zondag 29 mei 2011

De maakindustrie wordt weer sexy

Waar een crisis al niet goed voor is. Tot voor kort was het wel haast een dogma, dat de maakindustrie zijn langste tijd had gehad. De industrie moest verhuizen naar het Oosten en het Westen zou zich gaan specialiseren in het leveren van hoogwaardige diensten. De werkelijkheid is echter altijd anders dan de mooie theorie. Inderdaad, veel maakindustrie is in de afgelopen 10 à 20 jaar oostwaarts getrokken, maar het mooie vergezicht van het Westen als leverancier van hoogwaardige diensten is min of meer een fata morgana gebleken. De kenniseconomie is een illusie gebleken. De EU en de VS dreigen ook op dit vlak het initiatief aan de Opkomende Landen te moeten laten.

Een industriële renaissance
Al onder president Bush groeide in de VS het besef dat het land de economische oorlog met China wel eens kon verliezen. Vooral de afkalving van de industrie baarde Bush en de zijnen grote zorgen. In de VS ligt de bijdrage van de industrie aan het BNP iets boven 11% tegen ongeveer 50% in China. Die afkalving kan grote consequenties hebben voor de militaire geloofwaardigheid. Het zou zomaar kunnen dat de VS voor de productie van zijn wapentuig in toenemende mate afhankelijk zou worden van China. Dit was een nachtmerrie voor Bush en zijn adviseurs in het Pentagon. En dus is er ingezet op een revitalisering van de Amerikaanse maakindustrie. Maar ook dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Politici ondervonden dat de CEO’s van de multinationals weliswaar brave patriotten waren, maar desondanks niet geneigd bleken hun expansieplannen terug naar de VS te verleggen. Zulks zou ten koste gaan van het belang van de aandeelhouders en dat belang is heilig.
Echter het tij is aan het keren, als we The Boston Consulting Group (BCG)mogen geloven. In een recent rapport voorspelt BGC dat de Amerikaanse maakindustrie in de komende vijf jaar een ware renaissance gaat beleven. De basis van die wederopleving is de notie dat de VS een lage lonenland aan het worden is in vergelijking met veel andere, ook zogeheten opkomende landen. In China, bijvoorbeeld, stijgen de lonen de komende jaren naar verwachting met 15% tot 20% terwijl ook de yuan in waarde stijgt. De loonontwikkeling in de Amerikaanse industrie is al jaren zeer gematigd en houdt amper de inflatie bij. Zodoende wordt de kostenkloof tussen de VS en China steeds kleiner en omstreeks 2015 kan er sprake zijn van pariteit in kosten mede dankzij een superieure ontwikkeling van de productiviteit in de VS. En zelfs als er Chinees kostenvoordeel blijft bestaan, dan is dat voordeel eerder optisch dan werkelijkheid. BCG wijst erop, dat veel zogeheten ‘goedkope’ staten in de VS beschikken over goed opgeleide werknemers. De goedkopere delen van China zijn vooral goedkoop omdat er te weinig geschoolde arbeid voor handen is. Die goedopgeleide werknemers maken het mogelijk om producten met een hoge toegevoegde waarde in kleine aantallen te produceren met behulp van geavanceerde technologie. De geïnteresseerde mag denken aan huishoudelijke apparatuur of machinerie voor de bouw. Caterpillar is al doende om een deel van zijn productielijnen terug te brengen. Zoiets is niet mogelijk in grote delen van China, laat staan in landen als Vietnam of Indonesië. Voor de productie van bulkgoederen blijft China voorlopig the place te be, al was het maar omdat de Chinese markt onmetelijk groot blijft.

De maakindustrie in de EU
Is er in Europa een soortgelijke herwaardering van de industrie waarneembaar? Het antwoord is ondubbelzinnig ja met dank aan de Duitse Mittelstand. Duitsland is altijd blijven geloven in nut en noodzaak van een sterke nationale industrie. Voor het Duitse MKB was Standort Deutschland meer dan een marketing kreet. De Duitsers zijn blijven investeren in het verbeteren van concurrentiekracht op basis van kwaliteit. Dat wil weer niet zeggen dat de Duitse industrie immuun is gebleven voor de veranderende economische verhoudingen in de wereld. De recente exportsuccessen van Duitsland zijn te danken aan een aanpassingsproces dat ongeveer een decennium heeft geduurd en dat nog eens extra bemoeilijkt werd door de integratie van de voormalige DDR.
Maar zelfs in Nederland is er sprake van een herwaardering van de industrie. Het ING economisch bureau heeft recentelijk een themastudie gepubliceerd, My industry, 2030. De kern van de studie is dat het mogelijk moet zijn om de toegevoegde waarde van de Nederlandse maakindustrie te verdubbelen van EUR 23 miljard nu naar EUR 47 miljard in 2030. Maar dan moet er wel het juiste stimulerende beleid ingezet worden. Dat laatste is de zwakke stee in Nederland. Beleidsmakers en politici in Den Haag hebben nooit veel begrip gehad voor de wensen, verlangens, nut en noodzaak van de maakindustrie. Handel en dienstverlening, dat kennen ze van dichtbij, maar industrie is iets voor de periferie, voor de provincie. Nederland telt nog steeds toonaangevende bedrijven, zoals ASML, maar dat is eerder ondanks dan dankzij de ambtelijke bolwerken in Den Haag. Het veelbesproken Innovatieplatform is daar een mooi voorbeeld van: veel geblaat maar weinig wol.










De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.



