Het gaat niet echt goed met de economie van de westerse landen. De groei in de VS vertraagt, zoveel is duidelijk. Gingen economen van diverse pluimage er aan het begin van het jaar nog vanuit, dat de groei van de Amerikaanse economie geleidelijk zou gaan oplopen naar 4% over het eerste haljaar, inmiddels is het verwachtingspatroon gehalveerd: er zit ongeveer 2% in het vat en meer niet. Ook in Europa zien we vertraging. Juist de locomotief van de Europese economie, Duitsland, begint hinder te ondervinden van vertragingen elders. De bange vraag is of de westerse economieën geleidelijk terug glijden in een double dip.
U bent het waarschijnlijk al vergeten, maar pakweg een jaar geleden werd in het westen dezelfde soort discussie gevoerd. Dat werpt de vraag op of er sinds 2008 iets fundamenteels veranderd in de westerse economieën? Kan het zijn dat de cyclus korter is geworden? Immers, nog maar een of twee maanden geleden stond het thema afbouwen van de zogeheten quantative easing centraal. In juni was het nieuwe thema: moet er een QE3 komen?
Statistisch niet significfant
Wordt de cyclus en het daarmee in samenhang gevoerde beleid korter als gevolg van de crisis van 2008. De vraag stellen is ook die proberen te beantwoorden, zo hebben ze bij Goldman Sachs gedacht. Aan de hand van vijf criteria hebben ze geprobeerd vast te stellen of er inderdaad van een fundamentele wijziging in de cyclus sprake is. De voorzichtige uitkomst is,dat de cyclus nu inderdaad anders verloopt dan ‘normaal’, maar dat het te ver voert om van een fundamentele breuk met het verleden. Er zijn verschillen, maar die zijn statistisch niet significant. Bij Goldman constateren ze wel, dat er binnen de huidige cyclus meer ‘ mini cycli’ voorkomen dan vroeger. En juist die mini cycli geven de indruk van een voortdurend hollen of stilstaan’’.
Hollen of stilstaan
Als er sprake is van een regelmatige versnellingen en vertragingen in de groei, welke factoren kunnen hieraan ten grondslag liggen? Goldman wijst op twee mogelijke sets van oorzaken.
Er zijn historische bewijzen dat het moeilijk is om na een huizencrisis gecombineerd met een financiële crisis de vraag uit de private sector te herstellen en in stand te houden. De oorzaak is dat de private sector druk doende is de eigen schuldposities af te bouwen. De vraag stijgt echter voornamelijk door stimuleringsprogramma’s maar zakt in als die programma’s aflopen. De inzakkende groei lokt weer nieuwe stimuleringsprogramma’s uit. Dit zien we nu vooral in de VS gebeuren.
Bovendien zijn in een aantal landen ‘liabilities’ uit de private sector overgeheveld zijn naar de publieke sector. Daardoor verslechtert de balans van de publieke sector en dat maakt het er niet gemakkelijker op stimuleringsprogramma’s draaiende te houden .Tegelijkertijd vraagt het om een maatregelen om het uitgavenpatroon van de publieke sector terug te dringen. Ook deze gang van zaken kan de indruk vestigen van hollen of stilstaan. En dan is er nog het stimulerende monetaire beleid, waardoor geld zo goed als gratis is. Een te lang volhouden van dit beleid kan volgens sommigen of de inflatie opjagen of voor een grote financiële onevenwichtigheden zorgen. In beide gevallen is een land als de VS dan bijzonder kwetsbaar als de groei echt gaat vertragen.
Capaciteitsproblemen
Goldman Sachs wijst ook nog op een tweede set van samenhangende problemen die een ‘normaal’ groeipad in de weg staan en de indruk bevestigen dat de economie steeds sneller vertraagt of versnelt.
Door het herstel van de wereldwijde groei is de druk op de commodity markets weer vergroot. De vraag overtreft weer het aanbod en dat doet bijvoorbeeld de energieprijzen weer snel stijgen, wat weer ten koste gaat van een herstel in de consumptieve vraag. Als het aanbod dan ook nog verstoord dreigt te worden, zoals in het geval van Libië, dan kunnen genoemde factoren de economische groei gemakkelijker verstoren. Tegelijkertijd worstelen andere belangrijke sectoren van de wereldeconomie nog steeds met een grote overcapaciteit.
Wat op sectorniveau geldt, is ook zichtbaar op landenniveau. Vooral zogeheten Opkomende Markten als India, China en Brazilië hebben zo goed als de grenzen van hun productiviteitsgroei bereikt met alle inflatoire gevaren van dien. Die moeten hoe dan ook gesmoord worden, maar dat mag niet ten koste gaan van de groei. Dat laatste is wel het laatste wat de economieën van de Westerse landen kunnen gebruiken. In deze landen is nog veel productiecapaciteit over. Op zich is dit geen wezenlijk unieke situatie. Nieuw is wel het vroegtijdig signaleren en aanpakken van de inflatoire problemen. Ook dit bevestigt opnieuw het hobbelige karakter van het huidige herstel.
Tenslotte
Uiteindelijk gaat de wereldeconomie gebukt onder sterk divigerende posities van landen en sectoren in de cyclus. Het gaat dam vooral om verschillen in positie van de VS en de belangrijke Opkomende Markten en de verschillen tussen de commodity sector en non-commodity sectoren. Dat schept bijzondere problemen. Bij Goldman gebruiken ze het beeld van een economie die met zijn voeten in een vriezer ligt maar met zijn hoofd in een oven. Gemiddeld kan de temperatuur best aardig zijn, maar het moge duidelijk zijn dat de sterk uiteenlopende problemen om specifieke antwoorden vragen. Probeer zo maar eens een eenduidig vraaggericht beleid te ontwikkelen!
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. De auteur schrijft op persoonlijke titel.
