Het lopende jaar is alweer bijna twee maanden onderweg. Dat is kort maar is het mogelijk om de eerste conclusies te trekken? Zo op het eerste gezicht wel. De financiële markten gaan verder waar ze in het vierde kwartaal van 2010 waren begonnen. De richting is vooralsnog omhoog. De Dow Jones bivakkeert alweer geruime tijd boven de grens van 12000 punten en de AEX lijkt definitief door de bandbreedte van 320- 350 gebroken. In de VS is het optimisme inmiddels zo groot, dat sommigen voorspellen dat aandelen voor het derde jaar op rij een double digit groei zullen laten zien.
Herwonnen zelfvertrouwen
Het optimisme in de VS is op een aantal overwegingen gebaseerd. Zo zal het economisch herstel in 2011 overgaan in een fase van economische expansie. De economie is wel niet zo sterk, maar wel sterker dan die bijvoorbeeld in Europa. Bovendien is de kwaliteit van de groei beter. In het afgelopen jaar was de groei in de VS vooral gestoeld op stimulering van overheidswege en op de wederopbouw van de voorraden. Naar het zich nu al laat aanzien mogen we in 2011 rekenen op de (bescheiden) terugkeer van de consument. Die laatste is sinds onheugelijke tijden het vliegwiel van de economische groei in de VS. Daarnaast is het vertrouwen van het bedrijfsleven torenhoog. Het zit op een wel heel hoge berg van liquiditeiten ter waarde van & 1 biljoen. Het ligt voor de hand, dat in de loop van dit jaar deze stapel liquiditeiten ingezet gaat worden voor bijvoorbeeld overnames, inkoop van eigen aandelen, dividenduitkeringen en misschien ook wel voor het aantrekken van nieuwe arbeid om optimaal te profiteren van de verbeterde klimaat in de VS en in de rest van de wereld. Het is ook al duidelijk dat de regering Obama een begin gaat maken met het terugdringen van de oceaan aan schulden.
Het herwonnen zelfvertrouwen betekent weer niet dat alle problemen de wereld uit zijn. De huizenmarkt is nog steeds een belangrijke sta-in-de-weg, individuele staten hebben nog steeds geen afdoende antwoord op de eigen schuldenproblematiek. Dan kunnen sterk stijgende prijzen voor commodities de inflatie aanwakkeren wat weer ongewenste rentestijgingen kan aanwakkeren. Kortom, het is toch een beetje het vraag en antwoord spel van is het glas halfvol of halfleeg.
Beren op de weg
Er is echter nog een ander verhaal te vertellen in het kader van het economisch herstel en de aanzwellende euforie op de financiële markten. Hebben we anno 2011 te maken met een bull market of met een bear market zoals in de periode 2003-2007. De laatste periode droeg als kenmerken goedkoop geld gebaseerd op het beleid van Greenspan en de zijnen, Financial engineering door de tovenaarsleerlingen van bijvoorbeeld Goldman Sachs en Merrill Lynch. Het uitbundige gedrag van de consument was te danken aan de aanhoudende stijging van de huizenprijzen. Dat dit geen gezonde basis is voor een economie weten we sinds 2008.
Hoe anders was de kwaliteit van de na-oorlogse bull markt van bijvoorbeeld 1946-1966 of die van 1982 tot 1999. De eerste was gebaseerd op de internationale wederopbouw en op het vorm krijgen van de babyboomgeneratie. De tweede bull market vertegenwoordigt de opmars van de IT, de mainframe, de pc en de explosie in de telecomsector. De ICT-golf ontketende een sterke stijging van de productiviteit in alle sectoren van de economie. Hebben de genoemde bull markets substantie, die van 2003-2007 was geschoeid op schulden.
Waar is de nieuwe bear market van 2010 - ? op gebaseerd. Evenals die van 2003-2007 speelt hier de FED een hoofdrol met zijn Quantative Easing. Overigens lijkt Bernanke nu nog maar weinig andere middelen tot zijn beschikking te hebben voor verdere stimulering. Rest de vraag of Facebook, iPod of iPad eenzelfde rol kunnen spelen bij het doen stijgen van de productiviteit. Daar kun je vraagtekens bij stellen, maar het is nog te vroeg voor een definitief oordeel.
Als het oordeel negatief zal uitvallen, dan is de basis van de huidige opleving opnieuw schulden en Financial engineering. Maar we weten al heel lang, dat er niet zoiets is as a free lunch. En dan zijn de beren pacht echt los en de rapen echt gaar.
Beleggers doen er goed aan niet blind op de huidige rijdende trein van stijgende aandelenkoersen te springen. Een goede risico-analyse is wel op zijn plaats.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
zondag 20 februari 2011
vrijdag 18 februari 2011
Risicovrij kan attractiever in 2011
De aanhoudende druk op renteniveaus in veel ontwikkelde markten heeft erin geresulteerd dat beleggen in schatkistpapier nog amper lonend is. Is het anno 2011 nog wel aantrekkelijk te beleggen in vastrentende waarden? Of moeten we vrezen dat obligatiemarkten structureel van karakter aan het veranderen zijn?
