijn evenveel tekenen die nopen vraagtekens te zetten bij de kracht van het herstel. Zoals het er nu naar uit ziet, zal het herstel op zijn best een matig voortsudderend herstel zijn. In ieder geval zal het onvoldoende zijn om voor een krachtig herstel op de arbeidsmarkt te zorgen. In dit soort omstandigheden is het gemeengoed te vragen: en wat doet de overheid? Jammer genoeg lijken de mogelijkheden voor de overheid beperkt. Er zijn afgelopen kwartalen vele honderden miljarden euro’s besteed om de financiële sector te stutten en om de zwaarste klappen van de economische recessie op te vangen en te dempen. Overheden zitten tot in hun nek in de schulden en dat beperkt hun bewegingsvrijheid om de komende jaren nog eens extra steunmaatregelen te nemen bijvoorbeeld in de vorm van belastingverlagingen voor consumenten, steunmaatregelen voor huiseigenaren en subsidies voor starters op de huizenmarkt.
Alles overziende staat de EU er toch iets beter voor dan de VS. In dit deel van de wereld zijn door de crisis ‘slechts’ 3 miljoen banen verloren gegaan en lijkt de motor van de Europese economie, Duitsland, weer echt op gang te komen. De omvang van de steunmaatregelen is hier ook veel geringer. Maar dat geluk is het wel voor het ogenblik.

Bronnen:

Allianz and the Lisbon Council: the European 2009 growth and Job monitor. Autumn update

Karen E. Dynan, the outlook for consumer spending and the broader economic recovery. Testimony before the US Congress Joint Economic Committee. 29 oktober 2009

zaterdag 7 november 2009

Magere boetedoening in het bankwezen

Gaat het er dan toch van komen? Komen internationale topbankiers eindelijk met een welgemeend ‘mea culpa’? Je zou het bijna gaan denken. Enkele weken geleden ‘bekende’ Ken Costa van Lazard International, een investmentbank in Londen, dat de City relaties obligaties aanbod met een AAA rating die helemaal geen AAA rating hadden. Anders gezegd, de City verkocht knollen voor citroenen. Costa stelde vast dat bankiers weliswaar hard werkten maar eigenlijk maar één oogmerk hadden: ze wilden zo snel mogelijk rijk worden en dan zo snel mogelijk het vak uitgaan. Hij vergeleek dit gedrag met een one-night stand. Zoiets is niet de basis voor een langdurige relatie. Trouwens ongeduld, dat ontaardt in heb- en schraapzucht, tast de maatschappij in haar wortels aan.

Mooie woorden
Enkele dagen na de ontboezemingen van Ken Costa trok Brian Griffith, adviseur van Goldman Sachs, ook het boetekleed aan. Hij erkende dat er in de City veel lieden werkzaam waren die veel commissie binnen brachten maar die geen duidelijk moreel kompas hadden. Daar zou toch verandering in moeten komen. Het zijn mooie woorden, maar worden ze in de City breed gevoeld en gedragen? Dat lijkt er niet echt op, zeker niet als je hoort wat de adviseur verder te berde bracht. Met verve verdedigde Griffith de enorme inkomensongelijkheid in de City. Hij zag dat als voorwaarde voor een toename van de algehele welvaart. Met andere woorden, forse bonussen stuwen de consumptie van enkelen tot profijt van velen. Die bewering snijdt zonder meer hout, maar dient tegelijkertijd genuanceerd te worden. De opmerkingen van Griffith moeten gezien worden tegen de achtergrond van geruchten als zouden bonussen in de City over 2009 met ongeveer 50% stijgen en weer op een ouderwets niveau belanden. Goldman Sachs had toen ook bekend gemaakt al ruim $ 16 miljard gereserveerd te hebben voor de bonuspot over 2009. Zeker Griffith laadt de verdenking op zich om goed te praten wat in het oog van de buitenstaander volstrekt krom en onverdedigbaar is. Hij maakte het nog bonter door te beweren dat de aanwijzing van Jezus om van een ander even veel te houden als van jezelf in feite een aanmoediging was voor het dienen van het eigenbelang. De adviseur van Goldman Sachs deed zijn uitspraken in Saint Paul’s Cathedral.

Moreel kompas
Als je goed luistert naar de woorden van Ken Costa en zeker naar die van Brian Griffith, dan moet je een zeer onaangenaam gevoel bekruipen. Beide beweren zonder blikken of blozen dat de City bevolkt is door lieden zonder moreel kompas. Dat is een zeer boude bewering. En het zijn de Kosta’s en Griffith’s die deze lieden hebben aangetrokken. De samenstelling van de werkvloer mag een weerspiegeling heten van de top van het bedrijf. Wat zegt dat over de top van het (internationale) bankwezen?
Hoe heeft het zover kunnen komen? Die vraag is gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Pakweg 20 jaar geleden schreef een hoogleraar een alarmerend artikel in the Harvard Business Review. Het was hem meer en meer gaan opvallen dat zijn studenten anders in elkaar staken dan eerdere lichtingen. Velen onder hen hadden de ambitie om snel rijk te worden en waren bereid om daar veel te doen. Ze waren echter ook zeer op zichzelf georiënteerd, hadden weinig belangstelling voor onderwerpen die buiten hun zakelijke interesse vielen. Die houding kwam ook terug in de benadering van zakelijke omgeving. De studenten waren slecht geïnteresseerd in financiële ratio’s en kengetallen. In hun benadering van problemen was geen plaats voor de menselijke maat. De hoogleraar oordeelde indertijd dat deze mentaliteit tot grote rampen zou kunnen leiden als deze generatie eenmaal aan de touwtjes trok. De man heeft meer gelijk gekregen dan hij zelf ooit heeft kunnen bevroeden.

Moraalridder
Heeft de financiële sector geleerd van de diepe crisis van de afgelopen twee jaren en zal de heersende mentaliteit werkelijk iets veranderen? Je hoeft geen moraalridder te zijn om te concluderen dat hier de wens de vader van de gedachte is. De sector is nog steeds door dezelfde mannen bevolkt die enkele jaren geleden aan de wieg van de grote crisis stonden. Er zal nog heel wat water naar de zee gestroomd zijn voordat een suggestie van Brian Griffith werkelijkheid wordt. Misschien is het niet onverstandig om mensen in te huren die niet alleen door commissie en bonus geobsedeerd zijn. Dat zijn vrome wensen en dat blijven het!

vrijdag 30 oktober 2009

Een economisch herstel zonder herstel op de arbeidsmarkt

Is economie een wetenschap. Je zou haast gaan denken van niet. Als we de sombere bespiegelingen van het centraal planbureau moeten geloven, dan stijgt de werkloosheid in ons land in de loop van 2010 naar een niveau van 675 000 ofwel bijna 9% van de beroepsbevolking. Een paar maanden geleden beloofde het CPB nog een niveau van werkloosheid van 800.000 ofwel ruim 10% van de beroepsbevolking. Aan het einde van september waren er 398.000 werklozen. In de komende 15 maanden moet de werkloosheid met ruim 20.000 groeien om op het streefgetal van het CPB uit te komen.

Verborgen werkloosheid
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is de werkloosheid in 2009 per maand gemiddeld met 13 000 gestegen. Er wacht ons dus nog een explosieve groei van de werkloosheid. Maar hoe waarschijnlijk is dat? De economie begint wereldwijd steeds meer tekenen van leven te vertonen. Natuurlijk de ontwikkeling van de werkloosheid ijlt na bij die van de economische ontwikkeling. Maar dat is iets anders dan een werkelijke explosie. Waar wringt de schoen? Misschien is het door de wetgeving moeilijker geworden het juiste aantal werklozen in beeld te brengen. Om maar eens een voorbeeld te noemen. Iemand die zijn WW-uitkering verliest valt niet automatisch meer in de bijstand. Als de ongelukkige nog wat spaarcentjes heeft, dan zal hij die eerst moeten opsouperen. Mocht zijn vrouw nog een inkomen genieten, dan moet zij hem onderhouden. En hoe zit het met die honderdduizenden zzp-ers? Figureren zij in de werkloosheidsstatistieken? Het is nog maar de vraag. Kortom, het lijkt erop dat het beeld vertroebeld is en dat het werkelijke niveau werkloosheid momenteel wel eens veel hoger kan liggen. Nederland kent in dat geval evenals zoveel andere landen een forse verborgen werkloosheid.