Goldman Sachs, are cycles getting shorter? 22 juni 2011
woensdag 29 juni 2011
zondag 19 juni 2011
Nog maar eens Griekenland
De Griekse schuldencrisis laat zich nog het beste vergelijken met een veenbrand. Die is moeilijk te blussen, omdat het vuur ondergronds voortwoekert. Zo kan het vuur op de meest onverwachte momenten op allerlei plaatsen weer oplaaien. Zo is het ook met de Griekse crisis. Daadkrachtig politiek leiderschap ontbreekt, zowel in Griekenland zelf als op Europees niveau, om de crisis daadwerkelijk aan te pakken. En dus steekt het wantrouwen tegen Griekenland op de meest oneigenlijke ogenblikken de kop op, omdat er altijd wel ergens weer een politicus of bankpresident is die wat roept.
Stand van zaken
De problemen van Griekenland en dus Europa zijn groot en laten zich maar lastig oplossen. De schuld van het land bedraagt al 170% van het bruto nationaal product (BNP). De tekorten van het land zijn en blijven hoog. De private sector investeert niet meer en de economie krimpt sneller dan gevreesd. De aanvankelijke oplossing in de vorm van liquiditeitssteun door Europa, gecombineerd met een hervormingsprogramma onder leiding van het IMF is ingehaald door de tijd en werkt niet. Er moet derhalve aan een nieuwe oplossing gesleuteld worden die niet voorbij gaat aan een aantal randvoorwaarden. Zoals de zaken er nu voor staan kan Griekenland onmogelijk zijn schulden aflossen, maar een simpele streep zetten door de schulden is politiek niet te verkopen aan de Europese belastingbetaler. De schuld aan de private sector wegstrepen kan de doodsklap betekenen voor het Griekse bankwezen met alle negatieve uitstralingseffecten van dien. Het is dus laveren tussen wat economisch wenselijk is en politiek haalbaar.
Suggesties
De Brusselse denktank Re-Define deed onlangs in the Financial Times enkele suggesties . Gelet op de omvang van de schulden denkt Re-Define dat een zogeheten haircut onvermijdelijk is. De Europese belastingbetaler zal er immers waarschijnlijk niet veel voor voelen om de benodigde Eur 100 miljard naar Griekenland over te maken. Het gaat erom vast te stellen wat het meest geschikte moment is voor de haircut. De beste oplossing zou zijn om de herstructurering meteen door te voeren, omdat zo er een einde komt aan de onzekerheid op de financiële markten. Dat wil weer niet zeggen dat alle crediteuren even zwaar getroffen moeten worden. De EU-leningen en de steun van de ECB moeten gevrijwaard blijven. Die bijdragen betekenen immers in de praktijk een steuntje in de rug voor de particuliere houder van Griekse staatsschuld. Kernwoord hier is vertrouwen. Ook de banken moeten een preferente status krijgen. Een haircut zou veel banken in grote problemen brengen met alle gevolgen van dien voor Griekenland zelf, maar ook voor de buitenlandse crediteuren. Het beste zou vervolgens zijn het Griekse schuldpapier in handen van de ECB en de Griekse banken om te zetten in nieuwe obligaties tegen de huidige waarde. Dat zou de Griekse schuld verminderen met ongeveer Eur 10 miljard. Herhaalde verzekeringen dat dit schuldpapier niet geherstructureerd zal worden, moet ervoor zorgen dat het publiek er vertrouwen in houdt en dat er geen kapitaalvlucht op gang komt. Een derde stap zou een aanpassen van de Griekse wetgeving moeten zijn om het proces van herstructureren soepel te laten verlopen. Het uiteindelijk doel zou moeten zijn de omvang van de schuld te laten dalen tot beneden 100%. In Brussel denken ze, dat hier de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dat zijn dus vooral de banken in Duitsland en Frankrijk. Die moeten een afwaardering met pakweg 50% goed kunnen verteren. Veel externe houders van Grieks schuldpapier zijn trouwens al doende de waarde van het schuldpapier op hun balans in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid en die komt in de buurt van 50%. Het besmettingsgevaar of de negatieve effecten van de herstructurering zullen daarom sowieso beperkt zijn.
Ierland en Portugal
Tegenstanders van het herstructureren van de Griekse schuld wijzen er graag op dat landen als Ierland en Portugal dan maar wat graag het Griekse scenario willen navolgen. Volgens Re-Define is dat gevaar gemakkelijk te bezweren door als voorwaarde voor herstructurering te bepalen dat de verhouding schuld/bnp groter dan 120% moet zijn en de ratio verplichtingen/bnp hoger dan 6% moet zijn. Op die basis komen Portugal en Ierland niet in aanmerking voor een haircut.
Alle goede plannen en beleidsvoornemens ten spijt, één ding blijft als een paal boven water staan: de Grieken zullen de komende jaren heel hard moeten werken om hun tekorten aan te zuiveren om weer economische groei te bewerkstelligen. Daar is geen gemakkelijke oplossing voor.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft zijn nieuwsbrieven op persoonlijke titel.
Sony Kapoor, a plan to rescue Greece and save the Euro. Financial Times 14 juni 2011
Haircut is het afwaarderen van een obligatie
Stand van zaken
De problemen van Griekenland en dus Europa zijn groot en laten zich maar lastig oplossen. De schuld van het land bedraagt al 170% van het bruto nationaal product (BNP). De tekorten van het land zijn en blijven hoog. De private sector investeert niet meer en de economie krimpt sneller dan gevreesd. De aanvankelijke oplossing in de vorm van liquiditeitssteun door Europa, gecombineerd met een hervormingsprogramma onder leiding van het IMF is ingehaald door de tijd en werkt niet. Er moet derhalve aan een nieuwe oplossing gesleuteld worden die niet voorbij gaat aan een aantal randvoorwaarden. Zoals de zaken er nu voor staan kan Griekenland onmogelijk zijn schulden aflossen, maar een simpele streep zetten door de schulden is politiek niet te verkopen aan de Europese belastingbetaler. De schuld aan de private sector wegstrepen kan de doodsklap betekenen voor het Griekse bankwezen met alle negatieve uitstralingseffecten van dien. Het is dus laveren tussen wat economisch wenselijk is en politiek haalbaar.