Boston Consulting Group, Made in the USA, the return of US Manufacturing, mei 2011

vrijdag 20 mei 2011

Afstempelen en snel!

Afstempelen en snel!
Het ging er heet aan toe, afgelopen week bij Verantwoordingsdag. Geert Wilders verkondigde luid en duidelijk dat het maar afgelopen moest zijn met het sturen van miljarden euro’s richting Zuid-Europa. Volgens de regeringspartijen zou deze werkwijze desastreus uitpakken voor Nederland. Duizenden banen zouden hier verloren gaan, ouderen zouden hun pensioenen verliezen. Maar is dat wel zo? Gaan al die nare dingen gebeuren als het kredietwaardige noorden zou besluiten niet langer het kredietzoekende Zuiden (Griekenland en Portugal) met tientallen zo niet honderden miljarden te blijven steunen.

Moreel debat
Politieke debatten in Nederland worden al heel snel in morele termen gevoerd, ook al is het onderwerp puur financieel-economisch. Dat is enerzijds ergerniswekkend, maar anderzijds verhult een moreel debat dat politici zich eigenlijk geen raad weten met de situatie. Het werkelijke probleem is dat de huidige crisis in de eurozone alleen maar verliezers zal tellen. Welke oplossing Europa ook kiest, het zal heel veel geld gaan kosten. Eigenlijk kunnen we slechts kiezen tussen verschillende kwaden en dus proberen we een keuze te ontlopen. De fameuze Britse econoom omschreef deze houding onlangs in the Financial Times als volgt:

Een ter dood veroordeelde krijgt van de koning te horen dat hij kan blijven leven
als hij erin slaagt om een paard binnen een jaar te leren spreken. De veroordeelde stemt
ermee in. In een jaar tijd kan veel gebeuren. De koning kan sterven, de veroordeelde kan
sterven. Het paard kan leren spreken.

Dat is voor dit moment het Europese beleid. We proberen tijd te winnen in de hoop dat nieuwe en meer aantrekkelijke oplossingen zich aandienen.

Tussen twee kwaden
Welke oplossingen zijn er voor handen. De eerste is, dat Griekenland de eurozone verlaat en weer terug keert naar de drachme. Door die te laten devalueren kunnen de Grieken de omvang van de schuld laten krimpen. Die oplossing is inderdaad mooi maar wel te mooi om waar te zijn. De Griekse schuld is immers in euro’s genoteerd. Als de Grieken de eurozone verlaten zal de drachme snel in waarde kelderen en zal de schuld enorm toenemen. De kans dat Griekenland ooit terug betaalt zal eerder kleiner dan groter worden.
Griekenland kan dus beter Lid van de eurozone blijven. Maar wat dan? Het land moet hard gaan groeien om zo zijn schuldenlast te kunnen afbetalen. Gelet op de geschiedenis van dit land, is dat hoogst onwaarschijnlijk. Wolf schetst een mooi scenario om de onmogelijkheid van die oplossing te onderstrepen. Stel dat de Griekse economie de komende jaren met gemiddeld 4% nominaal zou groeien en stel dat Griekenland een rente van 6% op zijn schuldpapier zou moeten betalen in plaats van de huidige 15% à 16%, dan nog zou het land een overschot op zijn begroting van meer dan 3% moeten behalen om zelfs maar het schuldniveau te kunnen stabiliseren. Als de Grieken dan ook nog eens zouden gaan voldoen aan de Maastrichter norm, dat de staatsschuld niet groter mag zijn dan 60% van het Bruto Nationaal Product, dan moet het overschot uitkomen op 6% van het BNP. Hoe waarschijnlijk is dit scenario. Hoe waarschijnlijk is het dat beleggers tevreden zouden zijn met een vergoeding van 6% op Grieks schuldpapier? Dat is slechts 3% meer dan beleggers ontvangen van het o zo solide Duitsland.
Griekenland blijft voorlopig aangewezen op hulp van buitenaf, als afstempelen niet tot de serieuze mogelijkheden behoort. De voorwaarden voor financiële steun door bijvoorbeeld het IMF en the European Stability Mechanisme horen dan zodanig te zijn, dat de Grieken inderdaad aan een reële schuldreductie kunnen gaan denken. Dat is mogelijk, maar dat betekent slechts dat de ondersteuning nog decennia nodig is. Is dat een aantrekkelijk vergezicht? Amper. De Grieken zouden feitelijk hun onafhankelijkheid gaan verliezen en dat is nooit goed voor de onderlinge verhoudingen. Daarnaast is het nog maar de vraag of de niet-Europese leden van het IMF bereid zullen blijken jaar in jaar uit geld te sturen naar Griekenland. Dus moet Europa in zijn eentje de schuldenlast gaan financieren. Is het waarschijnlijk dat zulks gaat gebeuren.

Afstempelen
Wat is er eigenlijk tegen afstempelen van de schuld? In feite houden financiële markten daar al serieus rekening mee, gelet op de gevraagde rentevergoedingen. Het zal daarom niet verrassen of voor paniek zorgen. Eerder zal er sprake van opluchting zijn. Er is immers duidelijkheid. Een voordeel van een goed georganiseerde afstempeling is, dat de kredietwaardigheid van Griekenland weer groter wordt als er naast het afstempelen ook plannen op tafel liggen voor bijvoorbeeld economische hervormingen. Ook zouden banken binnen en buiten Griekenland gemobiliseerd worden hun steentje bij te dragen om dit proces van afstempeling goed te begeleiden.
Zijn alle problemen voorbij als Europa besluit af te stempelen? Nee, al was het maar dat de Griekse economie bijl lange na niet in staat is te concurreren met de rest van de wereld. Dus het is nog maar de vraag of de economie gaat groeien als de schuldenlast verdwenen is. Voor het land zou een lange periode van deflatie aanbreken. Japan is dan het voorbeeld van een langzaam verschrompelende economie.