Een nieuwe trend
De uitzendorganisatie USG speculeert er in zijn vooruitblik op de marktontwikkelingen min of meer op, dat dankzij het uitblijven van een scherpe stijging van de officiële werkloosheid al in het voorjaar van 2010 de vraag naar flexibele arbeid zal toenemen. Is dat een reële bespiegeling of is er sprake van wensdenken? Het laatste kan wel eens zijn het geval zijn. Er zijn trends waarneembaar die een herstel in de vraag naar (flexibele) arbeid kunnen dwarsbomen. De eerste is de groei van de productiviteit. In de VS groeide de productiviteit in het 2de kwartaal en voor het 3de kwartaal zijn de verwachtingen hoog gespannen. In een dergelijke omgeving ligt het niet voor de hand dat de vraag naar arbeid snel opbloeit. Sterker nog, in de VS blijft de werkloosheid onrustbarend snel toenemen. ‘Gelukkig groeit de productiviteit in Europa minder snel, maar toch. In de tweede plaats stelt de voortschrijdende technologische ontwikkeling bedrijven steeds beter in staat de consumentenvraag en het aantal benodigde uren op elkaar af te stemmen. Het voordeel is duidelijk: in een moeilijke economische omgeving is een bedrijf beter dan ooit in staat zijn winstgevendheid overeind te houden ondanks dalende omzetten. Dat is goed voor het bedrijf en voor de beurskoers. Het is veel minder goed voor de werknemers, wier positie onder druk blijft, en het is al helemaal niet goed voor de werkloze op zoek naar een baan. En dan is er nog een derde mogelijke oorzaak dat herstel van de werkgelegenheid maar moeilijk op gang zal komen. Het is niet ondenkbaar dat bedrijven met het oog op een mogelijke depressie hun organisatorische structuur op de schop hebben genomen. De efficiency is daarmee alleen maar toegenomen en de productiviteit blijft onverminderd hoog en derhalve de vraag naar arbeid onverminderd laag.

Somberheid troef
Als we een en ander bij elkaar optellen dan tekent zich een uiterst somber beeld voor de arbeidsmarkt af. Dankzij de grootschalige inbreng van ICT zijn bedrijven wellicht beter dan ooit in staat volatiliteit in de vraag af te wentelen op de werknemer, dus ook de onverwachte uitschieters in de economische cyclus. Als dat een blijvende trend blijkt, dan heeft dat gevolgen voor bedrijven, investeerders, beleidsmakers maar vooral voor de werknemer en het meest nog voor de werkloze. Laten we hopen, dat trends in de VS niet één op één vertaalbaar zijn naar Nederland.
Het is echter niet alleen maar somberheid troef. Toegegeven, deze recessie wijkt af van bijna alle recessies sinds, maar dat kan ook positief uitpakken. Diezelfde technologie, die bedrijven helpt te overleven, heeft vanaf de jaren negentig een ongekende banencreatie mogelijk gemaakt. De explosieve ontwikkeling van internet heeft de stoot gegeven tot nieuwe vormen van bedrijvigheid die vòòr het jaar 2000 niet bestonden. Denk bijvoorbeeld aan de bedrijfjes, die eBay als digitale vestigingsplaats gebruiken. Daarnaast, vanaf 2010 zal het aanbod op de arbeidsmarkt jaarlijks steeds verder afnemen, terwijl de animo bij de nieuwkomers om als zzp-er aan de slag te gaan alleen maar toeneemt. Ook dat is nieuw en veelbelovend.

vrijdag 23 oktober 2009

Plutonomie

Het was me het weekje wel. In Nederland is onder massale belangstelling het imperium van Dirk Scheringa ten grave gedragen. De selfmade man, de parvenu op wollen sokken, heeft het moeten afleggen tegen de krijtstrepen gevestigde orde. Internationaal trokken berichten de aandacht dat de bankiers op Wall Street en in de City weer enorme bonussen gaan opstrijken. Het is ‘business as usual’, alhoewel enkele topmensen van Goldman Sachs zich genoodzaakt zagen publiekelijk uit te leggen dat investmentbankiers niet slechts hebzuchtige gieren zijn, maar wel degelijk een belangrijke bijdrage leveren aan de internationale economie.

Publieke woede
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de publieke opinie erg onder de indruk zal zijn van de betogen van de investmentbankiers van Goldman. Het komt me voor dat die bankiers evenmin erg onder de indruk zullen zijn van de publieke woede. Deels is dat toe te schrijven aan de bijna autistische mentaliteit van de bankiers, maar deels kan dat het resultaat zijn van de analyse van deze bankiers van de maatschappij en de economie.
Afgelopen week schreef een columniste van the Financial Times een stuk over de laatste film van Michael Moore, Capitalism: A Love Story. In deze column komt ze met het begrip plutonomie op de proppen. Dit woord is in 2006 geïntroduceerd door een groepje analisten van Citigroup onder leiding van Ajay Kapur. Voor hen is een plutonomie een samenleving waar de economische groei steeds meer afhankelijk wordt van een kleine groep superrijken. Volgens Ajay Kapur is deze groep superrijken steeds beter in staat die economie te controleren. Dat is mede te danken aan de groei van hun vermogen, maar ook aan de wereldwijde groei van hun aantal.

Plutonome samenlevingen
Wat zijn de kenmerken van plutonome samenlevingen of staten? Volgens Kapur gaat het om samenlevingen waar een enorme en nog steeds groeiende inkomensongelijkheid bestaat. Zo heeft de top 1% rijken in de VS de beschikking over meer vermogen dan ongeveer 90% van de bevolking. Voor de crisis beliep de omvang van dat vermogen USD 16 triljoen. De financiële crisis heeft echter forse gaten in dat vermogen geslagen en daarom heeft deze groep in 2008/09 een pas op de plaats moeten maken. In de analyse van Citigroup is een omvangrijke financiele crisis een van de grootste bedreigingen van de positie van deze plutonomen.
Tegenover bedreigingen staan uiteraard ook kansen. Een plutonomie gedijt in een omgeving waar de productiviteit snel groeit dankzij de inzet van nieuwe en daarmee ontwrichtende technologieën, financiele innovatie, een marktgeoriënteerde overheid, een instroom van migranten en een samenleving gebaseerd op wetten, die bijvoorbeeld patenten beschermt. De plutonome maatschappij is ook een complexe maatschappij, waar juist de plutonoom het best in staat is de juiste kansen te onderkennen.
In een plutonome samenleving speelt de ‘gemiddelde consument’ geen rol van betekenis. Het gaat om de plutonoom, om de rijke en de superrijke. Hij en de zijnen spelen een doorslaggevende rol in de groei van de consumptie, niet Jan Modaal, Otto Normalverbraucher of Joe Sixpack. In 2005 was volgens Kapur 20% van de bevolking in de VS verantwoordelijk voor 60% van de totale consumptieve bestedingen. In deze maatschappij bepalen of beïnvloeden de superrijken de wereldwijde financiele stromen. Dat mag ook geen verbazing meer wekken, gelet op boven vermeld vermogen van alleen al de plutonome elite in de VS.

Implicaties
Ajay Kapur begon indertijd zijn onderzoek om de kwaliteit van de advisering aan de beleggende klanten van Citigroup te verbeteren. Hij adviseerde vooral te beleggen in bedrijven die luxe goederen op de markt brengen.
Als we de gedachtegang van Kapur accepteren, dan kan dat het autistisch gedrag van de bovengenoemde investmentbankier in ieder geval ten dele verklaren. Hij deelt de analyse van Citigroup en ziet het als zijn ultieme opdracht de plutonomen op hun wenken te bedienen. Hij laat zich dus weinig gelegen aan de publieke opinie.

Als de theorie van de plutonomie klopt, dan ontwikkelt de maatschappij in het westen zich meer en meer in de richting van een ‘haves en haves not’ maatschappij met als voornaamste slachtoffer de middenklasse, wiens economische positie steeds verder uitgehold zal worden.
In het Westen en zeker in de VS is een politieke reactie opgang gekomen die juist de superrijken op de korrel neemt en hun macht en invloed tracht in te perken. Hoeveel plutonomie kan een democratie verdragen? Of een daadwerkelijk inperken lukt, is een tweede.

Wie het Global Wealth Report 2008 van Merrill Lynch doorbladert, moet tot de conclusie komen dat het zwaartepunt van de plutonomie naar het oosten aan het verschuiven is. Het tempo in de groei van het aantal superrijken in landen als Rusland en China ligt veel hoger dan in de VS. In de EU is de groei van het aantal superrijken het laagst. De trends in de plutonomie zijn een duidelijke indicatie van het verschuiven van het economisch zwaartepunt van het Westen naar het Oosten. Kapur beveelt nog steeds aan in luxe te beleggen, maar voorwaarde is wel, dat de luxe producent winkels heeft in plaatsen als Moskou, Sjanghai en New Delhi.