Rendement onder druk
Bij Goldman Sachs houden ze daar serieus rekening mee. Ze wijzen op drie factoren die de relatie tussen risico en rendement fundamenteel aantasten.
De eerste is de lage rente. Die al sinds 1982 langzaam, maar gestaag aan het dalen. Aan die daling lijkt een einde gekomen. De tweede factor is het steeds verder uiteenlopen van schuldposities van de ontwikkelde landen en die van de Opkomende Landen en de schuldpositie van het internationale bedrijfsleven. De laatste twee zien hun schuldpositie steeds verder verbeteren; die van de eerste verslechtert voorlopig alleen maar. In de derde plaats gaapt er een steeds grotere kloof tussen het groeitempo van de ontwikkelde economieën en die van de Opkomende Landen steeds verder. Een gezonde groei is nodig om de schulden af te betalen. In Europa is er nog maar weinig ruimte om de trage groei te stimuleren. Bezuinigingsdrift dreigt de groei nog verder te vertragen. De Opkomende Markten zijn wel in staat een stimuleringsbeleid te voeren. Het resultaat is, dat zowel in de VS als in Europa het rendement op obligaties onder druk staat, terwijl het duration risico alleen maar toeneemt. De obligatiehouder loopt zo het risico het kind van de rekening te worden.
De uitdaging
Beleggers hebben onder de huidige omstandigheden beperkte mogelijkheden om in te spelen op deze fundamentele veranderingen. De traditionele ‘core’ portefeuille is immers opgebouwd rondom het duration risico, maar is amper of niet gericht op potentieel aantrekkelijkere sectoren als credits of emerging markets debt. De traditionele portfolio is evenmin geëquipeerd om bijvoorbeeld sector-strategieën te ontwikkelen om een betere verhouding te krijgen tussen risico en rendement. Daar moet dus verandering in komen. De vraag is hoe dat kan?
Goldman denkt dat een zogeheten opportunistische portefeuille een oplossing kan bieden. Deze portefeuille moet
@weygerbergen.comlosgekoppeld worden van traditionele benchmarks. Dat geeft de portfoliomanager meer mogelijkheden van handelen. Die manager moet wel in staat zijn de relatieve waarde te bepalen tussen de verschillende internationale obligatiemarkten. Hij moet dan vervolgens ook de vrijheid hebben om te handelen in overeenstemming met de marktmogelijkheden. Dat betekent ook dat hij moet kunnen wisselen tussen een defensieve invulling of een opportunistische invulling, al naar gelang de situatie.
Tenslotte
De nieuwe portfolio is minder afhankelijk van sterke economische groei dan aandelen, maar ook minder gevoelig voor het duration risico zoals de traditionele vastrentende portfolio dat is . Het is daarmee een aanvulling op de traditionele aandelen- en obligatieportefeuilles. Het is minder risicovol dan aandelen en het levert meer rendement dan de traditionele obligatieportefeuille. Het risico neemt wel toe. Daar moet de belegger zich goed van bewust zijn. Hij moet er zich tevens van bewust zijn dat de vermogensbeheerder een behoorlijke vrijheid van handelen nodig heeft. Bij De Weygerbergen denken we dan: vrijheid, oké maar wel in gebondenheid. Vertrouwen is goed, maar controle is beter.
Cor Wijtvliet, partner
www.weygerbergen.com
Cor.Wijtvliet@weygerbergen.com
Rendement onder druk
Bij Goldman Sachs houden ze daar serieus rekening mee. Ze wijzen op drie factoren die de relatie tussen risico en rendement fundamenteel aantasten.
De eerste is de lage rente. Die al sinds 1982 langzaam, maar gestaag aan het dalen. Aan die daling lijkt een einde gekomen. De tweede factor is het steeds verder uiteenlopen van schuldposities van de ontwikkelde landen en die van de Opkomende Landen en de schuldpositie van het internationale bedrijfsleven. De laatste twee zien hun schuldpositie steeds verder verbeteren; die van de eerste verslechtert voorlopig alleen maar. In de derde plaats gaapt er een steeds grotere kloof tussen het groeitempo van de ontwikkelde economieën en die van de Opkomende Landen steeds verder. Een gezonde groei is nodig om de schulden af te betalen. In Europa is er nog maar weinig ruimte om de trage groei te stimuleren. Bezuinigingsdrift dreigt de groei nog verder te vertragen. De Opkomende Markten zijn wel in staat een stimuleringsbeleid te voeren. Het resultaat is, dat zowel in de VS als in Europa het rendement op obligaties onder druk staat, terwijl het duration risico alleen maar toeneemt. De obligatiehouder loopt zo het risico het kind van de rekening te worden.
