Als alles volgens verwachtingen loopt zal China in 2010 Japan definitief als economische grootmacht voorbij gaan. Dan is het nog maar een kwestie van een tiental jaren voordat ook de VS China als meerdere economische moeten erkennen, volgens enkele enthousiastelingen. Of dat allemaal een dergelijk vaart zal lopen valt nog te bezien. Wel is duidelijk dat dit land zijn financiële spankracht gebruikt om op meerdere terreinen met het Westen maar vooral met de VS de concurrentie aan te gaan. Research & Development is een terrein, waar de Chinezen de dominantie van de Amerikanen willen aantasten en ondergraven .
Speerpunt
Zoals een goed communistisch land betaamt heeft het land een meerjarenplan op gesteld om op het Vlak van R&D en innovatie een wereldspeler te worden. In 2006 formuleerde de Chinese overheid een plan met een looptijd tot 2010 om China een leidende rol te bezorgen. Het plan zette 4 kwantitatieve doelstellingen, formuleerde 5 strategische aandachtsgebieden, 11 sleutelgebieden en 68 onderwerpen met speciale prioriteit. Binnen de 5 strategische doelstellingen is topprioriteit gegeven aan de ontwikkeling van nieuwe schone technologieën voor energie, water en het milieu. De keuze is goed te begrijpen. Water is een relatief schaars goed in China en het milieu is door de immer voortschrijdende industrialisatie van het land ernstig aangetast. Bovendien oordeelde de Chinese overheid dat ‘schone technologie’ relatief jong en nieuw is en dat het zodoende ‘gemakkelijker’ is om snel een speler van formaat te worden. Binnen deze meerjarenplanning is in 2006 een vijfjaren plan ingebouwd dat loopt tot en met 2010. Voor dit korte termijn plan zijn dezelfde prioriteiten geformuleerd als voor het middellange termijn plan. Binnen deze doelstellingen ligt het accent op het ontwikkelen van schone technologieën voor energiebesparing, het commercieel rendabel maken van windturbines en de ontwikkeling van nieuwe technologie en apparatuur voor elektriciteitsnetwerken.
In China is alles groot, grotere grootst en dat geldt ook voor hun inspanningen op R&D en innovatie. Aan het einde van het eerste vijfjarenplan moeten vijftig miljoen Chinezen werkzaam zijn in Science & Technology, onder wie 7 miljoen technici, ingenieurs en wetenschappers.
Programma 863 en 973
Om al deze plannen te verwezenlijken is geld nodig, heel veel geld. Aan geld is in China vooralsnog geen gebrek en dat is terug te zien aan de budgetten voor R&D en innovatie. In 2001 verdeelde de overheid $ 11 miljard voor publieke R&D. In 2006 was dat bedrag opgelopen naar $ 26 miljard. Bij de verdeling van al die yuans vallen twee programma’s in het bijzonder op. Er is het State High-Tech Development Programma, beter bekend als programma 863. En dan is er nog het National Basic Research Program ofwel programma 973. Programma 863 is bedoeld om de financiële verplichtingen voor buitenlandse technologie te verminderen en uiteindelijk naar nul terug te brengen. De insteek hier is eerder tactisch dan strategisch. Binnen dit programma gaat geld naar die aandachtsgebieden die direct van nut kunnen zijn voor de economische ontwikkeling van het land. In de afgelopen periode is veel geld geïnvesteerd in waterstoftechnologie en energiezuinige technologieën. Programma 973 is meer strategisch van aard en richt zich energie, behoud van de natuurlijke grondstoffen en een betere bescherming van het milieu.
Internationale coöperatie
Gelijktijdig met het uitbouwen van een solide R&D basis in eigen land, probeert China ook internationaal zijn positie te versterken. In 2007 lanceerde het land het Cooperation Programm on New and Renewable Energy. De doelstelling van dit initiatief is tweeledig. Er moeten meer mogelijkheden komen om technologie te importeren en ook moet de overdracht van kennis tussen China en derde landen gestroomlijnder worden. Het programma mag een succes heten want in 2009 had China al overeenkomsten gesloten met 97 landen waaronder de VS, Japan en de EU. Samen met de VS is er een clean energy center. De aandacht van het centrum gaat vooral uit naar schone steenkool, schone gebouwen en schone voortuigen.