Tenslotte
Welke keuze er ook gemaakt wordt, het gaat pijn doen. Of, misschien blijkt het paard ineens te kunnen spreken.

De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

Martin Wolf, the eurozone’s journey to defaults, Woensdag 11 mei 2011

maandag 16 mei 2011

Wat moet Microsoft met Skype?

Na ruim 18 maanden in de etalage te hebben gestaan heeft Skype een nieuw onderkomen gevonden. Het is niet Cisco of Facebook dat onderdak biedt aan dit online telefoonbedrijf, maar eigenlijk tot ieders verrassing is het Microsoft. Het bedrijf van Bill Gates heeft ruim USD 8,5 miljard neer geteld voor een bedrijf, dat een paar jaar geleden toenmalig eigenaar eBay dwong tot een afschrijving van USD 1,4 miljard. Trouwens Skype maakt nu nog steeds geen winst maakt.

Veel geld
Dat werpt al meteen de eerste vraag op: heeft Microsoft teveel betaald? Puur in munten gerekend waarschijnlijk wel, maar het is misschien een belangrijkere vraag waarom Microsoft bereid was zoveel neer te tellen. Het is onwaarschijnlijk dat concurrenten als Apple en Google bereid zouden geweest een dergelijk bedrag op te hoesten. Deze hebben al wat Microsoft niet heeft en wel een dominant mobiel platform. Microsoft heeft wel een mobiel platform maar dat spreekt amper to de verbeelding van consument en bedrijf. De combinatie met Skype moet hier verandering in brengen. Het nieuw te vormen platform moet met de inbreng van Skype de concurrentie aangaan met bijvoorbeeld de Blackberry of de Android. Als Microsoft hierin slaagt dan is $ 8,5 miljard beslist niet teveel. Voorwaarde is wel, dat ze dan niet dezelfde fout maken als eBay. Dat bedrijf slaagde er niet in Skype daadwerkelijk in zijn organisatie te integreren. Het bleef binnen eBay een onafhankelijk geheel. Kopers en verkopers die elkaar troffen via Skype hoefden helemaal geen gebruik te maken van eBay en daar was het uiteindelijk wel om begonnen.

Winstgevend
Zoals eerder gesteld, is het Skype, ondanks honderden miljoen gebruikers wereldwijd, nog nooit gelukt winstgevend te worden. In 2010 kwam het verlies uit op $ 7 miljoen. Welke mogelijkheden heeft Microsoft om zijn laatste overname winstgevend te maken? Er lijken goed en wel twee mogelijkheden. De eerste manier is om het kernbedrijf van Skype zo te vergroten - meer en intensiever gebruiken - dat het uiteindelijk op basis van volumes winstgevend wordt.
Er is echter een tweede en meer waarschijnlijke optie voor Microsoft. Skype als input voor de huidige (software)activiteiten. Als Microsoft erin slaagt Skype compleet te integreren in het huidige mobiele platform dan kan het zomaar zijn dat ze in een klap het beste systeem voor videoconferenties hebben. As ze er bovendien in slagen de Skypetechnologie te koppelen aan hun eigen instant messaging diensten dan zullen ook hier grote voordelen te behalen zijn ten opzichte van de concurrentie, bijvoorbeeld ten opzichte van Facebook. De laatste is centraal georganiseerd, terwijl Skype peer-to-peer is en het maakt weinig uit of er twee mobieltjes in gesprek zijn of drie of vijf. Het kan allemaal en dus heeft Microsoft dan een competitief voordeel op Facebook.
Het koppelen van Skypetechnologie en bestaande Microsoft technologie biedt mooie vergezichten voor de korte termijn. Wat te denken van de combinatie van skyping en tablettechnologie (iPad of liever gezegd M-pad) waarop powerpointing mogelijk is. Als Microsoft hierin zou slagen, dan zou voor de iPad de wet ven de remmende voorsprong gelden.
Er is helaas nog een derde mogelijkheid: de overname is een weinig doordachte God zegene de greep acquisitie geweest. Dan moet het financieel wel een ramp worden. Het klinkt niet waarschijnlijk maar het is nooit uitgesloten.

Sell in may…..

De eerste week van mei zit er weer zo goed als op en dus vraagt de bijgelovige belegger zich af of hij moet handelen volgens het aloude gezegde: sell in May and go away, but don’t forget to come back in september. Dat is overigens niet het originele spreekwoord. Dat luidt: sell in may and go away. Stay away till St Legers Day. St. Leger is paardenren in het midden van september.
De oprechte belegger of handelaar vindt dit type beurswijsheden maar onzin en velen zullen geneigd zijn hen daarin te volgen. Maar toch zit er meer waars in het gezegde dan men verwacht. Er zijn meerdere onderzoeken verricht waaruit naar voren komt, dat het inderdaad niet erg aantrekkelijk is om in de zomermaanden actief te zijn op de beurs. Zo heeft de econoom Ben Jacobson vast gesteld, dat de meiwijsheid vanaf 1964 opgaat voor de Britse aandelenmarkten.
Er valt nog meer te vertellen. Wie de moeite neemt om de Stock Market Almanac erop na te slaan, dar er in de periode 1950-2009 er maar liefst 36 jaren zijn, waarin de periode mei-oktober een positief resultaat leverde. Van die 36 jaren brachten 7 een double digit resultaat. Van de 23 jaren met een negatief resultaat over de mei-oktober periode waren er 11 met een double digit. De negatieve uitslagen vormen historisch gesproken een minderheide, maar de uitslagen naar beneden zijn wel forser.