De uitdaging
Beleggers hebben onder de huidige omstandigheden beperkte mogelijkheden om in te spelen op deze fundamentele veranderingen. De traditionele ‘core’ portefeuille is immers opgebouwd rondom het duration risico, maar is amper of niet gericht op potentieel aantrekkelijkere sectoren als credits of emerging markets debt. De traditionele portfolio is evenmin geëquipeerd om bijvoorbeeld sector-strategieën te ontwikkelen om een betere verhouding te krijgen tussen risico en rendement. Daar moet dus verandering in komen. De vraag is hoe dat kan?
Goldman denkt dat een zogeheten opportunistische portefeuille een oplossing kan bieden. Deze portefeuille moet
@weygerbergen.comlosgekoppeld worden van traditionele benchmarks. Dat geeft de portfoliomanager meer mogelijkheden van handelen. Die manager moet wel in staat zijn de relatieve waarde te bepalen tussen de verschillende internationale obligatiemarkten. Hij moet dan vervolgens ook de vrijheid hebben om te handelen in overeenstemming met de marktmogelijkheden. Dat betekent ook dat hij moet kunnen wisselen tussen een defensieve invulling of een opportunistische invulling, al naar gelang de situatie.
Tenslotte
De nieuwe portfolio is minder afhankelijk van sterke economische groei dan aandelen, maar ook minder gevoelig voor het duration risico zoals de traditionele vastrentende portfolio dat is . Het is daarmee een aanvulling op de traditionele aandelen- en obligatieportefeuilles. Het is minder risicovol dan aandelen en het levert meer rendement dan de traditionele obligatieportefeuille. Het risico neemt wel toe. Daar moet de belegger zich goed van bewust zijn. Hij moet er zich tevens van bewust zijn dat de vermogensbeheerder een behoorlijke vrijheid van handelen nodig heeft. Bij De Weygerbergen denken we dan: vrijheid, oké maar wel in gebondenheid. Vertrouwen is goed, maar controle is beter.
Cor Wijtvliet, partner
www.weygerbergen.com
Cor.Wijtvliet@weygerbergen.com
maandag 14 februari 2011
Auto’s als zoete broodjes
De automobielindustrie is van levensbelang voor de Duitse economie. Miljoenen Duitsers verdienen direct en indirect een goede boterham aan de bouw en verkoop van nieuwe auto’s. Trouwens in landen als Tsjechië, Slowakije en Polen is de Duitse automobielindustrie een belangrijke werkgever. Daarnaast zijn BMW, Mercedes en VW de grootste opdrachtgevers voor R&D inspanningen in de hele EU. Duitsland is de motor van de Europese economie en de automobielindustrie is de motor van de Duitse economie.
Luxe segment
De Duitse automobielindustrie werd zwaar getroffen door de kredietcrisis. Menigeen zal nog wel weten dat de Duitse overheid de consument trachtte te verleiden nieuwe auto’s te kopen door aantrekkelijk kortingen voor te spiegelen (cash-for-clunkers)! Het inruilprogramma ging in februari 2009 succesvol van start, maar in augustus van dat jaar had het programma fors aan vaart ingeboet.
Heeft dit programma de Duitse automobielindustrie van de ondergang gered? Daar kun je vraagtekens bij plaatsen. Cash-for-clunkers pakte goed uit voor de producenten van middenklasse auto’s en het lagere segment, maar daar kun je BMW of Audi moeilijk toe rekenen. De producenten voor het luxesegment hebben het grotendeels op eigen kracht moeten doen en dat hebben ze met veel succes gedaan, naar nu blijkt. Waar is dat succes opgebaseerd? Zoals al vermeld investeert de Duitse auto-industrie jaar in jaar uit miljarden in R&D. In de jaren voor de crisis zag de industrie zich op last van Europa geplaatst voor de grote opgave de uitstoot van de auto’s dramatisch te verlagen. Het luxe segment produceert gemiddeld genomen een zwaardere auto met dito uitstoot. In het afgelopen decennium heeft deze industrietak fors geïnvesteerd in de vergroening van de industrie, ook in de moeilijke jaren,08 en ’09.
Zoete broodjes
De Duitsers zijn met succes voor dit examen geslaagd en daar plukken ze nu de vruchten van. Terwijl in Europa en in de VS de bodem onder de vraag wegviel, bloeide de Chinese liefde voor de Duitse auto op. De Duitse auto is voor de gemiddelde Chinees het bewijs voor zijn maatschappelijk succes, maar dat is niet de enige factor voor het fenomenale succes. Evenals de EU stelt ook de Chinese overheid hoge eisen als het gaat om het intomen van de luchtvervuiling door auto’s. Eigenlijk kwamen de Duitsers dankzij hun aanhoudende investeringen in schone en zuinige technologie in een gespreid Chinees bed terecht. Het
succes mag er zijn. In het afgelopen jaar stegen de verkopen in Azië met bijna 50%. Het grootste succes kwam op naam van BMW dat zijn afzet met meer dan 75% zag stijgen. Vergeleken bij het Aziatisch geweld steekt de groei van Europa met nog geen 5% wel heel magertjes af. Het heeft er echter alle schijn van, dat ook in dit deel van de wereld de grootste problemen voorbij zijn. In januari van dit jaar verkochten BMW en Audi meer auto’s in het Verenigd Koninkrijk dan middenklassenproducenten als Peugeot of Toyota. In zulke landen als Spanje en Duitsland is eenzelfde trend waarneembaar. De groeiende vraag is terug te zien aan het oplopen van de levertijden. Als je pech hebt moet je als klant vijf maanden wachten op je nieuwe BMW. Bij Mercedes en Audi is het beeld niet veel anders. Het is deels een capaciteitsprobleem. Kwam in 2009 de benuttinggraad voor de Duitse grote drie uit op 76%, in 2010 was die al opgelopen tot 89% en in januari 2011 was het zelfs 93%. Veel hoger kan niet meer. Daarnaast kunnen toeleveranciers niet aan de vraag voldoen.
