De rente zit weer in de lift en niet zo’n beetje ook. Het gebeurt hier in Europa en het geschiedt in de VS. Hoe laten deze stijgingen zich verklaren en wat kan het betekenen voor 2011?
Schuldenproblematiek
In dit deel van de wereld stijgt de rente onder druk van de aanhoudende schuldperikelen. Kredietbeoordelaars Moody’s en S&P hebben alleen al in december de rating verlaagd van landen als Griekenland, Ierland en Portugal. Dat is op zich geen verrassing, maar de beoordelaars werpen hun netten steeds verder en breder. Spanje ligt al een tijdje in de vuurlinie, evenals Italië. Die landen gelden al langer als potentiële probleemlanden. Nieuwe probleemgevallen blijven zich aandienen, hoezeer de EU ook eenheid en vastbeslotenheid tracht uit te stralen om het schuldenprobleem te lijf te gaan. De laatste weken richt het wantrouwen van de obligatiemarkten zich op België. Het land probeert nu al bijna een jaar een regering te vormen, maar er is nog geen begin van een oplossing in zicht. België heeft redelijk greep op zijn schulden, maar de politieke verlamming maakt het bijna onmogelijk om de juiste maatregelen te nemen ter bestrijding van de economische crisis. En dus straffen de obligatiemarkten het land voor zijn besluiteloosheid.
Gebrek aan leiderschap
Het laatste nieuws is echter, dat nu ook Oostenrijk en Frankrijk in de frontlijn komen te liggen. Het is een publiek geheim dat de Oostenrijkse banken dè grote kredietverschaffers zijn geweest aan de ‘nieuwe landen’ in Midden en Oost-Europa. Hoewel de meeste ‘nieuwe landen’ drastische stappen hebben genomen om hun schulden onder controle te krijgen, blijft het onzeker inhoeverre de Oostenrijkse banken hun geld terug zullen krijgen. De Franse banken hebben hetzelfde probleem. Ook zij hebben veel uitgeleend aan zogeheten perifere landen. Daarnaast mogen de Franse overheidsschulden er ook zijn. Die zijn traditioneel hoog, omdat de Franse overheid van oudsher een dominante rol speelt in de economie. De Franse overheid is goed voor meer dan 60% van het BNP.
Hoe zal het verder gaan? Dat laat zich moeilijk voorspellen. Het is al vaker opgemerkt! Europa heeft weliswaar een schuldenprobleem, maar het heeft vooral een geloofwaardigheidsprobleem. De Europese politieke elite is in 2010 niet in staat gebleken om eensgezind en slagvaardig over te komen. In 2011 zal veel afhangen van de opstelling van Duitsland. Frau Merkel heeft zich in 2010 allereerst geprofileerd als belangenbehartiger van de Duitse belastingbetaler. Duitsland zal in 2011 niet alleen economisch, maar ook politiek de locomotief van Europa moeten zijn. Weigert Duitsland deze rol, dan zullen meer en meer lidstaten gedwongen worden een hogere vergoeding te betalen voor hun schatkistpapier. Speculaties rondom het voortbestaan van de EU zullen hierbij een doorslaggevende rol spelen.
Gebrek aan discipline
Ook in de VS schieten de rentetarieven voor schatkistpapier de lucht in. In tegenstelling tot Europa laat het zich hier moeilijker raden wat de oorzaken zijn voor de snelle stijging. Het ligt voor de hand te wijzen op het totale gebrek aan begrotingsdiscipline van de regering Obama. Daar staat echter tegenover dat de dollar niet wegzakt en dat de aandelenmarkten blijven oplopen. Het zou ook een uiting kunnen zijn van inflatievrees, maar de trends op de zogeheten TIPS markt geven daar geen aanleiding toe. (TIPS staat voor: treasury inflation indexed securities). Ook inflatieverwachtingen geven geen afdoende verklaring voor de aanhoudende rentestijging. Het kan ook zijn dat de rentestijging aangeeft dat er geen verdere ‘quantitative easing’ door de FED niet gewenst is. Het s nog maar zeer de vraag of de FED zich hier iets van zal aantrekken bij het bepalen van het noodzakelijk beleid.
It’s the economy stupid
Er is echter nog een andere verklaring voor de sterke rentestijging sinds oktober. It’s the economy, stupid! Het zou best eens kunnen dat de ‘dip’ in het midden van 2010 geen voorbode was van verdere negatieve ontwikkelingen, maar slechts een eenmalige onderbreking van geleidelijk beter economisch nieuws. Sinds november is dat nieuws aanmerkelijk beter geworden met uitzondering van de werkgelegenheidscijfers over die maand. In dat geval zou het best eens kunnen zijn, dat de oplopende renteniveaus een een eerste bewijs zijn van beter economisch nieuws over 2011 en naar meer ‘normale’ verhoudingen.