Suggesties
De Brusselse denktank Re-Define deed onlangs in the Financial Times enkele suggesties . Gelet op de omvang van de schulden denkt Re-Define dat een zogeheten haircut onvermijdelijk is. De Europese belastingbetaler zal er immers waarschijnlijk niet veel voor voelen om de benodigde Eur 100 miljard naar Griekenland over te maken. Het gaat erom vast te stellen wat het meest geschikte moment is voor de haircut. De beste oplossing zou zijn om de herstructurering meteen door te voeren, omdat zo er een einde komt aan de onzekerheid op de financiële markten. Dat wil weer niet zeggen dat alle crediteuren even zwaar getroffen moeten worden. De EU-leningen en de steun van de ECB moeten gevrijwaard blijven. Die bijdragen betekenen immers in de praktijk een steuntje in de rug voor de particuliere houder van Griekse staatsschuld. Kernwoord hier is vertrouwen. Ook de banken moeten een preferente status krijgen. Een haircut zou veel banken in grote problemen brengen met alle gevolgen van dien voor Griekenland zelf, maar ook voor de buitenlandse crediteuren. Het beste zou vervolgens zijn het Griekse schuldpapier in handen van de ECB en de Griekse banken om te zetten in nieuwe obligaties tegen de huidige waarde. Dat zou de Griekse schuld verminderen met ongeveer Eur 10 miljard. Herhaalde verzekeringen dat dit schuldpapier niet geherstructureerd zal worden, moet ervoor zorgen dat het publiek er vertrouwen in houdt en dat er geen kapitaalvlucht op gang komt. Een derde stap zou een aanpassen van de Griekse wetgeving moeten zijn om het proces van herstructureren soepel te laten verlopen. Het uiteindelijk doel zou moeten zijn de omvang van de schuld te laten dalen tot beneden 100%. In Brussel denken ze, dat hier de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dat zijn dus vooral de banken in Duitsland en Frankrijk. Die moeten een afwaardering met pakweg 50% goed kunnen verteren. Veel externe houders van Grieks schuldpapier zijn trouwens al doende de waarde van het schuldpapier op hun balans in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid en die komt in de buurt van 50%. Het besmettingsgevaar of de negatieve effecten van de herstructurering zullen daarom sowieso beperkt zijn.
Ierland en Portugal
Tegenstanders van het herstructureren van de Griekse schuld wijzen er graag op dat landen als Ierland en Portugal dan maar wat graag het Griekse scenario willen navolgen. Volgens Re-Define is dat gevaar gemakkelijk te bezweren door als voorwaarde voor herstructurering te bepalen dat de verhouding schuld/bnp groter dan 120% moet zijn en de ratio verplichtingen/bnp hoger dan 6% moet zijn. Op die basis komen Portugal en Ierland niet in aanmerking voor een haircut.
Alle goede plannen en beleidsvoornemens ten spijt, één ding blijft als een paal boven water staan: de Grieken zullen de komende jaren heel hard moeten werken om hun tekorten aan te zuiveren om weer economische groei te bewerkstelligen. Daar is geen gemakkelijke oplossing voor.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft zijn nieuwsbrieven op persoonlijke titel.
Sony Kapoor, a plan to rescue Greece and save the Euro. Financial Times 14 juni 2011
Haircut is het afwaarderen van een obligatie
vrijdag 17 juni 2011
Grote overnames voegen wel waarde toe
Het is alweer een hele poos gemeengoed, dat grote overnames geen waarde scheppen, noch voor het overnemende bedrijf, noch voor de aandeelhouders. Sterker nog, grote overnames vernietigen waarde. Grote overnames zouden alleen maar plaatsvinden, omdat veel CEO’s er megalomane ideeën op na houden, zo beweren althans boze tongen. En die boze tongen weten zich gesteund door wetenschappelijk onderzoek dat de uitkomsten van veel M&A’s in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw bestudeerde.
Lessen geleerd
Nieuw onderzoek van grote consultants als Towers Watson en Mckinsey trekt bovenstaande conclusies in twijfel. Er zou een keer ten goede gemaakt zijn in de loop van het afgelopen decennium. Overnames kunnen wel degelijk waarde toevoegen, maar dan moeten bedrijven hun huiswerk wel goed doen en een goede due diligence verrichten. Dat was maar hap snap in de vorige eeuw. Concurrentie door private equity partijen dwong bedrijven op dit punt te professionaliseren. Het onderzoek van Towers wordt ten dele bevestigd door data van KPMG . Die laten zien dat in de periode 2006-07 27% van de M&A’s waarde toevoegde in de 12 maanden na de overname, maar dat 39% waarde vernietigde. In de periode 2007-09 kwamen winst en verlies dichter bij elkaar te liggen: in 31% van de gevallen was er een meetbare waardevermeerdering en in 32% ging de waarde omlaag. Zowel het onderzoek van Towers Watson als de data van KPMG zijn van te recente datum en meten over een te korte tijd om de ver reikende conclusie te trekken, dat M&A op langere termijn een zege is zowel voor de betrokken bedrijven als voor de aandeelhouder.
Meer uitgesproken
De onderzoekers van Towers Watson en KPMG durven niet meer te concluderen, dat de outperformance op de korte termijn een goede indicator is voor de langere termijn. McKinsey is in dit opzicht uitgesprokener . Gemeten over een periode van 2 jaar pakte 50% van de gevallen goed uit voor bedrijf en aandeelhouder. In ongeveer 30% van de bestudeerde M&A’s over de laatste tien jaar waren de uitkomsten zelfs opvallend beter.