Als er al iets te klagen is voor de fabrikanten dan is het dat ze moeten kiezen waar ze hun auto’s gaan verkopen: in Duitsland en de EU of toch maar liever in China. Dat is voor het moment de place to be. Het is de grootste en snelst groeiende markt ter wereld. Jammer voor de Europese Mercedesbezitter. Ook in dit opzicht investeren de Duitsers liever in de toekomst.
Cor Wijtvliet
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Luxe segment
De Duitse automobielindustrie werd zwaar getroffen door de kredietcrisis. Menigeen zal nog wel weten dat de Duitse overheid de consument trachtte te verleiden nieuwe auto’s te kopen door aantrekkelijk kortingen voor te spiegelen (cash-for-clunkers)! Het inruilprogramma ging in februari 2009 succesvol van start, maar in augustus van dat jaar had het programma fors aan vaart ingeboet.
Heeft dit programma de Duitse automobielindustrie van de ondergang gered? Daar kun je vraagtekens bij plaatsen. Cash-for-clunkers pakte goed uit voor de producenten van middenklasse auto’s en het lagere segment, maar daar kun je BMW of Audi moeilijk toe rekenen. De producenten voor het luxesegment hebben het grotendeels op eigen kracht moeten doen en dat hebben ze met veel succes gedaan, naar nu blijkt. Waar is dat succes opgebaseerd? Zoals al vermeld investeert de Duitse auto-industrie jaar in jaar uit miljarden in R&D. In de jaren voor de crisis zag de industrie zich op last van Europa geplaatst voor de grote opgave de uitstoot van de auto’s dramatisch te verlagen. Het luxe segment produceert gemiddeld genomen een zwaardere auto met dito uitstoot. In het afgelopen decennium heeft deze industrietak fors geïnvesteerd in de vergroening van de industrie, ook in de moeilijke jaren,08 en ’09.
Zoete broodjes
De Duitsers zijn met succes voor dit examen geslaagd en daar plukken ze nu de vruchten van. Terwijl in Europa en in de VS de bodem onder de vraag wegviel, bloeide de Chinese liefde voor de Duitse auto op. De Duitse auto is voor de gemiddelde Chinees het bewijs voor zijn maatschappelijk succes, maar dat is niet de enige factor voor het fenomenale succes. Evenals de EU stelt ook de Chinese overheid hoge eisen als het gaat om het intomen van de luchtvervuiling door auto’s. Eigenlijk kwamen de Duitsers dankzij hun aanhoudende investeringen in schone en zuinige technologie in een gespreid Chinees bed terecht. Het
succes mag er zijn. In het afgelopen jaar stegen de verkopen in Azië met bijna 50%. Het grootste succes kwam op naam van BMW dat zijn afzet met meer dan 75% zag stijgen. Vergeleken bij het Aziatisch geweld steekt de groei van Europa met nog geen 5% wel heel magertjes af. Het heeft er echter alle schijn van, dat ook in dit deel van de wereld de grootste problemen voorbij zijn. In januari van dit jaar verkochten BMW en Audi meer auto’s in het Verenigd Koninkrijk dan middenklassenproducenten als Peugeot of Toyota. In zulke landen als Spanje en Duitsland is eenzelfde trend waarneembaar. De groeiende vraag is terug te zien aan het oplopen van de levertijden. Als je pech hebt moet je als klant vijf maanden wachten op je nieuwe BMW. Bij Mercedes en Audi is het beeld niet veel anders. Het is deels een capaciteitsprobleem. Kwam in 2009 de benuttinggraad voor de Duitse grote drie uit op 76%, in 2010 was die al opgelopen tot 89% en in januari 2011 was het zelfs 93%. Veel hoger kan niet meer. Daarnaast kunnen toeleveranciers niet aan de vraag voldoen.
Als er al iets te klagen is voor de fabrikanten dan is het dat ze moeten kiezen waar ze hun auto’s gaan verkopen: in Duitsland en de EU of toch maar liever in China. Dat is voor het moment de place to be. Het is de grootste en snelst groeiende markt ter wereld. Jammer voor de Europese Mercedesbezitter. Ook in dit opzicht investeren de Duitsers liever in de toekomst.