Mei of november
Wat kan dit jaar roet in het eten gooien waardoor de zomermaanden een negatief resultaat zullen laten zien. De inflatie in China of een voortschrijdend verlies aan momentum in het herstel van de wereldeconomie. De PMI en ISM survey van de afgelopen week suggereren een lichte afkoeling. Op zich is dat geen reden voor ongerustheid, laat staan voor paniek. De stijging over de afgelopen maanden was zonder meer fors te noemen en daarmee ligt een afkoeling voor de hand. Een lichte afkoeling is misschien voldoende om de monetaire autoriteiten ervan te weerhouden te fors en te snel te gaan verkrappen.
Het is beter om goede in ogenschouw te nemen of de inflatie blijft omhoog kruipen evenals de inflatieverwachtingen. Mocht dit zo zijn, dan is een aanhoudende stijging van de PMI en ISM surveys een groter gevaar. Het zou bedrijven er zo maar toe kunnen aanzetten de prijzen te Gaan verhogen. In dit geval zouden beleidsmakers gemakkelijker kunnen beskluiten toch maar een verkrappend beleid te gaan voeren.
Misschien kunnen de prijzen voor commodities voor de meeste onrust gaan zorgen als hun stijging onverdroten verder gaat. Wellicht kunnen de Chinese PMI resultaten hier een eerste hint geven. De PMI uitkomsten over april suggereren enige afkoeling van economische activiteiten en van de importprijzen. Als dat een trend inzet, dan zal het met de ontwikkeling van de inflatie in China wel meevallen. Bovendien mag je dan een rem op ontwikkeling van de commodity prijzen verwachten en dat zal de inflatieangst in de rest van de wereld afremmen. Of zoiets gebeurt in mei of november is dan van secundair belang.

Olie en gas

De energiemarkt is wereldwijd volop in beweging in 2011. Slechts een enkeling zal deze bewering willen betwisten. Internationale energiemarkten zijn opgeschrikt door de nucleaire bijna ramp in Fukushima in Japan. De Arabische Lente heeft ervoor gezorgd dat er onrust bestaat of er al dan niet voldoende olie uit het Midden Oosten blijft stromen naar de rest van de wereld. Tot nu toe is dat het geval geweest. Sterker nog, OPEC landen hoeven nog steeds niet op volle kracht te produceren. Er is nog steeds reservecapaciteit. De forse prijsstijging met meer dan 20% is eerder het gevolg van onzekerheid hoe zaken in het Midden Oosten zich verder zullen ontwikkelen en speculatieve handel dan dat het een bewijs is van tekorten. Dat feit laat zich ook aflezen aan de waardering van bedrijven als Exxon en Shell. Daar is amper verandering in gekomen.

Stabiele markten
Een en ander leidt tot de conclusie dat ondanks het voortgaande rumoer in grote delen van de wereld de energiemarkten redelijk overeind zijn gebleven. Dat geldt eigenlijk ook voor de vooruitzichten voor de nucleaire industrie. Ondanks Japan is daar weinig verandering in gekomen, behalve in Duitsland. De regering Merkel heeft onder druk van slechte verkiezingsuitslagen een beleid in de steigers gezet dat moet uitmonden in een versnelde afbouw van de nucleaire energievoorziening. Plannen maken is echter een ding. Het beoogde beleid ten uitvoer brengen kan nog wel eens een veel grotere financiële krachttoer vereisen dan de Duitsers uiteindelijk lief zal zijn.
Voorlopig blijven olie en gas met een aandeel van 80% de energiemarkten domineren. Nucleaire energie volgt met 6% op grote afstand en de bijdrage van groende energie staat met 2% nog in d kinderschoenen. Dat aandeel zal slechts geleidelijk oplopen en in 2035 misschien 7% bedragen.

Shale gas
De langzame opmars hangt misschien ten dele samen met een recente ontwikkelingen in de gasmarkt die voor grote veranderingen op de energiemarkten kunnen zorgen. Het gaat om het zogenoemde shale gas dat gewonnen wordt uit gesteentes met behulp van nieuwe maar omstreden boortechnieken. Volgens milieuclubs richten de boringen grote milieuschade aan al was het maar door het gebruik van veel chemicaliën en enorme hoeveelheden water. Dat neemt niet weg dat energiemaatschappijen enorme bedragen investeren om Het shale gas uit de gesteentes te halen. Alleen al in de eerste helft van 2010 investeerden bedrijven $ 21 miljard in ‘shale gas’.
Dat doen ze niet voor niets, zo blijkt uit twee recente studies. Het Amerikaanse Energy Information Administration (EIA) heeft in zijn outlook 2011 de shale gasvoorraden in kaart gebracht in 32 landen. De uitkomsten kunnen van grote invloed zijn op de manier waarop de wereld de komende jaren tegen energie aankijkt. Op basis van de huidige stand van zaken groeit de bekende gasvoorraad in de wereld met maar liefst 40%. De VS kunnen zomaar van een importeur een exporteur worden. De Nederlandse overheid merkt nu al de gevolgen hiervan. De prijs van Nederlands gas komt onder druk omdat de exportmarkten kleiner worden. Een recente Europese studie onderstreept de uitkomsten van het Amerikaanse onderzoek . De geschatte Europese voorraden shale gas zijn zo groot, dat die voldoende is voor de komende 60 jaar.
Europese overheden zijn tor dusverre niet erg enthousiast. De Franse regering heeft zelfs en ban uitgesproken over de huidige technologie om shale gas te winnen. Die zou te milieubelastend zijn. Het is echter de vraag hoe lang Europa zijn verzet zal volhouden wanneer de VS en Azië overgaan tot grootschalige winningen terwijl prijzen voor energie uit het Midden Oosten hoog blijven en de politieke situatie aldaar instabiel. Het kan zelfs invloed hebben op de ontwikkeling van groene energie. Het winnen van shale gas kan zonder subsidies, groene energie heeft nog steeds veel subsidie en staatssteun nodig.