Het verschil tussen succes of falen is volgens McKinsey terug te voeren op een juist toegepaste strategie, gebaseerd op het besef dat grote overnames echt risicovol zijn en dat integratie geen vanzelfsprekendheid is. Daarmee mogen grote overnames geen ‘vanzelfsprekendheid’ zijn. Een overname moet op meer gebaseerd zijn dan de due diligence schattingen van een fusie of overname. Dat impliceert dat doelstellingen op het gebied van synergie- en kosteneffecten voortdurend bijgesteld moeten worden. Sterker nog, de doelstellingen, geformuleerd aan de vooravond van de overname, moeten uitgangspunt en vertrekpunt worden voor nieuwe doelstellingen. Is de fusie of overname eenmaal rond, dan moet het ambitieniveau omhoog. Bedrijven moeten op zoek naar nieuwe opportuniteiten op basis van de fusie en dat is anders dan het draaiboek van de fusie uitwerken.
Hier kan de CEO een doorslaggevende rol spelen. Hij moet het team dat verantwoordelijk is voor de volledige implementatie van het M&A traject de vrije hand bieden om inderdaad op zoek te gaan naar de meerwaarde bovenop de eerder geformuleerde doelstellingen. Het is misschien wel de meest bijzondere uitkomst van het McKinsey onderzoek: hoe hoger het ambitieniveau na de overname hoe hoger de kans van slagen.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
FT fm, Takeovers enhance share value, 2 mei 2011
Mckinsey, When big acquisitions pay off, Spring 2011
Lessen geleerd
Nieuw onderzoek van grote consultants als Towers Watson en Mckinsey trekt bovenstaande conclusies in twijfel. Er zou een keer ten goede gemaakt zijn in de loop van het afgelopen decennium. Overnames kunnen wel degelijk waarde toevoegen, maar dan moeten bedrijven hun huiswerk wel goed doen en een goede due diligence verrichten. Dat was maar hap snap in de vorige eeuw. Concurrentie door private equity partijen dwong bedrijven op dit punt te professionaliseren. Het onderzoek van Towers wordt ten dele bevestigd door data van KPMG . Die laten zien dat in de periode 2006-07 27% van de M&A’s waarde toevoegde in de 12 maanden na de overname, maar dat 39% waarde vernietigde. In de periode 2007-09 kwamen winst en verlies dichter bij elkaar te liggen: in 31% van de gevallen was er een meetbare waardevermeerdering en in 32% ging de waarde omlaag. Zowel het onderzoek van Towers Watson als de data van KPMG zijn van te recente datum en meten over een te korte tijd om de ver reikende conclusie te trekken, dat M&A op langere termijn een zege is zowel voor de betrokken bedrijven als voor de aandeelhouder.
Meer uitgesproken
De onderzoekers van Towers Watson en KPMG durven niet meer te concluderen, dat de outperformance op de korte termijn een goede indicator is voor de langere termijn. McKinsey is in dit opzicht uitgesprokener . Gemeten over een periode van 2 jaar pakte 50% van de gevallen goed uit voor bedrijf en aandeelhouder. In ongeveer 30% van de bestudeerde M&A’s over de laatste tien jaar waren de uitkomsten zelfs opvallend beter.
Het verschil tussen succes of falen is volgens McKinsey terug te voeren op een juist toegepaste strategie, gebaseerd op het besef dat grote overnames echt risicovol zijn en dat integratie geen vanzelfsprekendheid is. Daarmee mogen grote overnames geen ‘vanzelfsprekendheid’ zijn. Een overname moet op meer gebaseerd zijn dan de due diligence schattingen van een fusie of overname. Dat impliceert dat doelstellingen op het gebied van synergie- en kosteneffecten voortdurend bijgesteld moeten worden. Sterker nog, de doelstellingen, geformuleerd aan de vooravond van de overname, moeten uitgangspunt en vertrekpunt worden voor nieuwe doelstellingen. Is de fusie of overname eenmaal rond, dan moet het ambitieniveau omhoog. Bedrijven moeten op zoek naar nieuwe opportuniteiten op basis van de fusie en dat is anders dan het draaiboek van de fusie uitwerken.
Hier kan de CEO een doorslaggevende rol spelen. Hij moet het team dat verantwoordelijk is voor de volledige implementatie van het M&A traject de vrije hand bieden om inderdaad op zoek te gaan naar de meerwaarde bovenop de eerder geformuleerde doelstellingen. Het is misschien wel de meest bijzondere uitkomst van het McKinsey onderzoek: hoe hoger het ambitieniveau na de overname hoe hoger de kans van slagen.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
FT fm, Takeovers enhance share value, 2 mei 2011
Mckinsey, When big acquisitions pay off, Spring 2011
Ervaren handjes
(Boodschap)
We leven in verwarrende tijden. Niets lijkt meer zoals het was. Het pensioenakkoord leert, dat werkend Nederland langer moet doorwerken om ons pensioenstelsel in tact te houden. Tegelijkertijd knippen werkgevers nog steeds op grote schaal 50 plussers uit hun bestand van werknemers. Het verhaal wil immers dat de 50 plusser te duur is, niet zo productief en weinig flexibel.
De werkgever kiest liever voor de jeugd. Die is naar verluidt wél flexibel en niet zo duur. De werkgever maakt die keuze met voorbijgaan aan een aantal harde feiten. Het eerste is, dat er steeds minder jeugd de arbeidsmarkt opkomt. Er zijn nu eenmaal minder jongeren dan pakweg 10 jaar geleden. In sectoren als de bouw en de metaal merkt de werkgever al een paar jaar dat jonge vaklieden ronduit schaars zijn. Een tweede hard feit is, dat al geruime tijd de kwaliteit van het onderwijs in dit land achteruit holt. Het maakt niet uit of we het over het beroepsonderwijs hebben, het academisch onderwijs of het middelbaar onderwijs. De daling van de kwaliteit valt niet meer te ontkennen.