Cor Wijtvliet
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
zondag 13 februari 2011
De vis wordt duur betaald
Aan het einde van de 20ste eeuw overheerste nog het optimisme. Het was nog slechts een kwestie van tijd voordat ‘honger’ voorgoed verdwenen zou zijn. Anno 2011 weten we dat dit optimisme ongefundeerd was. In het eerste decennium van de 21ste eeuw heeft de wereld weer kennis gemaakt me het fenomeen voedselrellen. Honger is terug op de politieke agenda en menig politicus beziet met zorg de berichtgeving over snel stijgende voedselprijzen.
Stand van zaken
Anno 2011 lijden ongeveer 1 miljard mensen honger. Ze hebben simpelweg te weinig te eten. Daarnaast is er een ongeveer even grote groep mensen die min of meer ondervoed zijn. Ze hebben wel te eten, maar de kwaliteit ervan laat zeer te wensen over. Tegenover deze twee groepen staat weer een groep die overconsumeert. Die overconsumptie is zo groot, dat obesitas een nieuwe volksziekte is geworden.
De oorzaak voor het oprukken van honger is voor een deel te wijten aan een falend landbouwsysteem. De groene revolutie van de tweede helft van de vorige eeuw heeft zijn tijd gehad. Niet langer stijgt de opbrengst per hectare. Daar is een veelheid van oorzaken voor aan te wijzen. De belangrijkste is wel dat de kwaliteit en de vruchtbaarheid van veel landbouwgrond terug loopt door bijvoorbeeld erosie en verzilting, maar ook door een groeiend tekort aan water om mee te irrigeren.
Bij ongewijzigd beleid zal het huidig landbouwsysteem imploderen en zal tegen 2050 honger zeer wijd verspreid zijn. Althans, dat staat te lezen in een recent Brits rapport, The Global Food and Farming Futures. Het falen van het huidige system is af te lezen aan de huidige snelle prijsstijgingen. Het rapport concludeert dat de prijzen de komende jaren alleen maar verder zullen stijgen. De prijs voor gangbare en onmisbare producten als graan, rijst en maïs kunnen de komende periode wel eens verdubbelen
Een nieuwe strategie
Het rapport bepleit een nieuwe strategie die verder gaat dan de gebruikelijke oplossing van meer technologie en wetenschap of van meer handel en hogere prijzen. De landbouw moet verduurzamen en dat betekent dat de productie omhoog moet zonder dat het milieu aangetast wordt en liefst ook zonder een verhoogd gebruik van kunstmest. Dat wil weer niet zeggen dat organische landbouw het antwoord is. Dat is een gevaarlijke illusie, want het lost het probleem van de dalende opbrengsten niet op. In tegendeel, het verergert dat probleem. Het rapport pleit daarom voor een integrale benadering die reikt van producent tot consument. Organische landbouw kan misschien wel in de ontwikkelde landen, maar voor Afrika en Azië is het verstandig om niet op voorhand genetisch gemodificeerde landbouw uit te sluiten. Het rapport pleit voor een versnelling van de investeringen in de landbouw. Er moet meer kennis en kapitaal naar de boeren. Zo kan het kennisniveau van de boer in de opkomende markten omhoog en kan door een betere toegang tot krediet kan er meer in de verbetering van het productieproces geïnvesteerd worden.
Maar niet alleen het primaire productieproces vraagt om investeringen, er moet ook meer aandacht komen voor de infrastructuur. Het distributienetwerk moet verbeteren, zodat voedsel sneller van de producent naar de consument kan. Ongeveer 30% van de wereldwijde oogsten verrot op het land, omdat er geen goed wegenstelsel is met de daarbij behorende vrachtwagens. De verwende westerse consument zou ook minder moeten verspillen.
Het rapport is gelukkig niet moralistisch van toon. Het pleit er niet voor dat de westerse consument zijn consumptief gedrag gaat veranderen en bijvoorbeeld stopt met vlees eten. Dat zal niet gebeuren en het is ook beter te accepteren dat in de succesvolle Opkomende Landen de nieuwe middenklasse een ‘westers consumptiepatroon’ wenst en zal nastreven.
De auteurs van het rapport pleiten wel voor het afbouwen van landbouwsubsidies in de EU en ze verwerpen tolmuren en tarieven. Landbouwprotectionisme jaagt de prijzen onnodig op. Dat is een van de belangrijke lessen uit de jaren 2007/08. Vrijhandel is nog steeds de beste manier om de benodigde spullen van A naar B te krijgen. De landbouwsector in de EU zou er goed aan doen meer duurzaam te gaan produceren. Dat kan nu prijzen structureel op een hoger niveau komen te liggen.
Tenslotte
De kracht van het rapport is zijn veelzijdigheid. Het doet reeksen van aanbevelingen die de komende twintig jaar ten uitvoer gebracht moeten worden. Er zijn geen gemakkelijke oplossingen en er zal veel, heel veel nieuw landbouw beleid gemaakt moeten worden. De nadruk op praktische oplossingen voorkomt, zoals gezegd, een moralistische toonzetting. Die praktische insteek spreekt ook uit de vraagtekens die het rapport zet bij de belangstelling van de belegger voor de landbouw. Zal speculatie op de termijnmarkten niet tot onnodige prijsstijgingen leiden? Over verbieden spreekt het rapport niet. Dat doet het evenmin als het vraagtekens zet van de huidige praktijk van landjepik, waarbij het ene land grote stukken landbouwgrond in een ander land inneemt. Dit landjepik verhindert dat het getroffen land zelf voldoende voorraden kan aanleggen.