Tenslotte, als Kapur gelijk heeft en de rol en het gedag van de plutonoom is inderdaad bepalend in de ontwikkelingsgang van de economie, dan ziet het er goed uit voor de VS. In de maand september stegen de bestedingen aan luxe goederen met 20%. De (super)rijke heeft blijkbaar zijn zelfvertrouwen terug en hij zal dat laten zien ook!

zaterdag 17 oktober 2009

De Dow Jones door de grens van 10.000 punten

Woensdag 14 oktober doorbrak de Dow Jones Index voor het eerste in meer dan een jaar de grens van 10.000 punten. Sinds het einde van het eerste kwartaal van 2009 heeft de Dow een stijging laten zien van 55% sinds het dieptepunt op 9 maart 2009. Heeft dit feit nog iets heugelijks? Heeft het nog een economische betekenis? Er valt wel het een en ander aan op te merken, wat in ieder geval een echte juichstemming in de weg staat.

De financials terug in de schijnwerper
Het doorbreken van de grens van 10.000 punten is eerst en vooral een symbool voor het herstel van de financials in de VS. Wat is het geval? The Dow Jones US Financial Sector Index is sinds maart 2009 met maar liefst 135% gestegen. Na een daling van 80% vanaf het hoogste niveau in oktober 2007.
De aanhoudende stijging van de US Financial Sector Index is natuurlijk niet alleen de uitkomst van de wel heel mooie cijfers van J.P Morgan van woensdag 14 oktober. Het is voor een groot deel toe te schrijven aan het gegeven dat veel vooraanstaande banken in de VS inmiddels begonnen zijn de overheidssteun van 2008/2009 terug te betalen. En dat gebeurt veel eerder dan verwacht. Beleggers gaan er maar gemakshalve aan voorbij dat meer dan 30 kleine en middelgrote banken forse achterstanden hebben bij het betalen van hun kwartaal dividend aan het ministerie van Financiën als vergoeding voor de TARP-gelden. Dat is een verdubbeling vergeleken met de betalingsachterstanden in mei van dit jaar. Je kunt de sector daarmee nog niet als ‘echt gezond’ omschrijven!
Een aantal van die verlieslatende financiële instellingen heeft wel van het verbeterende beursklimaat gebruik gemaakt om zijn aandelenkapitaal te versterken. Een onderzoeksbureau,Trim Tabs, heeft becijferd dat over de afgelopen 6 maanden financiële instellingen nieuwe aandelen hebben uitgegeven ter waarde van USD 135 miljard. Koploper is misschien wel Citigroup, dat het aantal uitstaande aandelen verdubbelde van 5,5 miljard naar ruim 11,4 miljard. Over verwatering gesproken.

Voldoende reden voor aanhoudende terughoudendheid
Wat mogen we van de huidige staat van de financiele sector zeggen in combinatie met het beursklimaat. Het eerder genoemde Trim Tabs heeft ook vastgesteld dat na een reeks van elkaar opvolgende emissies de prestaties op de aandelenbeurzen voor een langere periode mager genoemd mogen worden. De brede aandelenmarkt is nu gewaardeerd op 20x de winst 2009E . Het historisch gemiddelde van diezelfde markt is gewaardeerd op 15x de winst. Dat feit is niet vervelend voor al die beleggers die vanaf maart op de aandelenmarkten actief zijn geworden. Het is wel vervelend voor die beleggers die in tweede of in derde instantie de markten weer betreden hebben. Hen wacht schraalhans als keukenmeester. Dat niet alle beleggers een hoofdprijs kunnen incasseren is van alle tijden. Een beetje belegger moet zich daarvan wel bewust zijn.
Er kleeft nog een nadeel aan de renaissance van de sector. Het gewicht van de financials in de totale aandelenmarkten beloopt nu ongeveer 19%. Is dat veel of weinig, is dat normaal of niet normaal? Laten we enkele cijfers op een rij zetten. Aan het begin van 2009 bedroeg het gewicht 13%. In de eerste helft van de jaren negentig, ver voor de kredietbubbels, schommelde het gewicht tussen 7% en 11%. Op het hoogtepunt van de kredietbubbel, in 2006, lag het gewicht van de financiele sector op 22% van het totaal.


Teveel of te weinig
Is die 22% dan teveel en 19% niet? En wat is duur? Banken in de S&P zijn gewaardeerd op 40x de winst van 2009E. Zijn ze daarmee overgewaardeerd? Niet als je meegaat in de verwachting dat de winstgevendheid over 2010 verdubbeld ten opzichte van 2009. Als dat waar blijkt te zijn, dan zal de winst van de banken ongeveer 16% uitmaken van de totale winst van corporate America. Is dat teveel, is dat te weinig? Wie zal het zeggen, edoch financiele bubbels hebben de onaangename onhebbelijkheid aan de vooravond van het barsten eruit te zien als gezonde economische groei. Assets stijgen in prijzen. De kans dat kredietnemers hun schulden aflossen, neemt zodoende fors toe. Iedereen gaat meer spenderen en banken lijken het gelijk aan hun kant te hebben in hun kredietbeleid. Waar hebben we dit deuntje eerder gehoord?
Het doorbreken van de grens van 10.000 punten mag dan een mijlpaal zijn, maar misschien was het beter geweest als de technologiesector of de industrie de drijvende krachten waren.

vrijdag 9 oktober 2009

De eerste klap is een daalder waard

Hè, hè, de kop is er af. Met de presentatie van de cijfers van aluminiumgigant Alcoa gaat traditioneel het cijferseizoen van start. De spanning is groot op de financiële markten, maar ook daar buiten. Hoe zullen de cijfers eruit zien. Gaan ze verrassen of teleurstellen en dan vooral in vergelijking met de uitkomsten over het tweede kwartaal. Die vielen indertijd heel erg mee. Veel meer bedrijven dan verwacht lieten toen een winst zien. De grote ‘maar’ toen was dat de winst geheel op het conto kwam van draconische ingrepen in de kostenstructuur van bedrijven. Dat betekent meestal dat er veel werknemers aan de dijk gezet worden. De verbetering van de winst ging dan ook hand in hand met een scherpe daling van de omzetten. Met andere woorden: de markt was nog steeds zwak. De cijfers over het derde kwartaal moeten niet alleen een verbetering van de winstgevendheid laten zien, maar het liefst ook een stabilisering of een verbetering van de omzet.

Omzetdaling stagneert
De financiële markten reageerden positief op de cijfers van Alcoa. De oorzaak van de tevredenheid school echter niet in een herstel van de omzet. Die halveerde nagenoeg ten opzichte van een jaar eerder, maar liet een verbetering van bijna 9% zien ten op van het voorafgaande 2de kwartaal. Geeft dit reden tot tevredenheid? Amper. De financiële markten reageerden ook minder op de omzetcijfers alswel op het feit dat Alcoa tegen de verwachtingen in een bescheiden winst van $ 39 miljoen liet zien. Dat is mooi, maar wie wat verder kijkt, ziet weinig reden om tevreden te zijn. Het herstel van de winst was vooral toe te schrijven aan enerzijds een herstel in de prijzen, maar vooral in een daling van 20% van het aantal werknemers.
Er is echter weinig grond om aan te nemen dat de prijsstijging zal aanhouden en dat heeft veel te maken met de vraagontwikkeling. Volgens de CEO van Alcoa, heeft het er de schijn van dat de daling in de vraag in een aantal kernmarkten niet langer afneemt. Het bedrijf verwacht daarom dat de daling over heel 2009 geen 7%, maar 6% zal bedragen. Die lichte verbetering was toe te schrijven aan een stabiele vraag naar aluminium uit de hoek van voeding en drank. Bovendien verslechterde de vraag uit de hoek van vliegtuigbouw niet langer. De bouw laat het echter nog volledig afweten. Voorwaar, dat kun je moeilijk een breed gedragen herstel noemen. De grootste dreiging komt echter uit China. Alcoa moet vast stellen dat de vraag uit China terug loopt. Dat heeft weinig of niets te maken met een stagnerende ontwikkeling in dat land, maar is veeleer toe te schrijven aan de opbouw van eigen capaciteit in dat land. Dat duidt erop dat de overcapaciteit in deze sector eerder toe zal nemen dan afnemen.