Het groene Duitsland
Met een beetje geluk wordt Duitsland in dat opzicht een proeftuin. Het land wil al zijn kernreactoren tussen 2020 en 2025 buiten dienst hebben. In de tussen tijd moet er fors geïnvesteerd worden in renewable energie. Dat klinkt idealistisch maar ook idealen kosten geld. Volgens de Duitse industrie stijgt de elektriciteitsrekening voor burger en bedrijf met maar liefst 30%. Volgens de Duitse politiek zal de consument amper iets merken. Zijn rekening gaat met slechts 1 cent per kilowattuur omhoog naar 0,24 cent. Wie heeft er gelijk? De verhoging met 0,01 cent lijkt vooral politiek wenselijk.
Los van het politieke debat is al wel duidelijk dat het geleidelijk afschaffen van kernenergie enorme investeringen gaat vragen voor aanpassingen in het energiebeleid. Volgens het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung (DIW) zullen bedrijven als REW en E.ON de komende 10 jaar EUR 20 miljard per jaar moeten investeren om het gat in de energievoorziening op te vullen. Daar blijft het niet bij. Veel kernreactoren liggen in het zuiden van Duitsland en de Duitse windenergie geschiedt aan de kust in Noord Duitsland. Er moet naar schatting 4000 km nieuwe elektriciteitsinfrastructuur aangelegd worden voor het transport van noord naar zuid. Voorlopige kosten van dit project belopen EUR 56 miljard.
Zal de Duitse burger en belastingbetaler bereid zijn de kosten voor dit project te dragen, als hij ziet dat de energierekening van zijn Poolse buurman veel lager uitvalt? Exxon en Chevron hebben vergevorderde plannen op grote schaal naar shale gas te gaan boren in Polen.

De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

Bronnen:

Energy Information Administration, Annual Energy Outlook, 2011 with projections to 2035. April 2011 European Centre for Energy and Resource Security, STRATEGIC PERSPECTIVES OF UNCONVENTIONAL GAS: A GAME CHANGER WITH IMPLICATIONS FOR THE EU’S ENERGY SECURITY. Mei 2011

donderdag 12 mei 2011

Wat moet Microsoft met Skype?

Na ruim 18 maanden in de etalage te hebben gestaan heeft Skype een nieuw onderkomen gevonden. Het is niet Cisco of Facebook dat onderdak biedt aan dit online telefoonbedrijf, maar eigenlijk tot ieders verrassing is het Microsoft. Het bedrijf van Bill Gates heeft ruim USD 8,5 miljard neer geteld voor een bedrijf, dat een paar jaar geleden toenmalig eigenaar eBay dwong tot een afschrijving van USD 1,4 miljard. Trouwens Skype maakt nu nog steeds geen winst maakt.

Veel geld
Dat werpt al meteen de eerste vraag op: heeft Microsoft teveel betaald? Puur in munten gerekend waarschijnlijk wel, maar het is misschien een belangrijkere vraag waarom Microsoft bereid was zoveel neer te tellen. Het is onwaarschijnlijk dat concurrenten als Apple en Google bereid zouden geweest een dergelijk bedrag op te hoesten. Deze hebben al wat Microsoft niet heeft en wel een dominant mobiel platform. Microsoft heeft wel een mobiel platform maar dat spreekt amper to de verbeelding van consument en bedrijf. De combinatie met Skype moet hier verandering in brengen. Het nieuw te vormen platform moet met de inbreng van Skype de concurrentie aangaan met bijvoorbeeld de Blackberry of de Android. Als Microsoft hierin slaagt dan is $ 8,5 miljard beslist niet teveel. Voorwaarde is wel, dat ze dan niet dezelfde fout maken als eBay. Dat bedrijf slaagde er niet in Skype daadwerkelijk in zijn organisatie te integreren. Het bleef binnen eBay een onafhankelijk geheel. Kopers en verkopers die elkaar troffen via Skype hoefden helemaal geen gebruik te maken van eBay en daar was het uiteindelijk wel om begonnen.