The Global Food and Farming Futures is een recht voor zijn raap rapport. Het huidige system van voedselproductie is aan het einde van zijn cyclus gekomen en er is nog geen duidelijk alternatief. Het is zoeken en aftasten. En totdat er een goed alternatief gevonden is, zullen prijzen eerder de neiging hebben om te stijgen dan om te dalen. Ja, de vis zal weer duur betaald worden.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Stand van zaken
Anno 2011 lijden ongeveer 1 miljard mensen honger. Ze hebben simpelweg te weinig te eten. Daarnaast is er een ongeveer even grote groep mensen die min of meer ondervoed zijn. Ze hebben wel te eten, maar de kwaliteit ervan laat zeer te wensen over. Tegenover deze twee groepen staat weer een groep die overconsumeert. Die overconsumptie is zo groot, dat obesitas een nieuwe volksziekte is geworden.
De oorzaak voor het oprukken van honger is voor een deel te wijten aan een falend landbouwsysteem. De groene revolutie van de tweede helft van de vorige eeuw heeft zijn tijd gehad. Niet langer stijgt de opbrengst per hectare. Daar is een veelheid van oorzaken voor aan te wijzen. De belangrijkste is wel dat de kwaliteit en de vruchtbaarheid van veel landbouwgrond terug loopt door bijvoorbeeld erosie en verzilting, maar ook door een groeiend tekort aan water om mee te irrigeren.
Bij ongewijzigd beleid zal het huidig landbouwsysteem imploderen en zal tegen 2050 honger zeer wijd verspreid zijn. Althans, dat staat te lezen in een recent Brits rapport, The Global Food and Farming Futures. Het falen van het huidige system is af te lezen aan de huidige snelle prijsstijgingen. Het rapport concludeert dat de prijzen de komende jaren alleen maar verder zullen stijgen. De prijs voor gangbare en onmisbare producten als graan, rijst en maïs kunnen de komende periode wel eens verdubbelen
Een nieuwe strategie
Het rapport bepleit een nieuwe strategie die verder gaat dan de gebruikelijke oplossing van meer technologie en wetenschap of van meer handel en hogere prijzen. De landbouw moet verduurzamen en dat betekent dat de productie omhoog moet zonder dat het milieu aangetast wordt en liefst ook zonder een verhoogd gebruik van kunstmest. Dat wil weer niet zeggen dat organische landbouw het antwoord is. Dat is een gevaarlijke illusie, want het lost het probleem van de dalende opbrengsten niet op. In tegendeel, het verergert dat probleem. Het rapport pleit daarom voor een integrale benadering die reikt van producent tot consument. Organische landbouw kan misschien wel in de ontwikkelde landen, maar voor Afrika en Azië is het verstandig om niet op voorhand genetisch gemodificeerde landbouw uit te sluiten. Het rapport pleit voor een versnelling van de investeringen in de landbouw. Er moet meer kennis en kapitaal naar de boeren. Zo kan het kennisniveau van de boer in de opkomende markten omhoog en kan door een betere toegang tot krediet kan er meer in de verbetering van het productieproces geïnvesteerd worden.
Maar niet alleen het primaire productieproces vraagt om investeringen, er moet ook meer aandacht komen voor de infrastructuur. Het distributienetwerk moet verbeteren, zodat voedsel sneller van de producent naar de consument kan. Ongeveer 30% van de wereldwijde oogsten verrot op het land, omdat er geen goed wegenstelsel is met de daarbij behorende vrachtwagens. De verwende westerse consument zou ook minder moeten verspillen.
Het rapport is gelukkig niet moralistisch van toon. Het pleit er niet voor dat de westerse consument zijn consumptief gedrag gaat veranderen en bijvoorbeeld stopt met vlees eten. Dat zal niet gebeuren en het is ook beter te accepteren dat in de succesvolle Opkomende Landen de nieuwe middenklasse een ‘westers consumptiepatroon’ wenst en zal nastreven.
De auteurs van het rapport pleiten wel voor het afbouwen van landbouwsubsidies in de EU en ze verwerpen tolmuren en tarieven. Landbouwprotectionisme jaagt de prijzen onnodig op. Dat is een van de belangrijke lessen uit de jaren 2007/08. Vrijhandel is nog steeds de beste manier om de benodigde spullen van A naar B te krijgen. De landbouwsector in de EU zou er goed aan doen meer duurzaam te gaan produceren. Dat kan nu prijzen structureel op een hoger niveau komen te liggen.