Gaan voor goud
Om zich sneller te kunnen presenteren als de nummer één wereldwijd op het vlak van schone technologieën heeft China nog twee beleidsdoelstellingen geformuleerd. Binnenlands moet de samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven verbeterd worden, zodat nieuwe kennis en inzichten sneller toepassing vinden in de vorm van nieuwe diensten en producten. Publiekprivate samenwerking moet ook internationaal. Bedrijven en wetenschappers moeten zich internationaal presenteren en zoeken naar geschikte partners met de juiste technologie. De eigen technologie moet tegelijkertijd exportproduct worden en dus reizen overheidsfunctionarissen en ondernemers ontwikkelingslanden af om daar hun technologie te slijten en op zoek te gaan naar geschikte lokale partners. Het succes van dit beleid is nu al opmerkelijk. Was het aandeel van de exporten in de omzet van de Sjanghai Electric Power Company nog slechts 13%, in 2006 was dit al 45%. De aandacht voor de zogeheten ontwikkelingslanden heeft toch vooral een lange termijnoogmerk. In 2030 zal naar verwachten 90% van de groei in de vraag naar energie juist uit deze landen komen. Door nu een basis in deze landen te leggen, hoopt China op termijn ten volle te kunnen profiteren van de vraag naar schone en herwinbare energie. China gaat dan echt voor goud.
maandag 22 maart 2010
maandag 15 maart 2010
De 3G belofte ingelost
Wie kan zich nog de opwinding herinneren rondom de UMTS-veiling aan het begin van deze eeuw. Telefoonbedrijven in Europa legden vele tientallen miljarden op tafel om een zogeheten 3G licentie binnen te slepen. Overal in Europa wreven overheden zich in de handen bij die wel grote financiële meevaller. In Nederland was de overheid een stuk minder blij. KPN betaalde NLG 5 miljard voor zijn licentie, terwijl er in eerdere instantie hardop van fantastische bedragen gedroomd werd. Die liepen op tot wel NLG 20 miljard. 3G technologie was nodig om de verwachte explosie in de groei van het dataverkeer in goede banen te leiden.
Vertraagde groei
Het heeft lang geduurd, veel langer dan verwacht voordat die gedroomde explosie in de groei kwam. Dat had enerzijds te maken met het leeglopen van de internetbubbel, waardoor de telecomsector wel in heel zwaar weer terecht kwam. Anderzijds was het uitblijven van die explosie het zoveelste bewijs dat er een kloof gaapt tussen het dagdromen en wensdenken van de techneuten en wat de markt graag ziet.
Uiteindelijk is de gedroomde groei er toch gekomen, zij het met een vertraging van jaren. Dat was te danken aan een combinatie van factoren. De introductie van het USB modem, de snelle acceptatie van de smartphone (blackberrie) en vooral de populariteit van de iPhone, gekoppeld aan aantrekkelijke financiële voorwaarden hebben voor een doorbraak gezorgd. Afhankelijk van de operator is het volume van het dataverkeer tussen 100% tot 400% gegroeid in de laatste twee jaren. Anno 2010 is het dataverkeer goed voor 70% tot 90% van de groei van het netwerkverkeer. Insiders denken dat we pas aan het begin staan van een exceptionele groei, Maar dan moeten de operators wel nieuwe producten en diensten ontwikkelen. Video en IPTV lijken voor de operators op korte termijn grote kansen te bieden.