Winstgevend
Zoals eerder gesteld, is het Skype, ondanks honderden miljoen gebruikers wereldwijd, nog nooit gelukt winstgevend te worden. In 2010 kwam het verlies uit op $ 7 miljoen. Welke mogelijkheden heeft Microsoft om zijn laatste overname winstgevend te maken? Er lijken goed en wel twee mogelijkheden. De eerste manier is om het kernbedrijf van Skype zo te vergroten - meer en intensiever gebruiken - dat het uiteindelijk op basis van volumes winstgevend wordt.
Er is echter een tweede en meer waarschijnlijke optie voor Microsoft. Skype als input voor de huidige (software)activiteiten. Als Microsoft erin slaagt Skype compleet te integreren in het huidige mobiele platform dan kan het zomaar zijn dat ze in een klap het beste systeem voor videoconferenties hebben. As ze er bovendien in slagen de Skypetechnologie te koppelen aan hun eigen instant messaging diensten dan zullen ook hier grote voordelen te behalen zijn ten opzichte van de concurrentie, bijvoorbeeld ten opzichte van Facebook. De laatste is centraal georganiseerd, terwijl Skype peer-to-peer is en het maakt weinig uit of er twee mobieltjes in gesprek zijn of drie of vijf. Het kan allemaal en dus heeft Microsoft dan een competitief voordeel op Facebook.
Het koppelen van Skypetechnologie en bestaande Microsoft technologie biedt mooie vergezichten voor de korte termijn. Wat te denken van de combinatie van skyping en tablettechnologie (iPad of liever gezegd M-pad) waarop powerpointing mogelijk is. Als Microsoft hierin zou slagen, dan zou voor de iPad de wet ven de remmende voorsprong gelden.
Er is helaas nog een derde mogelijkheid: de overname is een weinig doordachte God zegene de greep acquisitie geweest. Dan moet het financieel wel een ramp worden. Het klinkt niet waarschijnlijk maar het is nooit uitgesloten.

dinsdag 10 mei 2011

Europa et le defi Chinois




Het was 1967 toen de Franse ingenieur Jean-Jacques Servan-Schreiber zijn geruchtmakend boek/pamflet Le defi Americain publiceerde. In dit boek waarschuwde hij Europa dat dit werelddeel op het punt stond de economische oorlog met de Verenigde Staten te verliezen. Nu, bijna 35 jaar, later ziet de wereld er heel anders uit. Het Westen (VS en Europa) zijn in een economische worsteling verwikkeld met de zogeheten Opkomende Markten onder leiding van China. Volgens velen gaat deze strijd om niets meer of minder dan de economische dominantie in deze eeuw. Blijft het Westen domineren of neemt China opnieuw de plaats in die het tot in de 19de eeuw bekleedde en wel de eerste plaats?

Winnaars en verliezers
Wie spreekt in termen van strijd heeft het al snel over winnaars en verliezers. Kunnen we anno 2011 hier al over spreken? Dat lijkt nog wat voorbarig . Europa geniet wel degelijk grote voordelen van de opkomst van China. Het is uiteraard de exportsector die als eerste profiteert. Een cijfer maakt dat duidelijk. Tussen 1995 en 2010 groeide de Europese export naar China met maar liefst 450%. Die onstuimige groei ging hand in hand met de stijging van 460% van de binnenlandse vraag. Er is echter nog een keerzijde aan dit succesverhaal. De Chinese export naar Europa groeide in diezelfde periode nog veel harder (zie onder).


Het gaat echter weer veel te ver om van winaars en verliezers te praten. Goed, er was een Europees tekort, een verliespost. Maar er waren ook Europese winnaars en wel de consument. Dankzij de goedkope Chinese importen zag hij zijn koopkracht en zijn welvaart toenemen.

Le defi Chinois
Een tekort op de handelsbalans is niet prettig, maar om dat een defi Chinois te noemen gaat te ver. Wanneer gaat China Europa werkelijk uitdagen? Dat gebeurt op het moment dat het patroon in de Chinese exporten gaat veranderen. Op dit moment bestaat het leeuwendeel uit goederen met een lage toegevoegde waarde zoals schoenen en halffabricaten. Dat is een logisch gevolg van het Chinese streven ten volle te profiteren van de overvloedige goedkope, maar laaggeschoolde arbeid. Als het om producten of diensten gaat met een hoge toegevoegde waarde, dan heeft China een tekort met Europa. De relevante vraag is of de Chinese exportsector aan het stijgen is op de zogeheten waardeketen (value chain). Het antwoord moet bevestigend zijn. Hoewel het huidige exportpatroon niet erg afwijkt van dit van 10 of 15 jaar geleden, is het duidelijk dat China zijn achterstand op bepaalde terreinen aan het inlopen is. Onderstaande grafiek is daar een voorbeeld van.


De voor de hand liggende conclusie is dat Europa op elk denkbaar terrein Chinese concurrentie zal ondervinden. Is dat reden voor paniek of moedeloosheid? Geenszins!
De Japanse invasie in de periode 1950-1980 mag hier tot voorbeeld strekken. De opmars van de Japanse auto dwong de Europese fabrikant zijn businessmodel kritisch onder de loep te nemen. Dat mondde bijvoorbeeld uit in het succesvol verlagen van de kosten en de creatie van nieuwe winnaars. Uiteindelijk is Europa erin geslaagd de Japanse uitdaging met succes het hoofd te bieden. De geschiedenis lijkt zich nu weer te gaan herhalen. Europees internationaal werkende bedrijven hebben al productiefaciliteiten geopend in de Opkomende Markten, om zo dezelfde kostenvoordelen te behalen als de concurrent. Het huidige succes van de Duitse Kapitaalgoederenindustrie bewijst, dat voortdurende innovatie en zoeken van niches met een hoge marge, een meer dan adequaat antwoord kunnen vormen op het groeiende Chinese concurrentievermogen.
Maar dat is niet het enige. Recente ontwikkelingen in de VS onderstrepen het Duitse voorbeeld. Uit een jonge studie van de Boston Consulting Group blijkt dat de industrie in de VS een krachtig herstel doormaakt. Een belangrijke oorzaak, maar niet de enige, voor het hernieuwde industriële elan is te vinden in China zelf. Daar stijgen de lonen in de industrie harder dan de groei van de productiviteit. Dat maakt China minder aantrekkelijk als vestigingsplaats. Wat zowel voor de VS als voor Europa geldt, is dat er minder en minder ruimte zal zijn voor bulkproductie. Die boodschap gold echter ook al een halve eeuw geleden, toen het Westen zuchtte onder de Japanse economische knoet.



