dinsdag 26 oktober 2010

Vakmanschap is meesterschap

Een van de wezenlijke kenmerken van de vroege 21ste eeuw is de komeetachtige opkomst van Azië als een nieuw centrum van economische macht. De schijnbaar onstuitbare opmars van dat werelddeel is voor de US Council on Competitiveness aanleiding geweest om een Global Manufacturing Competitiveness Index te laten samen stellen. Bij the Council leeft de overtuiging dat industrie en industriële activiteiten van levensbelang zijn om investeringen aan te trekken, om te innoveren en om hoogwaardige banen te scheppen. De industrie fungeert derhalve als een vliegwiel, dat economische groei aanjaagt en daarmee dé bron is voor welvaart en welzijn. Industriële activiteiten omspannen in de 21ste eeuw meer dan het louter produceren van goederen. Het draait om ideeën, kennis, producten en diensten. Het mag dan ook geen wonder heten dat niet langer industriële sectoren uit verschillende landen met elkaar concurreren, maar dat meer en meer landen gaan concurreren. Het bezit van een dynamische industriële sector is een nationale prioriteit geworden. Zonder industrie geen bloeiende dienstensector is een uitkomst voor overheden om rekening mee te houden

Winnaars en verliezers
Zoals bij alle onderzoeken bevat ook dit onderzoek een lijstje van voorwaarden waar landen aan moeten voldoen om mee te kunnen in de industriële vaart der volkeren. De meeste voorwaarden zijn al wel bekend, maar het kan geen kwaad om de belangrijkste nog eens op te sommen. De belangrijkste voorwaarde is volgens de deelnemers aan het onderzoek het voorhanden zijn van voldoende talent. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Nederland telt weliswaar veel hoogopgeleiden, maar er is een schreeuwend tekort aan hoogopgeleide technici en ingenieurs. Bovendien wordt allengs duidelijker dat de kwaliteit van bijvoorbeeld het HBO onderwijs in Nederland zorgwekkend genoemd mag worden. En dan is er natuurlijk het kostenaspect. Dat strekt verder dan de kosten voor arbeid, grondstoffen en energie. Minstens zo belangrijk zijn zaken als wetgeving, belastingklimaat, milieu en gezondheidszorg. Landen met de laagste kosten houden een streepje voor bij ondernemers, maar dan moet het innovatieve klimaat in een land ook in orde zijn. Lage kosten alleen zijn echt niet voldoende meer. Dat heeft alles te maken met de gewijzigde opvatting over wat industrie is, waar het voor staat. Hierboven hebben we gesproken over industrie als vliegwiel, als aanjager van allerhande activiteiten. De opstellers van het rapport spreken dan ook niet louter over industrie, maar over een postindustrieel ecosysteem. Een industriële activiteit is geen op zichzelf staande activiteit maar past in een groter geheel. Het is het samenspel van bedrijven, toeleveranciers, kennisinstituten en overheden.

De rol van de overheid
Het zal weinigen verrassen dat het onderzoek concludeert dat de industriële hegemonie langzaam aan het verhuizen is naar Azië. De dominante machten in de 21ste eeuw zullen China, India maar ook Zuid-Korea zijn. Tot nu toe onderscheiden ze zich van landen als bijvoorbeeld Mexico, maar ook van bijvoorbeeld Rusland en Brazilië. De winnaars zijn in eerste instantie op basis van loonkosten de strijd aangegaan om een industriële basis te vestigen. Ze hebben echter al heel snel begrepen, dat op basis van kosten alleen het spel niet te winnen is. Al heel snel zijn ze daarom gaan investeren in mensen en middelen om in de industriële waardeketen te stijgen. Anno 2010 hebben deze landen nog steeds een gematigde kostenstructuur, terwijl ze in de waardeketen naar de technologische top zijn opgeschoven.
Er is nog een aandachtspunt waar de winnaars van de 21ste eeuw zich onderscheiden van de grootmachten van de 20ste eeuw. We doelen hier op de rol van de overheid. In de visie van de 20ste eeuw moest de overheid zich onthouden van actieve bemoeienis. Bedrijven en sectoren concurreerden op de internationale markten. Overheden mochten hooguit op de achtergrond een ondersteunende rol spelen. De winnaars van vandaag kenmerken zich door een overheid, die actief en sturend optreedt. Hier en daar valt de term commando-economie te beluisteren. Dat klinkt negatief maar dat ontslaat Westerse overheden en beleidsmakers niet van de verplichting goed te kijken naar wat in Azië aan nieuwe opvattingen leeft. Voor zelfgenoegzaamheid is weinig reden meer.