De werkgever, die al zijn kaarten zet op jongeren, kiest voor een groeiende schaarste aan talent, kennis en vaardigheden. Daar wegen flexibiliteit en lage kosten niet tegen op. Goede raad is duur, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Een uitzendbureau adverteert al met zijn kaartenbak vol 45 plussers. Die beschikken meestentijds wel over de gevraagde kennis en kunde, aldus dit uitzendbureau. Voila, een nieuwen trend lijkt daarmee geboren.
Sinds 2008 heeft de financiële sector op grote schaal afscheid genomen van haar oudere werknemers. Dat proces gaat tot op de dag van vandaag door, zeker op zulke onderscheiden segmenten als vermogensbeheer, wealthmanagement en research. Het heeft er alle schijn van dat dit proces aan het doorschieten is. De gevolgen laten zich raden. Kennis en kunde drogen onverwacht snel op en dat gaat ten koste van de dienstverlening aan de cliënt. Hoe u dit probleem snel kunt ondervangen? Bel: 06-11918878 of mail naar wijtvlietresearch@hotmail.com voor een nadere kennismaking. Een goed gesprek behoort immers tot de kleine geneugten van het leven.
Tot spoedig,
Cor Wijtvliet
Wijtvliet Research
Mocht u deze manier van benaderen niet bevallen, dan hoor ik dat graag. Dan komt er geen volgende keer.
We leven in verwarrende tijden. Niets lijkt meer zoals het was. Het pensioenakkoord leert, dat werkend Nederland langer moet doorwerken om ons pensioenstelsel in tact te houden. Tegelijkertijd knippen werkgevers nog steeds op grote schaal 50 plussers uit hun bestand van werknemers. Het verhaal wil immers dat de 50 plusser te duur is, niet zo productief en weinig flexibel.
De werkgever kiest liever voor de jeugd. Die is naar verluidt wél flexibel en niet zo duur. De werkgever maakt die keuze met voorbijgaan aan een aantal harde feiten. Het eerste is, dat er steeds minder jeugd de arbeidsmarkt opkomt. Er zijn nu eenmaal minder jongeren dan pakweg 10 jaar geleden. In sectoren als de bouw en de metaal merkt de werkgever al een paar jaar dat jonge vaklieden ronduit schaars zijn. Een tweede hard feit is, dat al geruime tijd de kwaliteit van het onderwijs in dit land achteruit holt. Het maakt niet uit of we het over het beroepsonderwijs hebben, het academisch onderwijs of het middelbaar onderwijs. De daling van de kwaliteit valt niet meer te ontkennen.
De werkgever, die al zijn kaarten zet op jongeren, kiest voor een groeiende schaarste aan talent, kennis en vaardigheden. Daar wegen flexibiliteit en lage kosten niet tegen op. Goede raad is duur, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Een uitzendbureau adverteert al met zijn kaartenbak vol 45 plussers. Die beschikken meestentijds wel over de gevraagde kennis en kunde, aldus dit uitzendbureau. Voila, een nieuwen trend lijkt daarmee geboren.
Sinds 2008 heeft de financiële sector op grote schaal afscheid genomen van haar oudere werknemers. Dat proces gaat tot op de dag van vandaag door, zeker op zulke onderscheiden segmenten als vermogensbeheer, wealthmanagement en research. Het heeft er alle schijn van dat dit proces aan het doorschieten is. De gevolgen laten zich raden. Kennis en kunde drogen onverwacht snel op en dat gaat ten koste van de dienstverlening aan de cliënt. Hoe u dit probleem snel kunt ondervangen? Bel: 06-11918878 of mail naar wijtvlietresearch@hotmail.com voor een nadere kennismaking. Een goed gesprek behoort immers tot de kleine geneugten van het leven.
Tot spoedig,
Cor Wijtvliet
Wijtvliet Research
Mocht u deze manier van benaderen niet bevallen, dan hoor ik dat graag. Dan komt er geen volgende keer.
dinsdag 14 juni 2011
De economische groei vertraagt
De kleur rood domineert alweer enkele weken de borden op de internationale financiële markten. De kleur rood staat symbool voor de overheersende angst, dat het voorlopig gedaan is met de economische wederopstanding van de Verenigde Staten en Europa met alle gevolgen van dien. Is deze groeivertraging een gevolg van tijdelijke problemen (Japan) of is de onderliggende economische kracht op dit moment gewoon zwakker dan gehoopt?
De bronnen voor de vertraging
De eerste schuldige voor de huidige vertraging van de economische groei lijkt de olieprijs. Bij Goldman Sachs hebben ze berekend dat een prijsstijging van 10% de VS 0,2 ppt (procent punt) groei kost in de komende twee jaren. Buiten de VS is het effect van de olieprijs minder groot. Dat neemt niet weg, dat de olieprijs vooral de industriële activiteiten in de VS en daarbuiten remt, maar het is geen afdoende verklaring. Het tempo van de vertraging is veel groter dan op basis van de gestegen olieprijs verklaard kan worden.
Een tweede bron voor de vertraging vormen de gebeurtenissen in Japan. Die hebben een uitstralingseffect gehad naar de rest van de wereld, vooral in de vorm van een verstoring van de supply chain van met name de wereldwijde automobielindustrie. Exporten naar Japan hebben echter amper of niet geleden onder de gevolgen van de aardbeving en de tsunami. De verstoring van de aanvoer van onderdelen voor de automobielindustrie heeft de VS in het tweede kwartaal 2011 waarschijnlijk 0,6 ppt groei gekost, aldus Goldman Sachs. Het ligt voor de hand, dat daarmee de Amerikaanse Index van Inkoopmanagers (ISM) in april en mei negatief beïnvloed is. Echter, er zijn nog weinig bewijzen voor handen dat de negatieve invloed van Japan andere sectoren dan de auto-industrie vergelijkbaar hard getroffen heeft, binnen of buiten de VS.