Noten:

1. Goldman Sachs, China’s growing global role: opportunity and challenge for the European industrial sector. Mei, 2011
2. Boston Consulting Group, The innovation imperative in manufacturing. How the United States can restore its edge. April 2011




De vraag die nog op een antwoord wacht, is hoe de geavanceerde Chinese concurrentie er daadwerkelijk gaat uitzien in de komende decennia. Schuilt er bovendien een zekere onvermijdelijkheid in de Chinese opmars? Beide vragen laten zich moeilijk eenduidig beantwoorden.
Bij Goldman Sachs Hebben ze een poging gedaan een tijdsbalk te ontwikkelen om de groeiende concurrentie in beeld te brengen. (zie Tabel 1, volgende pagina).

Europa et le defi Chinois

Europa et le defi Chinois
Het was 1967 toen de Franse ingenieur Jean-Jacques Servan-Schreiber zijn geruchtmakend boek/pamflet Le defi Americain publiceerde. In dit boek waarschuwde hij Europa dat dit werelddeel op het punt stond de economische oorlog met de Verenigde Staten te verliezen. Nu, bijna 35 jaar later ziet de wereld er heel anders uit. Het Westen (VS en Europa) zijn in een economische worsteling verwikkeld met de zogeheten Opkomende Markten onder leiding van China. Volgens velen gaat deze strijd om niets minder dan de economische dominantie in deze eeuw. Blijft het Westen domineren of neemt China opnieuw de plaats in die het tot in de 19de eeuw bekleedde en wel de eerste plaats.

Winnaars en verliezers
Wie spreekt in termen van strijd heeft het al snel over winnaars en verliezers. Kunnen we anno 2011 hier al over spreken. Dat lijkt nog wat voorbarig . Europa geniet wel degelijk grote voordelen van de opkomst van China. Het is uiteraard de exportsector die als eerste profiteert. Een cijfer maakt dat duidelijk. Tussen 1995 en 2010 groeide de Europese export naar China met maar liefst 450%. Die onstuimige groei ging hand in hand met de stijging van 460% van de binnenlandse vraag. Er is echter nog een keerzijde aan dit succesverhaal. De Chinese export naar Europa groeide in diezelfde periode nog veel harder (zie onder).


Het gaat echter weer veel te ver om van winaars en verliezers te praten. Goed, er was een Europees tekort, een verliespost. Maar er waren ook Europese winnaars en wel de consument. Dankzij de goedkope Chinese importen zag hij zijn koopkracht en zijn welvaart toenemen.

Le defi Chinois
Een tekort op de handelsbalans is niet prettig, maar om dat een defi Chinois te noemen gaat te ver. Wanneer gaat China met Europa werkelijk uitdagen? Dat gebeurt op het moment dat het patroon in de Chinese exporten gaat veranderen. Op dit moment bestaat het leeuwendeel uit goederen met een lage toegevoegde waarde zoals schoenen en halffabricaten. Dat is een logisch gevolg van het Chinese streven ten volle te profiteren van de overvloedige goedkope, maar laaggeschoolde arbeid. Als het om producten of diensten gaat met een hoge toegevoegde waarde, dan heeft China een tekort met Europa. De relevante vraag is of de Chinese exportsector aan het stijgen op de zogeheten waardeketen (value chain). Het antwoord moet bevestigend zijn. Hoewel het huidige exportpatroon niet erg afwijkt van dit van 10 of 15 jaar geleden, is het duidelijk dat China zijn achterstand op bepaalde terreinen aan het inlopen is. Onderstaande grafiek is daar een voorbeeld van.

De vraag die nog om een antwoord vraagt is hoe de geavanceerde Chinese concurrentie er daadwerkelijk gaat uitzien in de komende decennia. Schuilt er een zekere onvermijdelijkheid in de Chinese opmars. Beide vragen laten zich moeilijk eenduidig beantwoorden.
Bij Goldman Sachs Hebben ze een poging gedaan een tijdsbalk te ontwikkelen om de groeiende concurrentie in beeld te brengen. (zie Tabel 1, volgende pagina).

De voor de hand liggende conclusie is dat Europa op elk denkbaar terrein Chinese concurrentie zal ondervinden. Is dat reden voor paniek of moedeloosheid? Geenszins!
Het Japanse voorbeeld mag hier tot voorbeeld strekken. De opmars van de Japanse auto dwong de Europese fabrikant zijn businessmodel kritisch onder de loep te nemen. Dat mondde bijvoorbeeld uit in het succesvol verlagen van de kosten en het scheppen van nieuwe winnaars. Uiteindelijk is Europa erin geslaagd de Japanse uitdaging met succes het hoofd te bieden. De geschiedenis lijkt zich nu weer te gaan herhalen. Internationaal werkende bedrijven hebben al Productiefaciliteiten geopend in de Opkomende Markten om zo gelijke kostenvoordelen te behalen als de concurrent. Het huidige succes van de Duitse Kapitaalgoederenindustrie bewijst dat voortdurende innovatie en het zoeken van niches met een hoge marge een meer dan adequaat antwoord kunnen vormen op het groeiende Chinese concurrentievermogen.