Opstoppingen
Hoewel de meeste operators het grootste deel van het voorbije decennium te kampen hadden met een onderbenutting van de capaciteit van het systeem, lijkt daar op korte termijn een einde aan te komen. Nu al zijn er op sommige delen van de digitale snelweg opstoppingen. De oorzaak is dat het dataverkeer niet gelijkmatig verdeeld is over de dag, maar nog wel eens op onregelmatige tijden wil pieken. Het is bijna overbodig, maar die onverwachte pieken en de opstoppingen op de snelweg komen de kwaliteit van de dienstverlening niet ten goede. Het gaat weer wel te ver om van een noodsituatie te spreken. Bedrijven hebben daarom geen haast om te gaan investeren om het fileprobleem te verhelpen. Los van de beperkte omvang van het fileprobleem is er ook nog een financiële drijfweer om even niet te investeren. Bij de huidige tariefstructuren is het dataverkeer amper winstgevend. Hoewel data 75%-90% van het digitale verkeer vormen is de bijdrage aan de omzet uit deze dienstverlening slecht 10% van het totaal en zijn sommige onderdelen van het dataverkeer verlieslatend. Een mogelijke oplossing kan een gedifferentieerde tariefstructuur zijn, waarbij de zogeheten ‘heavy user’ meer betaalt in ruil voor een betere dienstverlening, bijvoorbeeld in de vorm van het kunnen mijden van de opstoppingen. Op die manier hopen operators de pieken in het gebruik te verminderen, zodat de congestie minder wordt. Tegelijkertijd blijven ze scherpe tarieven hanteren om nieuwe gebruikers aan te trekken die weliswaar minder opbrengen, maar die dan weer de ‘dalmomenten’ in de dag kunnen opvullen.
Winnaars en verliezers
De operators hebben weinig zin op fors te investeren in nieuwe capaciteit. Sterker nog, het is te verwachten dat het investeringsniveau voor de komende jaren dat van 2009 niet zal ontstijgen. Dat is slecht nieuws voor de leveranciers van telecomapparatuur, zoals Ericsson en Nokia Siemens. Die bedrijven hebben toch al te kampen met aanhoudende prijsdruk door de komst van bijvoorbeeld nieuwe Chinese concurrentie, zoals Huawei. Alleen bedrijven die de juiste technologie in huis hebben om op bepaalde onderdelen congestieproblemen op te lossen kunnen opdrachten verwachten. Misschien mag Alcatel-lucent hier voor de korte termijn enige hoop koesteren. Voor de overige spelers blijft het de komende jaren moeilijk. Door de slechte economische situatie blijft de investeringsbereidheid laag, zeker als operators eerst willen proberen de capaciteitsbenutting beter te stroomlijnen. Alleen bedrijven die zich willen profileren op het gebied van de dienstverlening mogen de komende jaren met iets meer vertrouwen tegemoet zien.
Dan ziet de toekomst van de telecomoperators er een stuk beter uit. In de meeste Europese landen is er sprake van een oligopolie. Dat vermindert de prijsdruk en verbetert de marges. Omdat de komende jaren geen uitgebreide investeringsprogramma’s met alle risico’s van dien op stapel staan, zullen de vrije kasstromen de komende tijd aanzienlijk aanzwellen. Dat mag resulteren in hogere dividenduitkeringen. Zoals het er nu naar uit ziet zal een bedrijf als Vodafone in 2011 een dividend van 6% uitkeren en dat in 2012 verhogen naar 8%. Met een k/w van 9X is het aandeel goedkoper dan de sector met een K/W van 10X. De waardering van een bedrijf als KPN is in lijn met het sectorgemiddelde. Voor 2010 ligt een dividenduitkering van 6,8% in het verschiet, gekoppeld aan een programma voor inkoop eigen aandelen. Dat kan ook voor voorzichtige beleggers aantrekkelijk zijn.
Vertraagde groei
Het heeft lang geduurd, veel langer dan verwacht voordat die gedroomde explosie in de groei kwam. Dat had enerzijds te maken met het leeglopen van de internetbubbel, waardoor de telecomsector wel in heel zwaar weer terecht kwam. Anderzijds was het uitblijven van die explosie het zoveelste bewijs dat er een kloof gaapt tussen het dagdromen en wensdenken van de techneuten en wat de markt graag ziet.