De arbeidsmarkt blijft een drama
De eerste klap is een daalder waard, zo luidt het gezegde. De kans is echter groot, dat het bij die ene daalder blijft. De hooggespannen verwachtingen mag je enigszins irreëel. In de VS, maar ook in Europa hangt het herstel van de economie nauw samen met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en het consumentenvertrouwen. Beide zijn duidelijk in de mineur. Van een herstel op de arbeidsmarkt lijkt vooralsnog geen sprake. Eerder is het tegendeel waar. De officiële werkloosheid zal uitstijgen boven 10% van de beroepsbevolking. Dat lijkt onafwendbaar. Als er al sprake is van economisch herstel dan is het te zwak en te fragiel om banen te scheppen. Koppel daaraan een aanhoudende onzekerheid op de huizenmarkt en de consument heeft weinig reden om tevreden de portemonnee te trekken. Die consument is trouwens druk doende om zijn schulden af te betalen en om meer te sparen.
Economen binnen en buiten de VS hebben jarenlang geroepen dat de consument in de VS minder moest besteden en meer moest sparen. Soms moet je er echter voor vrezen dat je wensen vervuld worden. Diezelfde economen klagen nu handenwringend dat de spaarzucht van de Amerikaanse consument een spoedig herstel van de economie in de VS, maar ook daar buiten in de weg staat. Aan het begin van deze eeuw zei Nout Wellink, de president van de Nederlandse Bank, dat ‘we’ een monument voor de onbekende Amerikaanse consument moesten oprichten. Zijn consumptiedrang sleepte de wereldeconomie door de toenmalige economische recessie. Voor welke consument gaan we anno nu een monument oprichten?

Wat zou Marx zeggen
De Amerikaanse media maken veel werk van het verslaan van de recessie en de aanhoudende groei van de werkloosheid. Te pas en te onpas komen werklozen opdraven in talkshows. Het valt steeds op, dat het spook van de werkloosheid ook ‘ons soort mensen’ bezoekt. Hoogopgeleiden, succesvolle ondernemers, ze vallen allemaal ten prooi aan de werkloosheid en zien hun inkomsten in een bestek van enkele weken met vele tientallen procenten terug lopen.
Als de 19de eeuwse Duitse filosoof Karl Marx even zou mogen terugkeren, dan zou hij zijn ogen niet geloven. In zijn ‘Verelendungstheorie’ spelen hoogopgeleiden een belangrijke rol. Zij zouden stem en leiding moeten geven aan het proletariaat in zijn strijd met de kapitalisten. Marx was indertijd van mening dat de proletarische revolutie de grootste kans van slagen had in de VS met zijn relatief goed opgeleide beroepsbevolking. Als de Verelendung zou toeslaan, dan konden die goed opgeleide arbeiders de strijd aan gaan. We zijn nu anderhalve eeuw verder. ‘Het kapitalisme’ zet zijn hoogopgeleiden bij tienduizenden tegelijk aan de dijk. De kansen om snel een nieuwe baan te krijgen zijn gering. De uitkeringen zijn kort en laag. Karl Marx zou zich in zijn handen wrijven. Een massale Verelendung is aanstaande. Misschien toch iets om over na te denken!

woensdag 30 september 2009

Malthus[1] blijft actueel
Het is weer eens zover. Europese boeren protesteren en masse tegen te lage prijzen voor hun producten. Miljoenen liters melk worden uitgereden over Europese akkers en weilanden. De discussie over wereldwijd dreigende voedseltekorten lijkt hiermee afdoende beslist in het voordeel van de sceptici, die meenden dat er van dreigende tekorten geen sprake zou zijn.
Ondanks alles wijdde the Financial Times onlangs een commentaar aan de mogelijke problemen rondom de onzalige combinatie van bevolkingsgroei, klimaatverandering en voedselproductie. Het commentaar nam een voorschot op de komende klimaatconferentie in Kopenhagen in december van dit jaar. De krant wijst er fijntjes op, dat de wereldbevolking tot 2050 in tal en last zal blijven groeien tot minimaal 8 miljard en in het meest ongunstige geval tot 10,5 miljard. Door die aanhoudende bevolkingsgroei zal de voedselproductie moeten blijven stijgen. The Financial Times noemt een groei van 70%. Natuurlijk mag je een slag om de arm houden bij het lezen van dit soort voorspellingen over een zo lange periode. Het neemt echter niet weg, dat wat voor het moment geen probleem is, over een langere periode een probleem kan worden met de omvang van een molensteen.

Hogere productie nodig
Wat moet er gedaan worden? In de eerste plaats moet de productie omhoog van de huidige landbouwgronden. Dat kan door de inzet van meer kunstmest, betere irrigitatietechnieken en verdergaande mechanisatie van de landbouw in alle delen van de wereld. Nodig is ook dat de landbouwinfrastructuur verbeterd wordt en het kennisniveau van de boer moet omhoog. Maar het is nog maar de vraag of dit voldoende is om in 2050m pakweg 10 miljard monden te voeden. Dat probleem groeit in omvang als al die monden niet langer tevreden zijn met een simpel vegetarisch dieet, maar ook graag een stukje vlees of vis willen verorberen. En dan is – zeker voor de kortere termijn – er een complicerende factor en wel de verbouw van landbouwproducten voor biobrandstof. Het lijkt daarom onontkoombaar om ook marginale gronden onder de ploeg te nemen. Dat kan allemaal heel goed op basis van de huidige technologie, maar zonder problemen is dit niet. Op basis van de huidige technologische inzet neemt bij een hogere voedselproductie ook de CO2 uitstoot toe en dat is nu net niet de bedoeling.

Problemen vragen om ……..
Op de wat langere termijn ziet de landbouw zich voor grote problemen gesteld die dringend om een oplossing vragen. De productie moet fors omhoog, maar dat moet het liefst CO2 neutraal. Er mag minder water verkwist worden. Daarnaast moet de landbouw oplossingen zoeken voor het voedsel versus brandstof debat. Er is daarmee veel onderzoek nodig naar alternatieven zoals de productie van algen. Tenslotte is er een groeiende belangstelling voor de mogelijkheid om landbouwgronden te gebruiken voor de opvang en opslag van CO2.
Op de achtergrond speelt het probleem dat de klimaatverandering van invloed kan zijn op de huidige ecosystemen. Temperatuursveranderingen, meer of minder regen, andere of meer insectenvolken, het zijn even zo vele factoren die de kwaliteit van de landbouwgrond kunnen aantasten.

……..een nieuwe benadering
De productie kan in beginsel op twee manieren omhoog. Dat is al gememoreerd: en hogere opbrengst van de bestaande landbouwgronden of een uitbreiding van het bestaande areaal. Een eerste vereiste voor productieverbetering is om precies in kaart te brengen hoe groot wereldwijd het areaal aan landbouwgrond eigenlijk is en hoe deze gronden gebruikt worden voor voedselproductie. Zoiets kan vandaag de dag dankzij zogeheten Geografische Informatie Systemen (GIS). Op basis van deze informatiesystemen kan bijvoorbeeld the Food and Agricultural Organisation vast stellen waar de landbouw suboptimaal presteert en wat een goed alternatief zou zijn al dan niet in samenhang met een verwachte klimaatverandering.

Politiek
Een grote sta-in-de-weg is het beleid van de nationale overheden. Dat is er –niet ten onrechte overigens – om de belangen van de eigen bevolking te dienen. Maar soms pakt een eng nationalistische aanpak averechts uit. De afgelopen jaren verboden overheden de export van landbouwproducten, zoals graan en rijst. Andere overheden gaven subsidies om de prijs van producten laag te houden. Al dit overheidsingrijpen leidde tot kunstmatige tekorten en tot nodeloos hoge prijzen.
Overheden zijn ook geneigd om op basis van veel emotie en een gebrek aan zakelijkheid onderzoek naar nieuwe manieren van productie te verbieden. Het bekendste voorbeeld is hier uiteraard het Europese verzet tegen de zogeheten Genetische Modificatie van planten en dieren. De discussie over dit onderwerp is verworden tot een weinig productieve loopgravenoorlog. Het absolute nadeel hiervan is, dat potentieel geïnteresseerde investeerders zich zuchtend afwenden. Dat is vervelend, omdat duidelijk is, dat veel private gelden nodig zijn om veel mooie voornemens en veelbelovend onderzoek te financieren.

Terug naar the Financial Times
In zijn eerder genoemd commentaar komt de krant tot een bijzondere aanbeveling om het voedselprobleem in combinatie met CO2 uitstoot en bevolkingsgroei aan te pakken. De krant pleit voor een moderne vorm van gezinsplanning. Ze baseert dit advies op een onderzoek van the London School of Economics[2], waarin te lezen valt dat minder kinderen tot vijfmaal zo effectief is om de CO2 uitstoot te verminderen dan de huidige technologieën.
[1] Thomas Robert Malthus (1766-1834) was predikant, demograaf en econoom. Hij is bekend geworden om zijn opvatting date r een spanningsveld is en blijft tussen bevolkingsgroei en de productiegroei in de landbouw. Hij legde zijn opvattingen vast in een pamflet uit 1798: An essay on the principles of population.
[2] Cole, M.A. and Eric Neumayer, Examining the impact of demographic factors on air pollution, februari 2006

woensdag 23 september 2009

Cleantech terug in de schijnwerpers

Het is een tijd lang stil geweest op het cleantechfront. Afgelopen maanden was het nieuws niet altijd even gunstig. Investeringen in cleantech of renewable energy bleken niet altijd een even gunstig verloop te kennen als gehoopt door de belegger. Her en der werd tandenknarsend het nodige verlies geïncasseerd. De Barclays Capital Renewables Index daalde in 2008 met meer dan 60%, terwijl de DJ Euro Stoxx50 ‘slecht’ 30% omlaag ging. Met de klimaattop in Kopenhagen in aantocht en de klimaattop georganiseerd door de VN is de media aandacht weer volledig terug.