Dalers
De winnaars van gisteren zijn de verliezers van vandaag. Dat is bijna een wetmatigheid. De verliezers van vandaag zijn de VS en de West-Europese landen. In de top 10 van competitief vermogen staat de VS op de vierde plaats en is Duitsland met een achtste plaats Het enige land uit het oude Europa dat in de top tien te vinden is, heet Duitsland. Zonder meer opvallend is de tiende plaats van Polen. Dit land heeft volgens de onderzoekers veel mogelijkheden om tot de winnaars van morgen te behoren. Voor de meeste Westerse landen voorziet het onderzoek een geleidelijk afglijden. Nederland staat nu zestiende maar zal deze positie onder de huidige omstandigheden zeker niet kunnen behouden, laat staan een plaatsje stijgen.
De wellicht meest tragische conclusie van het onderzoek is wel, dat het allengs verminderen van het concurrerend vermogen te wijten is aan state of the art opvattingen over verstandig beleid. Het gaat hier om het proces van outsourcen van industriële productie naar lage lonen landen. Het overplaatsten van de productie blijkt in de praktijk onherstelbare schade toe te brengen aan de waardeketen: research-design-productie-after sales. Door de productie weg te snijden uit de keten raken synergetische processen hopeloos verstoord. Te veel vormen van kennis, kunde en vaardigheden gaan verloren met het wegsijpelen van industriële activiteiten. De VS vormen hier een mooi en afschrikwekkend voorbeeld van. Is de productie eenmaal verdwenen, dan is het wachten op het vertrek van andere hoogwaardige activiteiten zoals research. In het afgelopen jaar heeft het hightech bedrijf Applied Materials zijn research naar China overgebracht. Het bleek in de praktijk beter om research en productie te koppelen. Volgens het blad Manufacturing and Technology News moeten de VS steeds meer hoogwaardige spullen als IT-technologie en vliegtuigmotoren importeren uit landen als China en Brazilië, terwijl het meer en meer laagwaardige spullen als papier en zaadolie exporteert.
Gaat het in Nederland beter? Niet als we kijken naar de exportstatistieken. Het aandeel van in Nederland geproduceerde industriële producten daal sinds jaar en dag. Als we al producten exporteren dan gaat het in zeven van de tien gevallen om wederexport ofwel doorvoer.

Wat resteert
Het rapport is een groot pleidooi voor het herstel van de industriële kracht in de VS en West Europa. Dat is volgens de onderzoekers noodzakelijk om op termijn welvaart en welzijn te garanderen. Zonder een gezonde industriële basis is er geen bloeiende diensteneconomie mogelijk en ook geen kenniseconomie. Het rapport pleit voor herindustrialisering, maar constateert tevens dat door het outsourcingproces van de laatste jaren er tegelijkertijd heel veel kennis is verloren gegaan. Werknemers zijn ontslagen en hebben hun kennis meegenomen, maar houden die meestentijds niet op peil.
Is dan alles hopeloos en reddeloos? Nee, natuurlijk niet. Ondanks de neergang blijven de VS en West Europa relatief industriële zwaargewichten. Willen ze werkelijk herindustrialiseren, dan biedt de groene economie kansen. Die staat immers nog in de kinderschoenen en zodoende is er nog een ‘level playing field’.



Deloitte, 2010 Global Manufacturing Competitiveness Index. June 2010

vrijdag 15 oktober 2010

Dit keer is het anders

Volgens ingewijden zou het zomaar kunnen dat de Duitse economie over het jaar 2010 een groei laat zien van 3%. Dat is bijna het dubbele van eerdere prognoses. Een groei van 1,5% leek maximaal haalbaar. De Duitse voorspoed is vooral te danken aan de export van hoogwaardige kapitaalgoederen naar de Opkomende Markten. Dit exportsucces heeft Duitsland weer tot de locomotief gemaakt van Europa, dat nu met meer vertrouwen naar de nabije toekomst durft te kijken. Wie waagt nog te beweren, dat industrie niet meer van belang is voor de westerse economieën?!

De VS blijven verkouden
Wat het Duitse succes zo bijzonder maakt is dat het indruist tegen de overheersende logica. Het kan in Europa alleen maar goed gaan als het de VS economisch voor de wind gaan en daar is momenteel allerminst sprake van. Sterker nog, in de VS blijven de zorgen over een mogelijke double dip prominent. De centrale bank van de VS, de FED overweegt om nogmaals enkele honderden miljarden dollars in de economie te injecteren om een serieuze terugval te voorkomen. Dat beleid staat in schril contrast met het voorgenomen beleid in Europa, waar het accent op bezuinigen ligt. De Europeanen zijn van mening dat de bezuinigingen weliswaar de groei enigszins zullen afremmen, maar niet noemenswaardig.
Het ziet er naar uit, dat het in deze economische cyclus anders is. Weliswaar niezen de VS, maar Europa en de rest van de wereld lijken minder bevattelijk voor een verkoudheid.