Uiteindelijk is de gedroomde groei er toch gekomen, zij het met een vertraging van jaren. Dat was te danken aan een combinatie van factoren. De introductie van het USB modem, de snelle acceptatie van de smartphone (blackberrie) en vooral de populariteit van de iPhone, gekoppeld aan aantrekkelijke financiële voorwaarden hebben voor een doorbraak gezorgd. Afhankelijk van de operator is het volume van het dataverkeer tussen 100% tot 400% gegroeid in de laatste twee jaren. Anno 2010 is het dataverkeer goed voor 70% tot 90% van de groei van het netwerkverkeer. Insiders denken dat we pas aan het begin staan van een exceptionele groei, Maar dan moeten de operators wel nieuwe producten en diensten ontwikkelen. Video en IPTV lijken voor de operators op korte termijn grote kansen te bieden.
Opstoppingen
Hoewel de meeste operators het grootste deel van het voorbije decennium te kampen hadden met een onderbenutting van de capaciteit van het systeem, lijkt daar op korte termijn een einde aan te komen. Nu al zijn er op sommige delen van de digitale snelweg opstoppingen. De oorzaak is dat het dataverkeer niet gelijkmatig verdeeld is over de dag, maar nog wel eens op onregelmatige tijden wil pieken. Het is bijna overbodig, maar die onverwachte pieken en de opstoppingen op de snelweg komen de kwaliteit van de dienstverlening niet ten goede. Het gaat weer wel te ver om van een noodsituatie te spreken. Bedrijven hebben daarom geen haast om te gaan investeren om het fileprobleem te verhelpen. Los van de beperkte omvang van het fileprobleem is er ook nog een financiële drijfweer om even niet te investeren. Bij de huidige tariefstructuren is het dataverkeer amper winstgevend. Hoewel data 75%-90% van het digitale verkeer vormen is de bijdrage aan de omzet uit deze dienstverlening slecht 10% van het totaal en zijn sommige onderdelen van het dataverkeer verlieslatend. Een mogelijke oplossing kan een gedifferentieerde tariefstructuur zijn, waarbij de zogeheten ‘heavy user’ meer betaalt in ruil voor een betere dienstverlening, bijvoorbeeld in de vorm van het kunnen mijden van de opstoppingen. Op die manier hopen operators de pieken in het gebruik te verminderen, zodat de congestie minder wordt. Tegelijkertijd blijven ze scherpe tarieven hanteren om nieuwe gebruikers aan te trekken die weliswaar minder opbrengen, maar die dan weer de ‘dalmomenten’ in de dag kunnen opvullen.
Winnaars en verliezers
De operators hebben weinig zin op fors te investeren in nieuwe capaciteit. Sterker nog, het is te verwachten dat het investeringsniveau voor de komende jaren dat van 2009 niet zal ontstijgen. Dat is slecht nieuws voor de leveranciers van telecomapparatuur, zoals Ericsson en Nokia Siemens. Die bedrijven hebben toch al te kampen met aanhoudende prijsdruk door de komst van bijvoorbeeld nieuwe Chinese concurrentie, zoals Huawei. Alleen bedrijven die de juiste technologie in huis hebben om op bepaalde onderdelen congestieproblemen op te lossen kunnen opdrachten verwachten. Misschien mag Alcatel-lucent hier voor de korte termijn enige hoop koesteren. Voor de overige spelers blijft het de komende jaren moeilijk. Door de slechte economische situatie blijft de investeringsbereidheid laag, zeker als operators eerst willen proberen de capaciteitsbenutting beter te stroomlijnen. Alleen bedrijven die zich willen profileren op het gebied van de dienstverlening mogen de komende jaren met iets meer vertrouwen tegemoet zien.