De oogst van één dag
Ondanks de onvermijdelijke tegenvallers is de cleantechsector volop in beweging. Om maar eens een deel van de oogst van een dag (23 september) op te sommen: het Spaanse Iberdrola Renovables heeft van de Amerikaanse overheid $ 251 miljoen ontvangen voor de bouw van drie windmolenparken in dat land. Deze subsidie is onderdeel van een stimuleringsplan ter waarde van $ 1 miljard voor de bevordering van windenergie. De regering Obama heeft $550 miljoen gereserveerd voor renewable energy projecten. Tot nu toe hebben 25 bedrijven met succes een beroep op dit fonds gedaan. Opnieuw in de VS, het bedrijf Fisker Automotive krijgt een lening van meer dan $ 500 miljoen om een nieuwe generatie hybride auto’s te ontwikkelen. In Silicon Valley komen initiatieven van de grond om bijvoorbeeld de ordinaire baksteen met bijzondere eigenschappen toe te dichten, zoals het ‘opeten’ van CO2. Ook krijgt het kwaliteiten die het isolerend vermogen verbeteren. Kortom groen bouwen is populair in Silicon Valley. Volgens de Cleantech Group is er alleen dit jaar al $ 350 miljoen geïnvesteerd in 45 projecten om ‘groen’ te bouwen.

Toekomst blijft positief
Wie beweert dat er in de VS niets gebeurt op het vlak van cleantech en/of renewable energy, zit gewoon te slapen. Ook daar is een bruisende sector in opkomst. Laten we duidelijk zijn. Het gegeven dat veel energiebronnen in handen zijn van onbetrouwbare regimes is wel de belangrijkste motivator voor een mooie toekomst van deze sector.

a. Windenergie
Tot vandaag de dag ligt het initiatief toch bij de EU. Daarbij trekken vooral de investeringen in windenergie de aandacht. Europa is de onbetwiste koploper in capaciteit. Aan het einde van 2008 bedroeg in Europa de beschikbare capaciteit 65,946 MW en dat was meer dan 50% van de wereldwijde beschikbare capaciteit voor windenergie. Die bedroeg toen 120,706 MW. Hoewel het tempo van groei (uiteraard) geleidelijk afneemt, blijft de Europese voorsprong voorlopig aanmerkelijk. De wereldwijde groei in capaciteit zal de komende jaren meer dan 20% bedragen. Voor Europa zakt de groei terug van 19% naar 16%. Het goede nieuws is verder dat windenergie steeds concurrerender wordt als het gaat om de kosten per kWh. Ter geruststelling voor de belegger, steeds meer bedrijven slagen erin een gunstig resultaat te boeken. Dat komt deels door een gezonde bedrijfsvoering en deels door het besef bij veel overheden, dat een financieel steuntje in de rug geen kwaad kan.

b. Zonne-energie
Als het om zonne-energie gaat, is de voorsprong van Europa bijna duizelingwekkend te noemen, maar dat is het dan wel. In 2008 bedroeg de Europese capaciteit, uitgedrukt in megawatt 3,361 tegen 407 in Noord en Zuid Amerika. Het is echter de verwachting dat ultimo 2011 de Americas hun achterstand ten opzichte van Europa nagenoeg gehalveerd hebben. In 2011 zal de capaciteit voor zonne-energie in de VS die van Duitsland overtreffen. De groeicijfers zijn in dezen veelzeggend. Tot 2011 zal de capaciteit in Duitsland met gemiddeld 11% groeien, voor heel Europa komt de groei uit op 24%, maar aan de overkant van de oceaan komt de groei uit op meer dan 80%. Investeerders in Europa aarzelen, omdat de kans op teleurstellingen groot zijn. De overheid blijft vaak in gebreke als het gaat om accommoderende regelgeving, bijvoorbeeld als het gaat om financiering. Bovendien zijn eindmarkten volatiel, waardoor gemakkelijk overproductie ontstaat. Over dit soort problemen hoort meer duidelijkheid te komen, wil de sector echt interessant worden voor beleggers.

c. biodiesel
Voor de korte termijn ziet de toekomst voor biodiesel er in Europa ongunstig uit. Er gaat vraaguitval optreden. De belangrijkste Europese speler, Duitsland, heeft zijn quota voor biodiesel verlaagd heeft belasting op biodieselproducten verhoogd. Andere landen zijn geneigd het Duitse voorbeeld te volgen. In de markt leeft de vrees, dat de EU zijn biodieselquota voor 2020 gaat halveren. Dat zou een klap zijn voor het Europese segment van de markt voor biobrandstoffen. Alleen als de VS een streep zetten door hun huidig gesubsidieerd exportbeleid, bestaat de kans dat het gevaar van een grote overcapaciteit geweerd zal worden. Voorlopig is het echter voor de Europese biodieselondernemers duimen draaien.

En dan nog…….
Ondanks de nodige problemen en tegenslagen, heeft de EU nog steeds het heft in handen als het om cleantech/renewable energy gaat. Er is echter weinig reden voor zelfgenoegzaamheid. De Amerikaanse denktank het Brookings Institute heeft een scenario uitgewerkt, waarin de VS en China op verschillende terreinen de handen ineen gaan slaan om een aantal serieuze klimaatproblemen met cleantech te gaan bestrijden. Het Brookings Institute ziet als potentiële aandachtsgebieden: de elektrische auto, het opvangen en opslaan van CO2 en nieuwe vormen van zonne-energie. Het wordt goed opletten voor de EU in Kopenhagen. Een combinatie van China en de VS kan de EU buitenspel zetten op een potentieel zeer aantrekkelijke markt.

donderdag 17 september 2009

De kredietcrisis is jarig (3)

Deze maand is het een jaar geleden, dat Lehman Brothers ten onder ging. Het omvallen van deze investment bank had een kettingreactie op de financiële markten tot gevolg. Enkele weken na de val besloot het kabinet Balkende/Bos de top van het Nederlandse bankwezen te nationaliseren om een implosie van het systeem te voorkomen. Van de arrogantie dat Nederland immuun zou blijken voor Amerikaanse kwalen was in een weekeinde tijd niets meer over.
Nu, een jaar later heeft het er de schijn van dat het ergste van de krediet- en economische crisis voorbij is. De noodverbanden hebben het ergste bloeden gestopt. De tijd is dan ook daar om te gaan kijken hoe toekomstige crises voorkomen kunnen worden. Cynici, onder wie deze auteur, geloven dat crises altijd zullen optreden. De wetgeving mag nog zo goed zijn, maar is feitelijk niet meer dan een weergave van een moment in de tijd. Bovendien, de zwakke schakel bij uitstek is de mens, die steeds opnieuw denkt dat hij ‘king of the World’ is en dan, zoals Daedelus, naar de zon vliegt met alle gevolgen van dien. Dat neemt weer niet weg, dat wetgeving voortdurend aanpassing behoeft om nieuwe ontwikkeling te vangen.

Falende modellen en regelgeving
In het kielzog van de bijeenkomst van de G20 kwam de Bank for International Settlement (BIS) met voorstellen om in de toekomst een crisis, zoals die van vandaag, te voorkomen.
De bank begint haar aanbevelingen[1]met een schuldbekentenis. De auteurs stellen vast dat er in de laatste 25 jaar geleidelijk een klimaat van zelfgenoegzaamheid was gegroeid. Die zelfgenoegzaamheid viel te bespeuren bij de financiële sector zelf, bij de academici en natuurlijk ook bij de politiek. Er leek een systeem ontwikkeld waarbij de inflatie laag was, de economische groei hoog en dat in een stabiele omgeving. Het mathematische model had uiteindelijk gezegevierd over volatiliteit en onberekenbaarheid van de mens.
Uiteindelijk faalden de modellen. De crisis deed zich voor, het model bood geen antwoord op de systeemcrisis en zelfs de signaalfunctie werkte niet, of in ieder geval niet afdoende.