Volgens Goldman Sachs verklaart de combinatie van Japan en de olieprijs 1,5 ppt van de huidige groeivertraging, die in totaal weleens 2,5 ppt kan bedragen voor de VS. De rest van de wereld lijkt iets minder gevoelig voor bovenstaande combinatie. Dan resteert nog een verklaring voor de resterende 1 ppt. Op basis van de resultaten van de inkoopmanagers indexen in verschillende delen van de wereld komen ze bij Goldman tot de conclusie dat de tegenvallende ontwikkeling van de ISM Index voor de industrie in de VS in het tweede kwartaal een spiegelbeeld is van de onverwacht sterke uitkomsten van die index in het eerste kwartaal. Hetzelfde beeld zien we trouwens ook in het Verenigd Koninkrijk.
De omvang van de vertraging
Op basis van het onderzoek hebben de bankiers de verwachtingen vooral voor de VS fors naar beneden bijgesteld. Eerder heette het dat de VS in het tweede kwartaal van dit jaar een groei zou genereren in de grootte van 3,7%. Daar blijft iets meer dan 1% van over. Het goede nieuws is dat wereldwijd de groei ook terug valt maar minder dan in de VS. Europa (Duitsland) doet het zelfs beter dan verwacht De groeiverwachting voor het tweede kwartaal wordt nu geschat op 3,5% tegen eerder 4%. Aan het begin van 2011 gingen ze bij Goldman nog uit van een wereldwijde groei van 6%. De conclusie mag dan ook luiden dat de VS zowel aanjager van de vertraging is als ook voornaamste slachtoffer.
Maar ook voor de VS is er goed nieuws. In mei heeft de PMI (Index van inkoopmanagers) voor de industrie van Japan een scherpe verbetering laten zien. In juni zou deze index wel eens terug kunnen zijn op het niveau van voor de aardbeving. Dat zou er toe kunnen leiden dat de negatieve bijdrage van Japan in de tweede helft van het jaar omslaat in een positieve. En dan zijn er de eerste voorzichtige tekenen dat de Amerikaanse economie bezig is de negatieve effecten van de olieprijs te verwerken. Dat moet komende tijd blijken uit de ontwikkeling van het consumentenvertrouwen en de ontwikkeling van de werkloosheidscijfers. Die zouden een stabilisatie moeten laten zien in plaats van een verdere verslechtering.
Als de eerste tentatieve cijfers een trend kunnen inzetten, dan zijn ze bij Goldman van mening dat de wereldwijde groei kan terug keren naar 4% of er zelfs iets bovenuit stijgen. Voor de VS zien ze weinig kans op een groei die maar in de buurt komt van 3%. Veel zal echter ook afhangen van China en andere Opkomende Markten. Sommige van deze economieën hebben al in 2010 pas op de plaats gemaakt, maar kunnen nu misschien als eerste naar hun oude groeipad terugkeren. Dat zou goed nieuws zijn voor de Europese Unie, in het bijzonder voor Duitsland dat al zijn mooie spulletjes vooral naar het Oosten stuurt. Misschien moet de belegger de blik ook maar meer oostwaarts dan westwaarts keren. We sluiten af met een verzuchting: voorspellen is moeilijk, daar het de toekomst betreft.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Goldman Sachs, Global Economics weekly, 8 juni 2011
De bronnen voor de vertraging
De eerste schuldige voor de huidige vertraging van de economische groei lijkt de olieprijs. Bij Goldman Sachs hebben ze berekend dat een prijsstijging van 10% de VS 0,2 ppt (procent punt) groei kost in de komende twee jaren. Buiten de VS is het effect van de olieprijs minder groot. Dat neemt niet weg, dat de olieprijs vooral de industriële activiteiten in de VS en daarbuiten remt, maar het is geen afdoende verklaring. Het tempo van de vertraging is veel groter dan op basis van de gestegen olieprijs verklaard kan worden.
Een tweede bron voor de vertraging vormen de gebeurtenissen in Japan. Die hebben een uitstralingseffect gehad naar de rest van de wereld, vooral in de vorm van een verstoring van de supply chain van met name de wereldwijde automobielindustrie. Exporten naar Japan hebben echter amper of niet geleden onder de gevolgen van de aardbeving en de tsunami. De verstoring van de aanvoer van onderdelen voor de automobielindustrie heeft de VS in het tweede kwartaal 2011 waarschijnlijk 0,6 ppt groei gekost, aldus Goldman Sachs. Het ligt voor de hand, dat daarmee de Amerikaanse Index van Inkoopmanagers (ISM) in april en mei negatief beïnvloed is. Echter, er zijn nog weinig bewijzen voor handen dat de negatieve invloed van Japan andere sectoren dan de auto-industrie vergelijkbaar hard getroffen heeft, binnen of buiten de VS.
Volgens Goldman Sachs verklaart de combinatie van Japan en de olieprijs 1,5 ppt van de huidige groeivertraging, die in totaal weleens 2,5 ppt kan bedragen voor de VS. De rest van de wereld lijkt iets minder gevoelig voor bovenstaande combinatie. Dan resteert nog een verklaring voor de resterende 1 ppt. Op basis van de resultaten van de inkoopmanagers indexen in verschillende delen van de wereld komen ze bij Goldman tot de conclusie dat de tegenvallende ontwikkeling van de ISM Index voor de industrie in de VS in het tweede kwartaal een spiegelbeeld is van de onverwacht sterke uitkomsten van die index in het eerste kwartaal. Hetzelfde beeld zien we trouwens ook in het Verenigd Koninkrijk.