Dan ziet de toekomst van de telecomoperators er een stuk beter uit. In de meeste Europese landen is er sprake van een oligopolie. Dat vermindert de prijsdruk en verbetert de marges. Omdat de komende jaren geen uitgebreide investeringsprogramma’s met alle risico’s van dien op stapel staan, zullen de vrije kasstromen de komende tijd aanzienlijk aanzwellen. Dat mag resulteren in hogere dividenduitkeringen. Zoals het er nu naar uit ziet zal een bedrijf als Vodafone in 2011 een dividend van 6% uitkeren en dat in 2012 verhogen naar 8%. Met een k/w van 9X is het aandeel goedkoper dan de sector met een K/W van 10X. De waardering van een bedrijf als KPN is in lijn met het sectorgemiddelde. Voor 2010 ligt een dividenduitkering van 6,8% in het verschiet, gekoppeld aan een programma voor inkoop eigen aandelen. Dat kan ook voor voorzichtige beleggers aantrekkelijk zijn.
maandag 8 maart 2010
De Europese huizenmarkt is nog steeds problematisch
We zijn misschien geneigd om het over het hoofd te zien, maar de oorzaak voor de huidige economische en financiële crisis ligt bij het ineen klappen van de markt voor subprime hypotheken in de VS. De val van Lehman Brothers was het meest sprekende gevolg van de ongekend snelle neergang van de markt voor deze vorm van hypotheken. Als de slechte toestand van de huizenmarkt de oorzaak is van de huidige crisis, dan is het te verdedigen dat het herstel op deze markt voorwaarde is voor een breder economisch herstel. DE vraag is dus of en in hoeverre het herstel vordert?
De ontwikkeling van de huizenprijzen
Wat valt er anno 2010 te zeggen over de beweging in de huizenprijzen? Zijn de huizenprijzen aan het uitbodemen en is het nu wachten op een herstel of is er nog geen einde aan de prijsval. Voor de VS lijkt het erop dat de markt zijn dieptepunt is gepasseerd. De zogeheten Case-Schiller Index voor huizenprijzen heeft na een daling van drie jaar en een verlies van meer dan 30% in het voorjaar van 2009 zijn dieptepunt bereikt. Ook in het Verenigd Koninkrijk heeft de markt in het voorjaar van 2009 na een daling van meer dan 20% zijn dieptepunt bereikt en is een herstel zichtbaar geworden.
Kunnen we aan de hand van trends in de VS iets zeggen over mogelijke trends in de Europese Unie? Dat kan inderdaad en dan blijkt dat, afhankelijk van de gekozen periode en de geselecteerde data, de EU trends op de Amerikaanse markt volgt met een vertraging van zes maanden tot twee jaar. Een voorbeeld, zowel in de VS als in de EU zijn de huizenprijzen sedert de jaren zeventig van de vorige eeuw met ongeveer 500% gestegen. De piek voor de VS lag in 2006 en voor de EU in 2008. Een groot verschil tot dusverre is, dat de prijsval in de VS tot nu toe veel sterker is geweest dan in de EU. Het is dus de vraag of de prijsdaling in dit deel van de wereld al tot een einde is gekomen.
Zijn huizenprijzen nog te hoog?
Het is mogelijk een veronderstelling te formuleren over het niveau van de huidige huizenprijzen aan de hand van enkele ratio’s die een aanwijzing kunnen geven in hoeverre de burger zich onder de huidige omstandigheden een huis kan veroorloven. Het zijn uiteraard algemene ratio’s, waarin bijzonderheden van de verschillende huizenmarkten niet tot uitdrukking komen. Neem bijvoorbeeld de ratio prijs-inkomen. Deze ratio kwam in 2003 zowel in de VS als in de EU boven het langjarig gemiddelde uit en piekte in de VS in 2005 en in Europa in 2006. In de VS lag de piek 12% boven het langjarig gemiddelde en in de EU was die 18%. De regionale verschillen in de EU waren erg groot. Zo lag in Nederland, Spanje en Ierland de piek ongeveer 40% boven het langjarig gemiddelde. In de VS is deze ratio gedaald tot ver onder het langjarig gemiddelde, in de meeste EU landen ligt de ratio nog steeds rond of boven het langjarig gemiddelde.