Typische problemen
Het minder bevattelijk zijn wil weer niet zeggen, dat Europa en de Opkomende Markten immuun zijn voor de economische teruggang in de VS. Van een werkelijke economische ontkoppeling is geen sprake. Heel de wereld zal last hebben van een double dip in de VS, maar niet zoveel. De VS hebben te kampen met een reeks problemen, die niet een op een te vertalen zijn naar Europa, en nog minder naar de Opkomende Markten.
Er zijn drie terreinen aan te wijzen waarop de problemen in de VS uniek voor het land zijn of van veel grotere omvang dan elders en die direct van invloed zijn op de economische ontwikkeling.
Het eerste en misschien wel het grootste probleem is dat van de zwakke huizenmarkt. Die laat maar geen tekenen van stabilisatie, laat staan van verbetering zien. Dat tast het vertrouwen en de bestedingskracht van de Amerikaanse consument aan. Die consument zit sowieso op zijn handen, omdat hij druk doende is zijn schulden naar een aanvaardbaar niveau terug te brengen. In de EU kennen landen als Spanje en Ierland ook een zwakke huizenmarkt, maar die landen zijn eerder uitzonderingen. In de meeste Opkomende Markten speelt het huizenprobleem niet of nauwelijks.
Een tweede probleem is, dat van het positief effect van het herstel van de voorraden weinig meer over is. Dat herstel was stormachtig, maar was ook in enkele maanden voltooid. Ook in dit opzicht staan de ontwikkelingen in de VS in meerdere of mindere mate los van de rest van de wereld, uitzonderingen daar gelaten zoals Australië en Noorwegen. In die landen laat de voorraadcyclus een bijna identiek beeld zien als in de VS. Niet alleen het effect van de voorraadcyclus is uitgewerkt, maar ook dat van de stimuleringsmaatregelen van de FED. In de eerste helft van 2010 droegen stimuleringsmaatregelen naar schatting 1% punt bij aan de economische groei. Nu de effecten weggeëbd zijn, slaat het positief effect ervan om in een negatief van ongeveer 1,5% punt in de eerste helft van komend jaar . De FED probeert dit negatieve effect tegen te gaan door een hernieuwde stimuleringsronde ter waarde van misschien wel USD 500 miljard. Het is echter twijfelachtig of de maatregelen het gewenste effect zullen hebben. De rente is al bijna nul. Zal het bedrijfsleven of de consument meer gaan lenen als de rente helemaal 0% is? Ervaringen in Japan wijzen in een andere richting. Daar komt nog bij, dat de openstaande rekening in de VS in snel tempo groter wordt. Het heeft er de schijn van dat de FED stimuleert om te voorkomen dat de VS wegzakken in een deflatoire omgeving. Japan geldt hier opnieuw als onheilspellend voorbeeld. Deflatie werkt op den duur maatschappij ontwrichtend

Tenslotte
Welbeschouwd hebben de VS op korte termijn weinig middelen om de economie uit het moeras te trekken. Het beleid blijft echter gericht op verder stimulering, ook al zullen de positieve effecten minimaal zijn. De handen van Europa en zeker van de Opkomende Markten zijn beleidsmatig veel minder gebonden. Er is in veel landen de mogelijkheid om meer of minder te bezuinigen om de groei niet teveel geweld aan te doen. Europa moet wel serieus rekening houden met een ongunstige ontwikkeling van de dollar-euroverhouding. Als Europa verstandig bezuinigt, dan zijn de vooruitzichten op de middellange termijn beter dan die voor de VS. Want, zoals eerder opgemerkt wordt daar de openstaande rekening voorlopig alleen maar groter.
De Opkomende Markten zijn op dit moment vergelijkenderwijs de beste plaatsen om te vertoeven.
De wereld van gisteren bestaat niet meer en de wereld van morgen is nog onbekend. De wereld van vandaag is een overgangswereld met alle onduidelijkheden en onzekerheden van dien. Alles wat vandaag als waar en waarschijnlijk geldt, kan morgen gelogenstraft worden.