De omvang van de vertraging
Op basis van het onderzoek hebben de bankiers de verwachtingen vooral voor de VS fors naar beneden bijgesteld. Eerder heette het dat de VS in het tweede kwartaal van dit jaar een groei zou genereren in de grootte van 3,7%. Daar blijft iets meer dan 1% van over. Het goede nieuws is dat wereldwijd de groei ook terug valt maar minder dan in de VS. Europa (Duitsland) doet het zelfs beter dan verwacht De groeiverwachting voor het tweede kwartaal wordt nu geschat op 3,5% tegen eerder 4%. Aan het begin van 2011 gingen ze bij Goldman nog uit van een wereldwijde groei van 6%. De conclusie mag dan ook luiden dat de VS zowel aanjager van de vertraging is als ook voornaamste slachtoffer.
Maar ook voor de VS is er goed nieuws. In mei heeft de PMI (Index van inkoopmanagers) voor de industrie van Japan een scherpe verbetering laten zien. In juni zou deze index wel eens terug kunnen zijn op het niveau van voor de aardbeving. Dat zou er toe kunnen leiden dat de negatieve bijdrage van Japan in de tweede helft van het jaar omslaat in een positieve. En dan zijn er de eerste voorzichtige tekenen dat de Amerikaanse economie bezig is de negatieve effecten van de olieprijs te verwerken. Dat moet komende tijd blijken uit de ontwikkeling van het consumentenvertrouwen en de ontwikkeling van de werkloosheidscijfers. Die zouden een stabilisatie moeten laten zien in plaats van een verdere verslechtering.
Als de eerste tentatieve cijfers een trend kunnen inzetten, dan zijn ze bij Goldman van mening dat de wereldwijde groei kan terug keren naar 4% of er zelfs iets bovenuit stijgen. Voor de VS zien ze weinig kans op een groei die maar in de buurt komt van 3%. Veel zal echter ook afhangen van China en andere Opkomende Markten. Sommige van deze economieën hebben al in 2010 pas op de plaats gemaakt, maar kunnen nu misschien als eerste naar hun oude groeipad terugkeren. Dat zou goed nieuws zijn voor de Europese Unie, in het bijzonder voor Duitsland dat al zijn mooie spulletjes vooral naar het Oosten stuurt. Misschien moet de belegger de blik ook maar meer oostwaarts dan westwaarts keren. We sluiten af met een verzuchting: voorspellen is moeilijk, daar het de toekomst betreft.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Goldman Sachs, Global Economics weekly, 8 juni 2011
maandag 6 juni 2011
Spanje, minder solide dan het lijkt
Spanje, minder solide dan het lijkt
In de beschouwingen over de schuldencrisis valt de naam van Spanje niet zo vaak. De kans dat dit land zijn schulden niet kan of zal afbetalen lijkt niet zo groot. De Spaanse overheid probeert tot dusverre met redelijk succes het beeld te scheppen dat Spanje zijn financiële problemen dankzij fors ingrijpen weer op orde heeft. Naderde het overheidstekort in 2010 nog de 10%, in 2011 zal dit tekort alweer in de buurt van 6% komen.
Schijn bedriegt
En dus lijkt er weinig reden voor paniek of zelfs maar bezorgdheid als het om Spanje gaat. De overheidstekorten dalen en alleen het bankwezen van de tweede garnituur geeft nog reden tot alertheid. Mooi toch?! De werkelijkheid blijkt echter keer op keer een veelkoppig monster. De centrale overheid mag dan claimen haar financiële zaakjes op orde te hebben, dat geldt echter niet voor de talrijke regio’s van Spanje. In een recent rapport doet de econoom Lorenze Bernaldo de Quiros hierover een boekje open. Tussen 2008 en 2010 hebben de 17 autonome regio’s hun schulden verdubbeld tot Euro 115 miljard. Lokale en stedelijke overheden hebben in diezelfde periode hun gezamenlijke schulden laten oplopen tot Euro 35 miljard.
Als je deze groeiende tekorten voegt bij de schuld van de centrale overheid van Euro 488 miljard, dan lijkt er weer wel reden tot zorg. Maar daar houdt het verhaal nog niet op. Er zijn ook nog 5200 bedrijven en instellingen in bezit van steden en regio’s, die hun schulden stevig hebben laten oplopen. Het gaat volgens Lorenzo Bernaldo om een bedrag van Euro 26,4 miljard dat niet in de officiële statistieken hoeft te worden opgenomen. Politici van elke denkbare kleur hebben daarom de afgelopen jaren zoveel mogelijk van deze publieke bedrijven opgericht om zo hun wanbeleid te financieren. Daar stokt de Spaanse vindingrijkheid niet om wanbeleid en alsmaar stijgende schulden in de regio’s te verbloemen. Die regio’s hebben zich ook tot wanbetalers ontwikkeld. Ziekenhuizen die onder publiek bestuur staan, hebben hun rekeningen aan de farmaceutische industrie niet betaald en die onbetaalde rekeningen voegen nog eens ruim Euro 4,2 miljard aan de schulden toe. Schijn bedriegt dus. Het probleem is volgens Leonardo Bernaldo dat de Spaanse regio er de afgelopen 35 jaar niet in geslaagd is de schuldgroei te stabiliseren, laat staan terug te dringen ondanks een positief economisch klimaat. Dus mag het geen verbazing wekken dat in tijden van crisis en economische neergang schulden exploderen. Nog kwalijker is het dat regionale politici en beleidsmakers pogen de schuldexplosie te verdoezelen.
Al is de leugen nog zo snel
Hoewel de regio’s hun best hebben gedaan de ware omvang van hun schulden onder het tapijt te moffelen, zijn de financiële markten in de afgelopen maanden toch wantrouwiger geworden. Dat blijkt uit het oplopen van de risicopremie. De regio’s moeten veel meer voor hun leningen betalen dan bijvoorbeeld de centrale Spaanse overheid. Dat was vroeger, in de goede oude tijd trouwens ook al zo. Dat verschil varieerde van 0.40 tot 0.80 basispunten extra. Recentelijk is de risicopremie voor de regio’s scherp opgelopen tot 350 à 450 basispunten bovenop de Deutsche Bund (10 jaar Staat) die fungeert als benchmark. De Spaanse regering zelf moet tussen 186 en 290 basispunten extra betalen.