Een andere ratio is die van hypotheek versus het inkomen. De hoogte van de rente is immers van grote invloed op de mogelijkheid om een huis te kopen. Als we naar die ratio kijken dan wordt het beeld veel gunstiger. Deze ratio beweegt zich in de meeste landen nog steeds onder het langjarig gemiddelde. De vraag is natuurlijk wel hoe rentegevoelig de verschillende landen zijn op basis van het overheersende hypotheeksysteem. Opnieuw zijn dan de uitkomsten bemoedigend. Bij een stijging van 200 basispunten zou alleen in Nederland en het Verenigd Koninkrijk deze ratio boven het langjarig gemiddelde uitstijgen. Huizen zouden verhoudingsgewijs duur worden. Nederlandse huizenbezitters zijn derhalve kwetsbaar.
Risico’s blijven
Bovengenoemde ratio’s maar ook andere, zoals de price – rent ratio, schilderen een tamelijk ongunstig beeld van de huizenmarkt in een aantal landen in Europa en tot de risicolanden behoort Nederland. Afgaande op al deze ratio’s is de kans duidelijk aanwezig dat hier te lande de prijscorrectie nog niet voorbij is. In één opzicht steekt Nederland redelijk gunstig af bij veel andere landen. Nederland is samen met Duitsland het enige land in Europa, waar in de periode 2003-2007 de woningbouwproductie daalde ten opzicht van de voorafgaande periode. In landen als Zweden, Spanje Ierland explodeerde de productie. Landen als Spanje, Ierland en Finland hebben nu te kampen met een overaanbod van woningen. In Duitsland is de lagere productie een uitvloeisel van de krimp in de bevolking. En in Nederland? In dit land is de dalende productie eerder het gevolg van gecompliceerde juridische procedures dan van een bevolkingskrimp, regio’s als Drenthe en Zuid Limburg daargelaten. In andere delen kan er nog steeds een verborgen vraag leven en dat kan een sta-in-de-weg zijn voor een verdere (noodzakelijke?) prijsaanpassing.
Bron:
Deutsche Bank: Housing markets in OECD Countries. Risks remain in Europe. March 2010
Tip van de week
Volgens het Amerikaanse blad Barron’s zijn aandelen nog steeds aantrekkelijk geprijsd. De Europese markt is aantrekkelijker dan die in de VS. De grote Europese markten hebben voor 2010 een Koers/Winstverhouding van 12X voor 2010 en 10X voor 2011. Het dividendrendement komt hier uit op 3% tegen 2% voor de SP 500. Het blad heeft verder een voorkeur voor financials en de IT sector.
De ontwikkeling van de huizenprijzen
Wat valt er anno 2010 te zeggen over de beweging in de huizenprijzen? Zijn de huizenprijzen aan het uitbodemen en is het nu wachten op een herstel of is er nog geen einde aan de prijsval. Voor de VS lijkt het erop dat de markt zijn dieptepunt is gepasseerd. De zogeheten Case-Schiller Index voor huizenprijzen heeft na een daling van drie jaar en een verlies van meer dan 30% in het voorjaar van 2009 zijn dieptepunt bereikt. Ook in het Verenigd Koninkrijk heeft de markt in het voorjaar van 2009 na een daling van meer dan 20% zijn dieptepunt bereikt en is een herstel zichtbaar geworden.
Kunnen we aan de hand van trends in de VS iets zeggen over mogelijke trends in de Europese Unie? Dat kan inderdaad en dan blijkt dat, afhankelijk van de gekozen periode en de geselecteerde data, de EU trends op de Amerikaanse markt volgt met een vertraging van zes maanden tot twee jaar. Een voorbeeld, zowel in de VS als in de EU zijn de huizenprijzen sedert de jaren zeventig van de vorige eeuw met ongeveer 500% gestegen. De piek voor de VS lag in 2006 en voor de EU in 2008. Een groot verschil tot dusverre is, dat de prijsval in de VS tot nu toe veel sterker is geweest dan in de EU. Het is dus de vraag of de prijsdaling in dit deel van de wereld al tot een einde is gekomen.