Goldman Sachs Global Economics, If the US sneezes…., pag. 5. September 2010

vrijdag 8 oktober 2010

Het tekort van de demografie

Veel mensen voelen bijna intuïtief aan wat de life-cycle theorie inhoudt. Het uitgaven- en consumptiepatroon van de doorsnee burger wordt grotendeels bepaald door zijn levensfase. Iemand die aan het begin van zijn carrière staat en bovendien doende is een gezin te stichten, spaart weinig maar bouwt eerder schulden op. Als hij/zij gesetteld raakt, dan begint het sparen. Stopt de burger met werken dan begint geleidelijk het definitieve ontsparen. De demografische opbouw van een land is zodoende medebepalend voor het feit of een bevolking al dan niet veel oppot of schulden maakt. In het eerste geval kan een land een overschot opbouwen in het tweede geval gebeurt het tegenovergestelde.

Bij GoldmanSachs hebben ze nu bedacht dat een demografisch profiel van een land van invloed kan zijn, niet alleen op de besparingen van een land maar ook op de internationale kapitaalstromen. Overschotlanden lenen immers uit aan tekortlanden.

Demografisch profiel
Een verandering in het demografisch profiel is van invloed op het niveau van economische groei, op het niveau van besparingen en op de omvang van de overschotten, zo denken ze bij Goldman. Doorslaggevend in dezen is de omvang van de leeftijdsklasse 35 – 69 jaar. Deze groep spaart meer dan zij besteedt. Hoe meer mensen sparen hoe groter de netto besparingen en derhalve hoe groter de mogelijke kapitaalsstromen. De uitkomsten kunnen van land tot land verschillen, afhankelijk van het demografisch profiel. Het demografisch profiel kan dus ook een zekere voorspellende waarde hebben. Het maakt aannemelijk of een land op termijn een netto-spaarder wordt of blijft of zich ontwikkelt tot een tekortenland. Een profiel van een reeks van landen kan derhalve ook iets zeggen over de verwachte internationale kapitaalstromen, zo is de redenering.

Goldman Sachs heeft een model gebouwd en daarin de benodigde gegevens van 44 landen over een periode van 30 jaar gestopt. Het model levert interessante inkijkjes. Het bevestigt bijvoorbeeld wat al redelijkerwijs vermoed werd. De crisis van 2008 was mede te wijten aan een extreme onbalans tussen tekortlanden (VS/EU-laden) en overschotlanden (China, Azië en EU-landen). In beide gevallen waren de uitslagen groter dan op basis van het model had verwacht mogen worden. Vanaf 2008 is er aan beide zijden een proces van rebalancing op gang gekomen maar de uitslagen blijven te groot. Dat laat het model ook zien.

Ontwikkelde markten versus opkomende markten
Het model levert volgens de auteurs nog meer inzichten op. Tussen 1950 en 1990 was de omvang van de groep spaarders in de leeftijdsklasse 35 – 69 jaar in de ontwikkelde markten groter dan in de opkomende markten. De ontwikkelde landen kenden toen nog overschotten en de opkomende markten kampten met grote, zorgwekkende tekorten. Dat is in de loop van de jaren negentig veranderd en hoe! Het onderliggende spaarsurplus was in de opkomende markten in de periode 1998-2008 ruim 2,5% van het GDP te groot, terwijl de tekorten van de ontwikkelde landen bijna 1% van het GDP hoger uitvielen, dan modelmatig had moeten geschieden. Die grote onbalans kan een verklaring zijn voor de vraag waarom een zo groot bedrag aan netto besparingen van de opkomende markten naar de ontwikkelde markten is gestroomd. Die laatste moesten op die manier hun tekorten dekken
Die trend van aanzwellende kapitaalsstromen naar de ontwikkelde markten zal de komende jaren eerder verder versterken dan afzwakken. In de ontwikkelde markten en in olieproducerende landen zal het aantal spaarders in de leeftijdsklasse 35 – 69 jaar pieken in 2016, terwijl de opkomende markten in 2032 pieken. China zal trouwens de piek eerder bereiken. Naar bevolkingsopbouw lijkt dit land meer op de ontwikkelde markten, maar naar spaargedrag meer op opkomende markten. Op basis van het demografisch profiel komen de auteurs tot de conclusie dat de zogeheten BRIC landen en de N-11 landen voortdurende grotere overschotten zullen genereren, terwijl landen als de VS, Japan en Frankrijk met steeds grotere tekorten te kampen zullen hebben.
Juist de huidige extreme gang van zaken geeft tegelijkertijd een impuls aan tegenkrachten die er op termijn voor moeten zorgen, dat aan beide zijden de ergste uitwassen zullen verdwijnen.