Maar dat is niet het enige. Recente ontwikkelingen in de VS onderstrepen het Duitse voorbeeld. Uit een recente studie van de Boston Consulting Group blijkt dat de industrie in de VS een krachtig herstel doormaakt. Een belangrijke oorzaak, maar niet de enige, voor het hernieuwde industriële elan is te vinden in China zelf. Daar stijgen de lonen in de industrie harder dan de groei van de productiviteit. Dat maakt China minder aantrekkelijk als vestigingsplaats. Wat zowel voor de VS als voor Europa geldt, is dat er minder en minder ruimte zal zijn voor bulkproductie. Die boodschap gold echter ook al een halve eeuw geleden, toen het Westen zuchtte onder de Japanse economische knoet.







Noten:

Goldman Sachs, China’s growing global role: opportunity and challenge for the European industrial sector. Mei, 2011
2 Boston Consulting Group, The innovation imperative in manufacturing. How the United States can restore its edge. April 2011

zondag 1 mei 2011

De wereld is ondergedompeld in een zee van schuld

Het gaat redelijk goed met de wereldeconomie. Het zwaartepunt van de groei ligt in het Oosten, maar geleidelijk aan wint het herstel in de VS aan kracht. De bedrijven laten opnieuw een beter dan verwachte omzet- en winstgroei zien en eindelijk begint de werkloosheid te dalen. Ook Europa laat weer groei zien, maar hier wordt de groei nog voornamelijk gegenereerd door Duitsland. Landen als Nederland, België en Polen liften mee op het Duitse succes.

Schulden, schulden en stijgende prijzen
Is daarmee alles weer zoals het was voordat het huis Lehman viel? Zijn rust en stabiliteit weer terug? Nee, zegt het IMF, in een recent rapport, beslist niet . Er is nog veel wat te wensen overlaat en het gevaar voor een nieuwe crisis loert wereldwijd. Natuurlijk gaat het geleidelijk beter, zo concludeert het rapport, maar er is nog weinig reden tot tevredenheid, laat staan zelfgenoegzaamheid. De ontwikkelde landen kampen nog steeds met enorme tekorten en zeker in de VS staat het monetair beleid nog steeds in het teken van Quantative Easing. In Europa gaat het maar zo zo met de financiële sector en veel banken zitten nog in de gevarenzone. Een van consequenties daarvan is weer, dat de kredietverlening te wensen over laat en dat smoort potentiële snellere groei. Daarnaast zit de consument in de VS en in het Verenigd Koninkrijk nog tot over de oren in de schuld. Het zal verder weinigen nog verrassen als landen als Portugal en Griekenland een streep zetten door hun buitenlandse schuld met als gevolg dat een aantal banken kopje onder gaan (ING?!).
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, kampen de Opkomende Landen met hun eigen problemen. De kern van de problemen is een uit de hand gelopen kredietverlening en oververhitting van de economie. Te denken valt aan landen als Argentinië, Brazilië, India en Indonesië. Volgens het IMF gaat het in deze landen snel de verkeerde kant op met de inflatie. Die stijgt schijnbaar onstuitbaar. En dan is er nog het gevaar van een onroerend goedbubbel. Een groot deel van de explosieve kredietgroei in landen als Turkije gaat richting de vastgoedsector.
Tenslotte ondervindt de wereld de negatieve gevolgen van de sterk stijgende prijzen voor commodities. Die prijzen gaan omhoog door een onzalige combinatie van politieke onrust in het Midden Oosten, de niet te stillen honger van een land als China en gelijktijdige misoogsten in meerdere voedselproducerende landen. Die stijgende prijzen wakkeren de inflatie nog verder aan in de Opkomende Landen en vergroten het risico op stagflatie in Europa en de VS.


Remedies
Als een probleem groot is, dan is de remedie meestal niet erg aantrekkelijk. Een forse wereldwijde renteverhoging is nodig om de stijging van de prijzen voor commodities de kop in te drukken. Maar een forse renteverhoging tast niet alleen het prijsniveau aan, maar ook de koopkracht van de consument. Een ander aspect is de druk op wisselkoersen van een aantal Opkomende Landen. Wereldwijde renteverhogingen zullen de druk om de wisselkoersen aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid alleen maar vergroten. Een land als China voelt daar vooralsnog weinig voor en slaagt er bovendien prima in om de wisselkoersen goed te managen. Weer andere landen zijn bang het slachtoffer te worden van het monetaire beleid van de VS als ze hun wisselkoersen aanpassen en zo tekorten gaan opbouwen. Dat gevaar is alleen maar te bestrijden door intensieve controle uit te oefenen op de kapitaalstromen, maar of open economieën hiertoe in staat zijn, is maar zeer de vraag.
Een laatste remedie voor een mogelijk stilvallen van de economische groei is dat van een rebalancing van de vraag. De Opkomende Landen zouden een deel van de weggevallen vraag in de ontwikkelde landen kunnen compenseren door meer te importeren. Het IMF stelt echter vast dat dit proces al dreigt te sterven voor het goed en wel op gang is gekomen. Bovendien wordt een onevenredig deel van het aanpassingsproces in de vraag gedragen door landen die dat eigenlijk niet moeten doen. Die hebben vaak geen of weinig overschotten. Dit is het paard achter de wagen spannen.
Kortom, de wereldeconomie is aan de beterende hand. Maar hier geld toch, dat één zwaluw beslist nog geen zomer maakt. Laten we echter wel hopen dat het dit jaar nog gaat zomeren.




IMF, Global Financial Stability Report, April 2011