Zijn huizenprijzen nog te hoog?
Het is mogelijk een veronderstelling te formuleren over het niveau van de huidige huizenprijzen aan de hand van enkele ratio’s die een aanwijzing kunnen geven in hoeverre de burger zich onder de huidige omstandigheden een huis kan veroorloven. Het zijn uiteraard algemene ratio’s, waarin bijzonderheden van de verschillende huizenmarkten niet tot uitdrukking komen. Neem bijvoorbeeld de ratio prijs-inkomen. Deze ratio kwam in 2003 zowel in de VS als in de EU boven het langjarig gemiddelde uit en piekte in de VS in 2005 en in Europa in 2006. In de VS lag de piek 12% boven het langjarig gemiddelde en in de EU was die 18%. De regionale verschillen in de EU waren erg groot. Zo lag in Nederland, Spanje en Ierland de piek ongeveer 40% boven het langjarig gemiddelde. In de VS is deze ratio gedaald tot ver onder het langjarig gemiddelde, in de meeste EU landen ligt de ratio nog steeds rond of boven het langjarig gemiddelde.
Een andere ratio is die van hypotheek versus het inkomen. De hoogte van de rente is immers van grote invloed op de mogelijkheid om een huis te kopen. Als we naar die ratio kijken dan wordt het beeld veel gunstiger. Deze ratio beweegt zich in de meeste landen nog steeds onder het langjarig gemiddelde. De vraag is natuurlijk wel hoe rentegevoelig de verschillende landen zijn op basis van het overheersende hypotheeksysteem. Opnieuw zijn dan de uitkomsten bemoedigend. Bij een stijging van 200 basispunten zou alleen in Nederland en het Verenigd Koninkrijk deze ratio boven het langjarig gemiddelde uitstijgen. Huizen zouden verhoudingsgewijs duur worden. Nederlandse huizenbezitters zijn derhalve kwetsbaar.
Risico’s blijven
Bovengenoemde ratio’s maar ook andere, zoals de price – rent ratio, schilderen een tamelijk ongunstig beeld van de huizenmarkt in een aantal landen in Europa en tot de risicolanden behoort Nederland. Afgaande op al deze ratio’s is de kans duidelijk aanwezig dat hier te lande de prijscorrectie nog niet voorbij is. In één opzicht steekt Nederland redelijk gunstig af bij veel andere landen. Nederland is samen met Duitsland het enige land in Europa, waar in de periode 2003-2007 de woningbouwproductie daalde ten opzicht van de voorafgaande periode. In landen als Zweden, Spanje Ierland explodeerde de productie. Landen als Spanje, Ierland en Finland hebben nu te kampen met een overaanbod van woningen. In Duitsland is de lagere productie een uitvloeisel van de krimp in de bevolking. En in Nederland? In dit land is de dalende productie eerder het gevolg van gecompliceerde juridische procedures dan van een bevolkingskrimp, regio’s als Drenthe en Zuid Limburg daargelaten. In andere delen kan er nog steeds een verborgen vraag leven en dat kan een sta-in-de-weg zijn voor een verdere (noodzakelijke?) prijsaanpassing.
Bron:
Deutsche Bank: Housing markets in OECD Countries. Risks remain in Europe. March 2010
Tip van de week
Volgens het Amerikaanse blad Barron’s zijn aandelen nog steeds aantrekkelijk geprijsd. De Europese markt is aantrekkelijker dan die in de VS. De grote Europese markten hebben voor 2010 een Koers/Winstverhouding van 12X voor 2010 en 10X voor 2011. Het dividendrendement komt hier uit op 3% tegen 2% voor de SP 500. Het blad heeft verder een voorkeur voor financials en de IT sector.
Abonneren op:
Posts (Atom)