Lessen uit de crisis
Misschien wel de belangrijkste les sinds 2007 is, dat het monetaire beleid er niet in geslaagd is om de reële economie te vrijwaren voor schokken in het financiële systeem. Een tweede les is dat fiscale politiek wel degelijk een rol kan spelen bij het voeren van beleid. In de derde plaats mogen zich beleidsmakers zich afvragen of het huidige monetaire beleid afdoende geëquipeerd is. Het rentewapen bleek al heel snel bot. Een belangrijk wapenfeit is ook aan het licht gekomen. De omvang en de kwaliteit van de balans van de financiële sector speelt op dit moment geen rol in de macro-economische modellen. Dat is bij de huidige stand van zaken een duidelijk gebrek. Tenslotte, om wat meer greep te krijgen op het wezen van financiële crises kan het geen kwaad om een goede studie van de geschiedenis te maken. Ben Bernanke geeft in dezen het goede voorbeeld.

Aanbevelingen
De belangrijkste conclusie van de aanbevelingen van de BIS luidt, dat het financiële bestel een duidelijke plaats hoort te krijgen in de nieuwe macro-economische modellen. In de nieuwe modellen hoort opgenomen te worden, dat periodes van financiële stress en crisis een onmiskenbaar onderdeel van het economische leven zijn. Op die manier kan een beter macro-economisch beleid ontwikkeld en gevoerd worden om stabiliteit van het economische leven te bevorderen, maar ook in het financiële leven. Dat impliceert dat er nieuwe studies nodig zijn naar het gedrag van de actoren in deze sector, maar ook naar de dynamiek in deze sector. Hoe komen prijzen voor assets tot stand, wat kunnen de gevolgen zijn van kredietgroei, maar ook van de ontwikkeling van schulden binnen de sector en uiteindelijk hoe al deze mechanismes in elkaar grijpen. Is dat duidelijk dan kan er een beter zicht ontstaan hoe deze sector kan ingrijpen op de reële economie. De Bis pleit er ook voor, dat deze nieuw te ontwikkelen macro-economische de financiële sector een bijzondere plaats krijgt, juist omdat een systeemcrisis, zoals de huidige, een verwoestende uitwerking kan hebben op de hele economie. Crises in andere sectoren hebben meestentijds weinig uitstraling op de hele economie.

Conclusie
Het is misschien ontluisterend te moeten lezen, hoezeer kennis van de werking van de financiële markten nog ontbreekt. Het plaatst het optreden van verantwoordelijken beleidsmakers als de toenmalige minister van Financiën van de USA , Henry Paulson, en onze eigen Nout Wellink in een ander daglicht. De kennis van een zogeheten systeemcrisis was en is onvoldoende voor een effectieve bestrijding ervan. Omdat de kennis onvoldoende was, ontbraken ook de juiste handvatten en middelen ter bestrijding. Die zijn al doende ontwikkeld.
Het ontbreken van afoende kennis is ook van belang als het gaat om de hervorming van het systeem. Zonder afdoende kennis zal er weinig veranderen. Die mening is ook Nouriel Roubini toegedaan, in zijn nieuwsbrief, Lehman’s anniversary-What’s different? What’s the same? Ook hij pleit voor een nieuwe manier van economisch denken, die veel gelijkenis vertoont met de standpunten van de BIS. Tussen neus en lippen door verwerpt Roubini de opvatting dat de crisis voorbij is. Hij wijst erop, dat juist de positie van de grote banken nog steeds verslechtert. Dat komt vooral, omdat deze banken gedwongen zijn allerlei zogeheten off-balance vehicles zichtbaar op de balans te maken. Hij schat dat het gaat om een bedrag van USD 900 miljard, dat vooral de westerse banken nog moeten consolideren.
Kortom, de herstelwerkzaamheden zijn nog in volle gang en daarmee is het nog te vroeg voor een ingrijpende hervorming van de financiële sector. Hoe noodzakelijk die hervorming ook moge zijn.


[1] Cecchetti, S.G. Piti Disayat and Marion Kohler, Integrating Financial Stability:new models for a new challenge. Bank for International Settlement, September 2009

donderdag 10 september 2009

De kredietcrisis is jarig(2)

(In deel 1 is het hoe en waarom van de kredietcrisis behandeld. In deel 2 komt de ontwikkeling van het financiële bestel aan bod, die uiteindelijk leidde tot de kredietcrisis)

De afgelopen twee jaar hebben we mogen toezien hoe het globale financiële systeem aan zijn eigen gewicht bezweek. Met dit ineenstorten is een voorlopig einde gekomen aan een stelsel dat zijn oorsprong vindt in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In 1973 maakten de Amerikanen noodgedwongen een einde aan het toenmalige financiële stelsel, dat gebaseerd was op de Overeenkomst van Bretton Woods uit 1944.
Het is niet te verwachten dat het globale systeem nog in zijn oude vorm zal terugkomen. Een van de kernpunten van dit systeem was zoals Greenspan het noemde het welbegrepen eigenbelang van de deelnemers aan. Dat eigenbelang zou er garant voor staan, dat bankiers geen domme dingen zouden doen en desnoods elkaar zouden corrigeren. Greenspan schatte het rationeel vermogen van de partijen te hoog in en nog onlangs wees hij op de hoogmoed van de mens als bron van falen. Overigens, het idee van het welbegrepen eigenbelang is niet van Greenspan. Hij grijpt hiervoor terug op discussies in de 19de eeuw over de plaats en rol van de centrale bank in het toenmalige financiële bestel

De post Bretton Woods wereld
Hoe zag de wereld na het ophouden van Bretton Woods er eigenlijk uit? Wat waren de kenmerken van het nieuwe systeem Het eerste kenmerk is dat van de deregulering. Het systeem van Bretton Woods had het (nationale) financiële bestel ingekapseld in een keurslijf aan regels. Daar kwam een einde aan. In samenhang met de deregulering kwam een wereldwijde integratie van financiële markten op gang, de globalisering. Een belangrijk onderdeel van het nieuwe bestel was, dat er een einde kwam aan de traditionele rol van banken. Zij trekken spaargelden aan en zetten die weer uit in de vorm van leningen. De bank was en bleef verantwoordelijk voor alle risico’s. Het nieuwe systeem knipte deze traditionele band door. De partij die de spaartegoeden aantrok, was niet langer verantwoordelijk voor het uitzetten ervan en voor de risico’s die daarmee gepaard gingen. Eigenlijk is het fout te speken van een nieuw systeem. Het oude bleef min of meer bestaan, maar daarnaast bloeide een alternatief systeem op dat ten volle profiteerde van de nieuwe mogelijkheden van veranderende regelgeving en nieuwe technologieën en vormen van communicatie.
Binnen het alternatieve, globaliserende bestel traden nieuwe partijen toe, op zoek naar nieuwe markten om daar nieuwe producten op af te zetten. Partijen als pensioenfondsen en verzekeraars zagen onverwachte en nieuwe mogelijkheden om hun overschotten te investeren. Dankzij de deregulering waren deze instellingen niet langer aan de landsgrenzen gebonden. Uiteindelijk is dat slechts op beperkte schaal gebeurt. Er kwam veel eer een ontwikkeling op gang, waarbij de deelnemers risico’s, verbonden aan leningen en investeringen, op zich namen zonder dat ze over de tegoeden beschikten waarmee deze investeringen gefinancierd werden

Nieuwe producten en nieuwe diensten
Welke risico’s lopen banken in het traditionele bestel bij het uitzetten van leningen? Dat zijn er drie: a. het kredietrisico ( de lener betaalt niet terug) b. het renterisico (de bank ontvangt minder rente dan zij betaalt) en c. liquiditeitsrisico (de bank moet onverwacht extra tegoeden aantrekken).
In het nieuwe, zeg maar alternatieve bestel groeide dankzij productvernieuwing de mogelijkheid voor banken om deze risico’s geheel of gedeeltelijk door te schuiven naar derde partijen. Het middel daartoe heette securitisatie ofwel de bank verkoopt de leningen door aan een partij die de aankoop van leningen financiert met de uitgifte ven effecten, vaak obligaties, die verhandelbaar zijn op de financiële markten. De bank is nu van zijn risico af en maakt ook nog een marge die hoger ligt dan de kosten. De derde partij, bijvoorbeeld een investmentbank, draagt nu het risico van de financiering. De eerste vormen voor securitisatie kwamen op in de jaren zeventig. Bekende producten zijn de zogeheten Asset Backed Securities, de onderliggende waarde van de obligatie vormen consumentenkrediet of zakelijke leningen, en Mortgage Backed Securities, waarbij hypotheken het onderpand vormen. In de jaren tachtig zagen nieuwe vormen van securitisatie het licht die we kennen onder de verzamelnaam Collateralized Debt Obligations ofwel CDO’s. Het principe is hetzelfde, spreiding van risico en inkomen. Kenmerkend voor een CDO is, dat binnen zo’n product de inkomsten en risico’s ook gespreid zijn. Sommige van de samenstellende waardepapieren dragen meer risico en andere dragen minder.
In de loop der decennia is de omvang van de markt voor deze gesecuritiseerde waarden uitgegroeid tot vele honderden miljarden dollars en euro’s. Naast deze markt groeide nog een tweede, die voor derivate producten. In wezen zijn deze producten ontwikkeld om de overdracht van risico’s mogelijk te maken, zonder dat financiering daarbij een rol speelde. De belangrijkste risico’s die overgedragen worden zijn het renterisico, het wisselkoersrisico en het kredietrisico.