Tenslotte
De kracht van het rapport is zijn veelzijdigheid. Het doet reeksen van aanbevelingen die de komende twintig jaar ten uitvoer gebracht moeten worden. Er zijn geen gemakkelijke oplossingen en er zal veel, heel veel nieuw landbouw beleid gemaakt moeten worden. De nadruk op praktische oplossingen voorkomt, zoals gezegd, een moralistische toonzetting. Die praktische insteek spreekt ook uit de vraagtekens die het rapport zet bij de belangstelling van de belegger voor de landbouw. Zal speculatie op de termijnmarkten niet tot onnodige prijsstijgingen leiden? Over verbieden spreekt het rapport niet. Dat doet het evenmin als het vraagtekens zet van de huidige praktijk van landjepik, waarbij het ene land grote stukken landbouwgrond in een ander land inneemt. Dit landjepik verhindert dat het getroffen land zelf voldoende voorraden kan aanleggen.
The Global Food and Farming Futures is een recht voor zijn raap rapport. Het huidige system van voedselproductie is aan het einde van zijn cyclus gekomen en er is nog geen duidelijk alternatief. Het is zoeken en aftasten. En totdat er een goed alternatief gevonden is, zullen prijzen eerder de neiging hebben om te stijgen dan om te dalen. Ja, de vis zal weer duur betaald worden.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
zondag 6 februari 2011
China deelt de lakens uit
China is zowel politiek als economisch een wereldmacht. Het land wil de rest van de wereld hiervan nadrukkelijk doordringen en doet dat soms op een onverwachte manier. In het najaar van 2010 rees er een ernstig diplomatiek geschil met Japan over territoriale claims. Een van de maatregelen die de Chinezen namen om Japan op zijn nummer te zetten was een exportstop van de zogeheten rare earth elements (REE, zeldzame metalen). REE’s zijn een vitaal onderdeel in talloze industriële en technologische productieprocessen.
Bijna monopolist
Dit machtsvertoon veroorzaakte een meer dan lichte paniek in politieke, industriële en zelfs militaire kringen. REE’s worden bijvoorbeeld gebruikt in lanceerinstallaties voor raketten, maar zijn ook nodig bij de productie van nachtkijkers.
De Chinese exportstop deed de rest van de wereld beseffen, dat het voor de aanvoer van deze REE’s feitelijk afhankelijk is van de Chinese willekeur. Weliswaar bezit het land minder dan 40% van de geschatte voorraden REE’s, maar het land produceert wel 97% van de gevraagde REE’s. Landen als de VS, Australië en Zuid Afrika beschikken ook over aanzienlijke voorraden REE’s maar hebben de productie ervan alweer jaren terug gestopt.
De oorzaak voor het sluiten van REE mijnen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten was de snel groeiende productie in China vanaf de jaren tachtig in de vorige eeuw. Het was een zwaar gesubsidieerde overproductie die de prijzen op de wereldmarkt deed kelderen en zodoende de concurrentie wegvaagde.
Die overproductie en die lage prijzen zijn waarschijnlijk wel van vitaal belang geweest voor de snelle groei van de Informatie en communicatiesectoren aan het einde van de 20ste eeuw. REE’s kennen veel toepassingen in de ICT industrie, maar dit terzijde.
Quota
Aan het begin van deze eeuw had China een de facto monopolie op de productie van REE’s en het land heeft daar doelbewust gebruik van gemaakt. In 2005 begon het land zijn productie terug te schroeven en voerde het exporttarieven in. Het logische gevolg was dat prijzen begonnen te stijgen. In 2006 kwam de volgende stap. China voerde exportbeperkingen in. De export moest jaarlijks met 5%-10% omlaag. In 2010 deed het land er nog een schepje bovenop door de export quota met maar liefst 40% te verlagen en voor de eerste helft van 2011 zullen de quota met nog eens 35% ingekrompen worden.
Houdgreep
Dankzij de politiek van tarifering en quotering houdt China de rest van de wereld in een wurgende houdgreep. Hierboven is al vermeld dat de 17 REE’s belangrijk zo niet onmisbaar zijn voor militaire technologie. Het Pentagon is uiteraard allerminst gecharmeerd van het Chinese monopolie. Er zijn ook talloze civiele toepassingen en dat varieert van mobiele telefoons en flat screens tot windturbines, batterijen voor elektrische auto’s en led lampen. Momenteel lijkt het erop dat China een kunstmatige schaarste creëert om zo de prijzen hoog te houden. Voor het ogenblik zijn er geen alternatieven voor handen.
Het openen van nieuwe mijnen of het heropenen van inmiddels gesloten mijnen is geen sinecure en is een kostbare aangelegenheid. Daarnaast is het productieproces erg ingewikkeld en kan het schade toebrengen aan het milieu. Tot voor kort was milieu in China een non-issue. Een wel heel erg grote handicap voor het opnieuw opstarten van het delven en produceren van REE’s is het gebrek aan kennis. De Chinezen domineren niet alleen de fysieke markt voor REE’s maar hebben ook een monopolie op het gebied van kennis en kunde. Het is maar zeer de vraag of de Chinezen graag afstand willen doen van dit monopolie.