Dat aanpassingproces gaat jaren duren en kan verrassende uitkomsten hebben. Tot 2025 zullen bijvoorbeeld OPEC-landen, maar ook traditionele overschotlanden als Duitsland, Japan, Zweden maar ook China hun overschotten snel kleiner zien worden. Duitsland en Japan moeten er serieus rekening mee houden uiteindelijk tekortlanden te worden. Beruchte tekortlanden zoals Griekenland, Spanje en Portugal een omgekeerd proces gaan doormaken, hoewel het tekortlanden blijven. Voor de VS zullen de tekorten minder snel afnemen.
Het aanpassingsproces tot 2025 zal er volgens de mensen van Goldman Sachs ertoe leiden, dat het beeld wat uniformer wordt. Grosso modo zullen alle belangrijke ontwikkelde economieën een tekort laten zien en de opkomende markten als geheel blijven overschotten scheppen. Als gevolg daarvan blijven de kapitaalsstromen lopen van zuid naar noord.

Demografie en rente
Zoals gezegd genereerden de ontwikkelde markt tot pakweg 1990 een surplus aan besparingen en de opkomende markten een fors tekort. De balans sloeg negatief uit. Er was in 1988 wereldwijd een spaartekort ter grootte van 1,7% van het GDP. In 2009 was het tekort omgeslagen in een spaaroverschot van 2,1% van het GDP. Deze omslag valt samen met de groei van het aantal spaarders in de leeftijd 35-69 jaar .
In dezelfde periode van oplopende besparingen en groei in de omvang van het aantal spaarders, zien we een daling inzetten van de lange rente. Is de conclusie gerechtvaardigd dat er een samenhang is tussen het demografisch profiel van landen en het niveau van de lange rente? De auteurs durven het verband niet absoluut te stellen, maar veronderstellen een economische logica.
Als er een verband is tussen het profiel, besparingen en niveau van de rente, dan zijn hier voor de komende tijd consequenties aan te verbinden. De auteurs veronderstellen dat de spaaroverschotten de komende decennia blijven groeien, zij het langzamer. Dat impliceert dat de neerwaartse druk op het niveau van de lange rente voorlopig ook aanwezig blijft. Die neerwaartse druk zal het grootst zijn in de Opkomende markten waar de meeste overschotten geproduceerd worden. Tekortlanden, zeker die landen die eerder overschotlanden waren, moeten rekening houden met een relatieve stijging van hun rente.

Conclusies
De auteurs laten bij voortduring weten, dat het vooral om aannames gaat en dat het model verre van perfect is. Toch is de verleiding groot om enkele conclusies te trekken. De eerste luidt dat de huidige onbalans mede het gevolg was van het doorschieten van trends die zich geleidelijk ontwikkelden maar die een bijna niet te stoppen invloed hadden op de richting van de internationale kapitaalstromen. Weliswaar zijn de ergste uitwassen sinds 2008 verdwenen, het zou toch prettig zijn als er meer gebeurde. Dat zou vooral op het vlak van de internationale wisselkoersverhoudingen kunnen, maar vooral zou de vraagzijde in de opkomende markten gestimuleerd kunnen worden.
Het is echter in de tweede plaats onmiskenbaar dat het wereldwijde demografische profiel de netto besparingen eerder zullen doen groeien dan dat het omgekeerde gaat gebeuren. Dat in combinatie met grote internationale verschillen in economische groei zal er voor zorg dragen dat de export van kapitaal uit de Opkomende markten blijft groeien. Dat impliceert tegelijkertijd dat een aantal ontwikkelde landen op korte of langere termijn onder zijn schuldenlast gaat bezwijken. Een gevolg van de aanhoudende groei in besparingen kan zijn, dat vooral in de Opkomende markten de rente laag blijft of zelfs nog verder zal dalen. Financiële beleidsmakers moeten er misschien maar rekening mee gaan houden dat de huidige situatie geen uitzondering zal zijn maar eerder regel. Een voordeel van al dat oppotten zal kunnen zijn dat zulks een dam opwerpt tegen het gevreesde grootschalige ontsparen van de Westerse babyboomgeneratie. Die ontsparingen zouden kunnen leiden tot druk op de waarde van allerlei assets, zo is een veelgehoorde angst.
Tenslotte, als het demografisch profiel van de ontwikkelde landen wijst op steeds grotere tekorten, dan zal dat politieke gevolgen hebben. Overheden zullen proberen de omvang van de groep spaarders te laten groeien. Dat kan door het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd, maar ook door gedwongen besparingen. Om met Reagan te spreken: you ain’t seen nothing yet!