Het alternatieve bancaire systeem
Hierboven hebben we gesteld, dat de verregaande deregulering, de liberalisering van de kapitaalmarkten, de globalisering en de integratie van de wereldwijde kapitaalmarkten de basis legde voor een heus alternatief bancair systeem. Het systeem dankte zijn bestaan verder aan financiële innovaties, zoals securitisatie van schuldpapier en van derivatie producten. Het alternatieve systeem kenmerkte zich doordat bankleningen kunnen nu gefinancierd worden door besparingen die niet langer alleen aangetrokken worden door depositobanken. De risico’s die aan deze leningen verbonden zijn in dit systeem de zorg voor ‘risicodragers’ die zelf geen spaartegoeden aantrekken.
In de jaren negentig zijn op de westerse financiële markten drie vooraanstaande risicodragende partijen actief: de zogeheten investment banks, de hedgefunds en de zogeheten off balance verhicles.
De investmentbank is van oorsprong een klassieke intermediair. Deze financiële instelling verzorgt de uitgifte en plaatsing van waardepapieren. Ze onderhouden hiermee de liquiditeit van de markt. Vanaf de jaren negentig hebben ze hun werkterrein verplaatst naar de alternatieve markt voor gesecuritiseerde en derivate producten. Ze ontwikkelden zich al snel als een spin in het web voor de circulatie en distributie van risico’s. Dat is terug te zien aan de ontwikkeling van de gezamenlijk portefeuille van de vijf grootste investmentbanks van voor de crash. In 1987 bedroeg de totale waarde van de portefeuille met claims en securities voor eigen rekening en risico USD 40 miljard. Twintig jaar later beliep dat bedrag meer dan USD 800 miljard. De hedgefunds zijn pure risicodragers. Ze zijn ervoor in het leven geroepen. Ze zijn actief in de meest volatiele markten en gaan vaak hoge schulden aan in verhouding tot hun eigen vermogen (leveraging). Om hun liquiditeitsrisico te verminderen, staan ze niet toe dat hun klanten op elk moment kunnen uitstappen. Ze opereren vaak off shore om zodoende de nationale regelgeving te ontlopen. Naast de hedgefunds en de investmentbanks zijn er nog de off-balance vehicles. Die zijn populair geworden aan het begin van deze eeuw. Ze zijn een uitvinding van de banken die zo bepaalde belastingvoordelen konden behalen en bepaalde regelgeving ontlopen. ABN AMRO heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van deze off-balance vehicles. Geleidelijk aan zijn het vehicles geworden voor producten waar de banken niet langer risico voor droegen of voor de financiering ervan moesten zorgen.
Het belang van hedgefunds en van de off-balance vehicles laat zich moeilijk raden. Ze zijn er immers in geslaagd buiten het reguliere toezicht te blijven. Schattingen gaan er echter vanuit dat de omvang van het alternatieve systeem niet veel afwijkt van het reguliere bancaire systeem. Het grote verschil is, dat het regulier systeem toezicht kent, het alternatieve systeem amper of niet. Dat is in retrospect een even ongelooflijk als beangstigend gegeven. Het gaat immers om onvoorstelbaar grote bedragen. Het gebrek aan toezicht heeft uiteindelijk een cruciale rol gespeeld bij het losbarsten van de kredietcrisis.

Internationale financiële integratie
De ontwikkeling van het alternatieve bancaire systeem ging gepaard met het vervagen van de grenzen tussen de nationale financiële systemen. Westerse landen deden dat als eerste gevolgd door de zogeheten opkomende markten. Kapitaal kon zich steeds vrijer gaan bewegen over de wereld.
Vrije stromen, jawel, maar toch niet volledig vrij, want er bestaan wel zoiets als wisselkoersen tussen de verschillende valuta’s. Met andere woorden aan de keten van risico’s in het alternatieve circuit voegde zich een nieuw risico en wel het wisselkoersrisico. Gelet op het bovenstaande lag het in de lijn der verwachtingen dat er een systeem groeide van internationale verdeling van het financiële risico. Voor de goede orde, er groeide niet allen risico’s, maar de verlenging van de risicoketen maakte het natuurlijk ook mogelijk dat besparingen internationaal aangewend konden worden. De vraag die nog om een antwoord vraagt is of deze internationale financiële integratie werkelijk bijgedragen hebben aan de snelle ontwikkeling van de opkomende markten. De vraag over het succes van de globalisering en liberalisering komt in deel 3 aan bod.

(wordt vervolgd)

woensdag 2 september 2009

De kredietcrisis is jarig

Deze maand is het een jaar geleden, dat Nederland overvallen werd door de kredietcrisis. Overvallen is wel het juiste woord. Hoewel de kredietcrisis al een jaar in de VS woedde, overheerste hier te lande de opvatting dat wij wel verschoond zouden blijven van die kredietellende. Onze bankiers waren immers verstandige mensen. Die moesten niets hebben van die rare producten. En ook ons toezicht was superieur aan het Amerikaanse. De Miljoenennota van vorig jaar straalde nog optimisme uit. Wie wees op de donkere wolken die zich samenpakten boven ons land en de rest van Europa werd uitgelachen. Aan het einde van de maand september bleek al, dat de inhoud van de Miljoenennota evenveel waard was, als het papier waarop de tekst gedrukt was. Nederland was in zeer zwaar weer terecht gekomen.

Hoe zat het ook al weer
Aan het einde van 2006 groeide in de VS de onrust over het aantal incidenten waarbij burgers hun aflossingsverplichtingen voor hun hypotheek niet meer konden nakomen. Het betrof hier het inmiddels beruchte segment van de ‘subprime loans’, een categorie hypotheekleningen die niet gegarandeerd was door de daarvoor bestemde instellingen, Fanny Mae en Freddy Mack. De afnemers van deze leningen waren Amerikanen die voor een gegarandeerde hypotheek niet in aanmerking kwamen. De subprime markt was desondanks een omvangrijke markt. In 2006 bedroeg de waarde ervan $ 1,300 miljard.
Goocheme bankiers hadden deze hypotheekleningen gesecuritiseerd, ofwel omgebouwd naar een soort obligatie. Het aantrekkelijke van dit product was zijn hoog rendement. Het rendement lag 2% tot 3% hoger dan van andere obligaties. Dat moest ook wel, want de koper van het waardepapier droeg alle risico’s. Ondanks deze risico’s vond het nieuwe subprime product wereldwijd gretig aftrek, juist om zijn hoog rendement.
De enorme vraag in de markt naar hoogrenderende waardepapieren in combinatie met het geleidelijk laten vieren van de kwaliteitseisen door de zogeheten ratingagencies, opende in feite de doos van Pandora. Slimme investmentbankiers van Goldman Sachs, Morgan Stanley en noem maar op knutselden het ene hoogrenderende beleggingsproduct na het andere in elkaar en zetten die met groot succes in de markt, hoewel er veel onduidelijk was over de onderliggende waarde. De kopers sloegen echter geen acht op de duidelijk aanwezige risico’s. Roependen in de woestijn wezen erop dat dit systeem alleen kon bestaan als alle spelers de risico’s zouden accepteren of beter nog domweg negeerden. Er mocht geen kink in de kabel komen, die de bereidheid risico’s te dragen zou kunnen ondergraven.

En toen ging het mis
Het moest eigenlijk wel misgaan. Er waren teveel losse eindjes. De schrik sloeg de wereldwijde financiële markten eerst goed in de benen, toen in maart 2007 HSBC bekend maakte dat beleggingsfondsen van deze bank zware verliezen leden op de subprime loans in hun portfolio’s. Zou de keizer dan toch geen kleren aanhebben?
Sommige partijen begonnen zich achter de oren te krabben, vooral die partijen die met geleend geld deze obligatieproducten hadden gekocht. Deze partijen wilden hun risico’s verminderen en besloten daarom hun posities in deze producten te verkleinen. Een logische reactie, maar er was een klein probleem. Op het ultieme moment bleek de vraag naar deze producten op te drogen. Als een partij wilde verkopen, dan kon dat alleen tegen een lagere prijs dan de oorspronkelijke. Het effect was, dat partijen meer te koop moesten aanbieden om het gewenste niveau van verlaging van het risicoprofiel te bereiken. Het gevolg was, dat er een neerwaartse prijsspiraal groeide. Steeds meer financiële instellingen keken met groeiende bezorgdheid naar hun balansen en moesten vaststellen dat het steeds moeilijker werd om de waarde van die producten te bepalen. Er was immers geen markt meer voor. In de zomer van 2007 liet BNP Paribas beleggers in drie van zijn fondsen weten dat het onmogelijk was om de waarde van die fondsen te bepalen. Ze werden ‘gesloten. De beleggers bleven verbijsterd en heel veel euro’s armer achter.