De VS en Australië hebben vergevorderde plannen om oude productiefaciliteiten te heropenen. Dat moet in 2012 gaan gebeuren. De infrastructuur van die mijnen is echter (te) oud en er zal naarstig onderzoek gedaan moeten worden om die infrastructuur state of the art te maken. Er moeten kortom nogal wat hordes genomen worden voordat het Chinese monopolie doorbroken kan worden. Het (her)openen van mijnen is een ding, maar het daadwerkelijk delven en produceren is van een heel andere orde. Ingewijden stellen daarom dat het nog wel 5 jaar kan duren voordat er sprake kan zijn van een daadwerkelijke productie. Een alternatief kan zijn het zoeken naar substituten, waar Japan zwaar op inzet. Maar ook hier is het wachten op de eerste technologische doorbraken. Voorlopig blijft China de lakens uitdelen als het om REE’s gaat.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Bijna monopolist
Dit machtsvertoon veroorzaakte een meer dan lichte paniek in politieke, industriële en zelfs militaire kringen. REE’s worden bijvoorbeeld gebruikt in lanceerinstallaties voor raketten, maar zijn ook nodig bij de productie van nachtkijkers.
De Chinese exportstop deed de rest van de wereld beseffen, dat het voor de aanvoer van deze REE’s feitelijk afhankelijk is van de Chinese willekeur. Weliswaar bezit het land minder dan 40% van de geschatte voorraden REE’s, maar het land produceert wel 97% van de gevraagde REE’s. Landen als de VS, Australië en Zuid Afrika beschikken ook over aanzienlijke voorraden REE’s maar hebben de productie ervan alweer jaren terug gestopt.
De oorzaak voor het sluiten van REE mijnen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten was de snel groeiende productie in China vanaf de jaren tachtig in de vorige eeuw. Het was een zwaar gesubsidieerde overproductie die de prijzen op de wereldmarkt deed kelderen en zodoende de concurrentie wegvaagde.
Die overproductie en die lage prijzen zijn waarschijnlijk wel van vitaal belang geweest voor de snelle groei van de Informatie en communicatiesectoren aan het einde van de 20ste eeuw. REE’s kennen veel toepassingen in de ICT industrie, maar dit terzijde.
Quota
Aan het begin van deze eeuw had China een de facto monopolie op de productie van REE’s en het land heeft daar doelbewust gebruik van gemaakt. In 2005 begon het land zijn productie terug te schroeven en voerde het exporttarieven in. Het logische gevolg was dat prijzen begonnen te stijgen. In 2006 kwam de volgende stap. China voerde exportbeperkingen in. De export moest jaarlijks met 5%-10% omlaag. In 2010 deed het land er nog een schepje bovenop door de export quota met maar liefst 40% te verlagen en voor de eerste helft van 2011 zullen de quota met nog eens 35% ingekrompen worden.
Houdgreep
Dankzij de politiek van tarifering en quotering houdt China de rest van de wereld in een wurgende houdgreep. Hierboven is al vermeld dat de 17 REE’s belangrijk zo niet onmisbaar zijn voor militaire technologie. Het Pentagon is uiteraard allerminst gecharmeerd van het Chinese monopolie. Er zijn ook talloze civiele toepassingen en dat varieert van mobiele telefoons en flat screens tot windturbines, batterijen voor elektrische auto’s en led lampen. Momenteel lijkt het erop dat China een kunstmatige schaarste creëert om zo de prijzen hoog te houden. Voor het ogenblik zijn er geen alternatieven voor handen.
Het openen van nieuwe mijnen of het heropenen van inmiddels gesloten mijnen is geen sinecure en is een kostbare aangelegenheid. Daarnaast is het productieproces erg ingewikkeld en kan het schade toebrengen aan het milieu. Tot voor kort was milieu in China een non-issue. Een wel heel erg grote handicap voor het opnieuw opstarten van het delven en produceren van REE’s is het gebrek aan kennis. De Chinezen domineren niet alleen de fysieke markt voor REE’s maar hebben ook een monopolie op het gebied van kennis en kunde. Het is maar zeer de vraag of de Chinezen graag afstand willen doen van dit monopolie.
De VS en Australië hebben vergevorderde plannen om oude productiefaciliteiten te heropenen. Dat moet in 2012 gaan gebeuren. De infrastructuur van die mijnen is echter (te) oud en er zal naarstig onderzoek gedaan moeten worden om die infrastructuur state of the art te maken. Er moeten kortom nogal wat hordes genomen worden voordat het Chinese monopolie doorbroken kan worden. Het (her)openen van mijnen is een ding, maar het daadwerkelijk delven en produceren is van een heel andere orde. Ingewijden stellen daarom dat het nog wel 5 jaar kan duren voordat er sprake kan zijn van een daadwerkelijke productie. Een alternatief kan zijn het zoeken naar substituten, waar Japan zwaar op inzet. Maar ook hier is het wachten op de eerste technologische doorbraken. Voorlopig blijft China de lakens uitdelen als het om REE’s gaat.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Abonneren op:
Posts (Atom)