Tenslotte
Het soort nieuws dat nu uit de regio naar buiten komt, kan fnuikend blijken voor Spanje. Het huidige beeld van degelijk en bekwaam financieel beleid komt meer en meer onder druk te staan. Dat kan het wantrouwen bij geldschieters voeden, wat weer kan uitmonden in hogere vergoedingen voorleningen en kredieten uit het buitenland. Hogere interestlasten kunnen de regering dwingen meer te bezuinigen. Of dat laatste lukt, is nog maar zeer de vraag. De jongeren weigeren nu nog langer mee te werken en eisen hervormingen van het politieke en economische systeem. Oplopende politieke spanningen kunnen het internationaal vertrouwen nog verder ondermijnen. Spanje dreigt dan terecht te komen in een neerwaartse spiraal. Dat is geen goed nieuws voor Spanje, maar evenmin voor de rest van Europa. De huidige veenbrand kan zomaar een uitslaande brand worden met als voornaamste slachtoffers de euro en de economische groei in de euregio.
In de beschouwingen over de schuldencrisis valt de naam van Spanje niet zo vaak. De kans dat dit land zijn schulden niet kan of zal afbetalen lijkt niet zo groot. De Spaanse overheid probeert tot dusverre met redelijk succes het beeld te scheppen dat Spanje zijn financiële problemen dankzij fors ingrijpen weer op orde heeft. Naderde het overheidstekort in 2010 nog de 10%, in 2011 zal dit tekort alweer in de buurt van 6% komen.
Schijn bedriegt
En dus lijkt er weinig reden voor paniek of zelfs maar bezorgdheid als het om Spanje gaat. De overheidstekorten dalen en alleen het bankwezen van de tweede garnituur geeft nog reden tot alertheid. Mooi toch?! De werkelijkheid blijkt echter keer op keer een veelkoppig monster. De centrale overheid mag dan claimen haar financiële zaakjes op orde te hebben, dat geldt echter niet voor de talrijke regio’s van Spanje. In een recent rapport doet de econoom Lorenze Bernaldo de Quiros hierover een boekje open. Tussen 2008 en 2010 hebben de 17 autonome regio’s hun schulden verdubbeld tot Euro 115 miljard. Lokale en stedelijke overheden hebben in diezelfde periode hun gezamenlijke schulden laten oplopen tot Euro 35 miljard.
Als je deze groeiende tekorten voegt bij de schuld van de centrale overheid van Euro 488 miljard, dan lijkt er weer wel reden tot zorg. Maar daar houdt het verhaal nog niet op. Er zijn ook nog 5200 bedrijven en instellingen in bezit van steden en regio’s, die hun schulden stevig hebben laten oplopen. Het gaat volgens Lorenzo Bernaldo om een bedrag van Euro 26,4 miljard dat niet in de officiële statistieken hoeft te worden opgenomen. Politici van elke denkbare kleur hebben daarom de afgelopen jaren zoveel mogelijk van deze publieke bedrijven opgericht om zo hun wanbeleid te financieren. Daar stokt de Spaanse vindingrijkheid niet om wanbeleid en alsmaar stijgende schulden in de regio’s te verbloemen. Die regio’s hebben zich ook tot wanbetalers ontwikkeld. Ziekenhuizen die onder publiek bestuur staan, hebben hun rekeningen aan de farmaceutische industrie niet betaald en die onbetaalde rekeningen voegen nog eens ruim Euro 4,2 miljard aan de schulden toe. Schijn bedriegt dus. Het probleem is volgens Leonardo Bernaldo dat de Spaanse regio er de afgelopen 35 jaar niet in geslaagd is de schuldgroei te stabiliseren, laat staan terug te dringen ondanks een positief economisch klimaat. Dus mag het geen verbazing wekken dat in tijden van crisis en economische neergang schulden exploderen. Nog kwalijker is het dat regionale politici en beleidsmakers pogen de schuldexplosie te verdoezelen.
Al is de leugen nog zo snel
Hoewel de regio’s hun best hebben gedaan de ware omvang van hun schulden onder het tapijt te moffelen, zijn de financiële markten in de afgelopen maanden toch wantrouwiger geworden. Dat blijkt uit het oplopen van de risicopremie. De regio’s moeten veel meer voor hun leningen betalen dan bijvoorbeeld de centrale Spaanse overheid. Dat was vroeger, in de goede oude tijd trouwens ook al zo. Dat verschil varieerde van 0.40 tot 0.80 basispunten extra. Recentelijk is de risicopremie voor de regio’s scherp opgelopen tot 350 à 450 basispunten bovenop de Deutsche Bund (10 jaar Staat) die fungeert als benchmark. De Spaanse regering zelf moet tussen 186 en 290 basispunten extra betalen.
Tenslotte
Het soort nieuws dat nu uit de regio naar buiten komt, kan fnuikend blijken voor Spanje. Het huidige beeld van degelijk en bekwaam financieel beleid komt meer en meer onder druk te staan. Dat kan het wantrouwen bij geldschieters voeden, wat weer kan uitmonden in hogere vergoedingen voorleningen en kredieten uit het buitenland. Hogere interestlasten kunnen de regering dwingen meer te bezuinigen. Of dat laatste lukt, is nog maar zeer de vraag. De jongeren weigeren nu nog langer mee te werken en eisen hervormingen van het politieke en economische systeem. Oplopende politieke spanningen kunnen het internationaal vertrouwen nog verder ondermijnen. Spanje dreigt dan terecht te komen in een neerwaartse spiraal. Dat is geen goed nieuws voor Spanje, maar evenmin voor de rest van Europa. De huidige veenbrand kan zomaar een uitslaande brand worden met als voornaamste slachtoffers de euro en de economische groei in de euregio.
Abonneren op:
Posts (Atom)