De val van Lehman Brothers
In razend tempo maakte de risicobereidheid plaats voor angst en risico-aversie. Een van de grootste slachtoffers van die aversie was de interbancaire markt. Het is een goed gebruik dat banken hun tijdelijke liquide overschotten uitlenen aan collega banken die met tijdelijke tekorten kampen. Die markt stokte, omdat banken wantrouwig werden over de kredietwaardigheid van de tegenpartij. Het leek bovendien een goed idee die middelen in eigen hand te houden. Je weet maar nooit of je ze morgen zelf niet nodig hebt.
Het systeem raakte door angst en aversie in een vrije val. In razend tempo werden steeds meer segmenten van vooral de kredietmarkten aangetast. Instellingen zagen zich gedwongen ‘solide schuldpapier’ van de hand te doen om aan hun verplichtingen te voldoen tegen afbraakprijzen. Niemand wilde het op zich solide papier meer. Er was geen markt meer. Medio september 2008 bereikte de onrust op de wereldwijde financiële markten een hoogtepunt of zo u wilt een dieptepunt met het omvallen van Lehman Brothers. Lehman was niet zo maar een investmentbank. Nee, Lehman was een spin in het web. Het was een kruispunt, waar talloze financiële wegen samen kwamen. Het omvallen joeg zodoende schokgolven door de hele wereld.

Wat deden de autoriteiten
Vanaf augustus 2007 tot aan het omvallen van Lehman Brothers en de daarop volgende wereldwijde commotie hadden de financiële autoriteiten zich beperkt tot symptoom bestrijding Meer en meer namen ze de rol op zich van intermediair tussen private partijen die aarzelden om elkaar liquiditeiten te lenen. De centrale bankiers pompten allengs meer en meer liquide middelen het systeem in om het draaiende te houden. Door het omvallen van Lehman Brothers sloeg wat ooit een subprime loan crisis was over naar alle geledingen van de kredietmarkt. Lehman Brothers was, zoals eerder gememoreerd, een spin in het web, een kruispunt van vele wegen. Het was ook niet langer uit te sluiten, dat de financiële bosbrand de reële economie zou gaan bereiken. Pas toen drong het besef door, dat het systeem niet meer instaat om de risico’s te dragen, waarmee het zich eerder zelf had opgezadeld. De centrale bankiers en andere financiële autoriteiten beseften dat langs de lijn blijven staan en liquiditeiten inpompen niet langer voldoende was. Wereldwijd dreigde het systeem in te storten. Centrale bankiers en ministers van financiën sloegen noodgedwongen de handen ineen om het systeem te redden, maar het was eigenlijk al te laat. De wereld gleed weg in een diepe recessie.

(Wordt vervolgd)

donderdag 27 augustus 2009

De polsslag van de IT sector

We zitten alweer midden in het 3de kwartaal van 2009 en het is tijd om de rekening op te maken over het 2de kwartaal. Bij het segment IT hardware luidt de conclusie dat dit segment in grote lijnen volgens verwachting presteerde. Misschien was het wel ietsjes boven verwachting. Onderzoeksbureaus als Gartner en IDC zien op basis van de uitkomsten over het afgelopen kwartaal reden om de verwachtingen voor heel 2009 te herzien. Er zat eerder een krimp in de volumes van 3% tot 5% in de pen, maar dat is nu naar verwachting 0% of misschien wel een kleine plus. Over het 2de kwartaal daalden de volumes met 1%-3%. De meevallende daling was vooral te danken aan de voortgaande opmars van de goedkope netbook. Er zullen in 2009 naar verwachting 30 miljoen netbooks over de toonbank gaan. De opmars spreekt ook uit een aanhoudende daling van de gemiddelde prijzen, die waarschijnlijk in 2009 uitkomt op -15%. Echter, zonder de netbook zouden volumes over heel 2009 een sterke daling laten zien.

Winnaars en verliezers
De grote winnaar in de IT hardwaresector is Hewlett Packard (HPQ). In een krimpende markt slaagde het bedrijf erin zijn volumes met meer dan 3,5% te laten groeien. Dat die betere volumes niet tot uitdrukking komt in hogere omzetten is terug te voeren op de gememoreerde prijsdruk. HP wist wereldwijd zijn marktaandeel op te voeren tot bijna 20%. Die winst ging vooral ten kostte van de grote concurrent Dell. Dat zag zijn marktaandeel met bijna 2,5% terugvallen tot onder 14% en het bedrijf moet nu de hete adem van Acer in zijn nek voelen, dat zijn marktaandeel net zo hard zag groeien als Dell het zag krimpen. Het probleem van Dell is niet van vandaag of gisteren. Het bedrijf heeft zich tot voor kort vooral gericht op de bedrijvenmarkt. Het moge bekend heten, dat deze sector wereldwijd in zwaar weer verkeert. Investeren in nieuwe Informatie Technologie is voorlopig geen punt op de agenda. Dell is er blijkbaar nog steeds niet in geslaagd om een behoorlijk functionerend retailnetwerk op te bouwen, dat de consument weet te verleiden een Dell te kopen. De nabije toekomst ziet er voor Dell daarmee niet erg aantrekkelijk uit. Krompen de aantallen in het 2de kwartaal met iets meer dan 17,1%, voor het lopende kwartaal zijn de verwachtingen onverminderd slecht met een krimp in aantallen van 17% en een omzetdaling van misschien wel 27%. Die omzetdaling is deels het gevolg van minder verkopen, maar ook van het inzetten van het prijswapen om de afkalving te bestrijden.
Als we naar regio’s kijken, dan blijft de VS verrassend sterk presteren met een groei van 1%. In de VS blijft vooral de consument zich goed weren. Zuid Oost Azië doet het ook goed met 1% groei. De groei in die regio komt voornamelijk op naam van China. West Europa laat geen groei zien. De rest van de wereld laat een krimp zien.

Voorzichtig optimisme
Maar misschien is Dell wel de uitzondering op de regel. In een ander segment van de IT hardwaresector over, die van de halfgeleiders, heerst eveneens een voorzichtig optimisme. Dat heeft veel zo niet alles te maken met de ‘mooie’ uitslag van marktleider Intel over het 2de kwartaal. Binnen dit segment overheerst het idee, dat het 3de kwartaal in ieder geval beter zal zijn dan het voorafgaande. Dat heeft alles te maken met de zogeheten Back-to-school periode. Maar dat is het niet alleen. Eerste gegevens over juli wijzen op een licht aantrekken van de PC-markt. In elke PC, notebook of netbook verdwijnen een of meer halfgeleiders. Trouwens, in heel veel apparaten, auto’s en noem maar op verdwijnen verschillende soorten halfgeleiders. Een hele belangrijke markt is die voor de mobiele telefoons. Er gaan wereldwijd pakweg een (1) miljard mobieltjes over de markt. Ondanks de recessie valt de krimp van deze markt nog wel mee en dat is vooral te danken aan de agressieve marketing van de zogeheten smartphone. De iPhone van Apple speelt hier een cruciale rol. Tenslotte is er de snelgroeiende game-industrie. Die industrie blijft het goed doen en vraagt veel ‘zware halfgeleiders’ en wie weet wordt Windows 7 tijdig gelanceerd. Ook dat kan zowel de verkoop van Pc’s bevorderen als die van halfgeleiders.

Tenslotte
De markt voor IT hardware lijkt door het dal heen. Maar dat prille herstel steunt op de consument en op het succes van het netbook, dat minder dan $500 kost. Het bedrijfsleven laat het voorlopig afweten en dat is zonder meer slecht nieuws voor Dell. Dat bedrijf zal moeten wachten tot 2010 wil het betere resultaten laten zien. Winnaars van het moment zijn Hewlett Packard met zijn sterke positie op de consumentenmarkt. Een tweede partij die van de huidige trends profiteert is Apple. Zijn Mac is erg modieus en zijn iPhone is de te kloppen partij op de markt voor smartphones.
De markt in het 2de kwartaal laat zien, dat van een opleving van de economie geen sprake was. Dell merkte daar het meest van. Die partij zal derhalve ook het meest profiteren als de opleving echt komt en gaat doorzetten.