Wat zodat kunnen inhouden: meer normale verhoudingen? Wat betekent dan een renteniveau van 5% op 10jaars treasuries? In de goede oude tijd, u weet wel van vòòr 2008, zou dat een niveau van inflatie inhouden van ongeveer 2% en een reële economische groei van 3%. Dat is iets waar bijna iedereen reikhalzend naar uitkijkt! Het zou betekenen dat bedrijven eindelijk hun enorme kasposities voor investeringen gaan aanwenden en banken weer meer krediet gaan verlenen. Een sterk herstel in de VS is altijd goed voor de rest van de wereld.
Na enkele jaren van aanhoudend slecht nieuws, is het wennen aan het idee dat het wel eens beter kan worden.
maandag 20 december 2010
dinsdag 14 december 2010
Pas op: de rente gaat omhoog
De kredietcrisis van 2008/09 is waarschijnlijk de apotheose en het eindpunt van drie decennia van alsmaar dalende rente en van alsmaar goedkoper geld. Althans, dat zijn ze van mening bij McKinsey Global Institute . Het instituut zet vraagtekens bij de huidige opvatting dat lage rente de nieuwe norm is. Die lage rente is veeleer het gevolg van de economische zwakte van de ontwikkelde landen en het stimulerend beleid van de centrale banken.
Lage investeringsgraad
Wat zijn de gronden voor een mogelijke rentestijging in de komende jaren. McKinsey wijst als belangrijkste oorzaak naar veranderingen in de langjarige trend van sparen en investeren in de wereld. Sinds de jaren 70 van de vorige eeuw is het niveau van de investeringen in de ontwikkelde economieën in het westen gestaag gedaald. Dat gaat om enorme bedragen. Tussen 1980 en 2010 is er $ 20 biljoen minder geïnvesteerd dan bij gelijkblijvend niveau het geval was geweest. Dat niet geïnvesteerde bedrag is gelijk aan het gezamenlijk BNP van de VS en Japan. De verminderde vraag naar kapitaal deed de rente dalen. Het was dus niet een overschot aan besparingen. Integendeel, tussen de jaren 70 van de vorige eeuw en 2002 daalden de private besparingen als percentage van het Bruto Nationaal Product in de ontwikkelde economieën.
De verminderde investeringsbehoefte in het Westen is deels terug te voeren op het gegeven dat in de jaren zestig de naoorlogse herstelperiode ten einde liep. Daarmee kwam ook een einde aan de investeringsboom. Met het ten einde lopen van die boom kwam de reële economische groei van het BNP in een lagere versnelling terecht.
Een nieuw investeringsgolf
Cijfers tonen aan dat aan het dalend niveau van investeringen een einde is gekomen. Tussen 2002 en 2008 steeg het niveau van investeringen als percentage van het wereldwijde BNP van 20,8%v naar 23,7%. Daarmee zijn we nog behoorlijk ver verwijderd van het percentage van 26,1% dat in de jaren 70 gehaald werd.
De hernieuwde vraag komt (uiteraard) niet uit het Westen, maar vanuit de opkomende markten. Het herstel van de afgelopen jaren was in eerste instantie vooral te danken aan de opflakkerende vraag naar kapitaal in India en China. In het kielzog van deze landen begint zich ook een vraag af te tekenen in andere opkomende markten. Gelet op de verhoudingsgewijs nog geringe kapitaalsaccumulatie is het dus goed denkbaar dat de nieuwe investeringsboom de komende decennia aan kracht en omvang zal winnen. Het zal wel geleidelijk gaan, die ontwikkeling. McKinsey verwacht dat pas in 2030 de wereldwijde investeringsbehoefte groter is dan 25% van het BNP. Het gaat dan om het lieve sommetje van $ 24 biljoen, tegen $ 11 biljoen vandaag de dag. Natuurlijk hangen deze bedragen samen met het niveau van de verwachte economische groei.
Minder besparingen
Omdat de Opkomende Markten het leeuwendeel voor hun rekening gaan nemen, verandert ook de investeringsmix. De komende decennia zullen er grote bedragen vloeien naar infrastructuur en onroerend goed. Tegen 2030 gaat er jaarlijks een bedrag van $ 4 biljoen naar verbetering van de infrastructuur en $ 5 miljard naar zaken als woningbouw.
Terwijl de behoefte aan kapitaal in de komende 20 jaar blijft stijgen, dalen wereldwijd de besparingen. Daar zijn meerdere oorzaken voor aan te wijzen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat een land als China geleidelijk gaat ontsparen. Het beleid van de overheid is er op om de binnenlandse consumptie te stimuleren. China is wereldwijd de grootste bron van besparingen. Die lopen op tot 53% van het BNP.
En dan gaat komende jaren de vergrijzing in grote delen van de wereld een steeds prominentere rol spelen. Kosten voor gezondheidszorg, pensionering en andere aan vergrijzing gerelateerde diensten zullen fors omhoog gaan en zullen het proces van wereldwijde ontsparing beïnvloeden. Volgens het consensusscenario zullen tegen 2030 besparingen $ 2,4 biljoen tekort schieten ten opzichte van gevraagde investeringen. Kapitaal zal dus duurder worden. Sommige investeringen zullen niet plaatsvinden.
De gevolgen van een stijgende rente
Als het hierboven geschetst scenario werkelijkheid wordt, dan is een stijging van de rente onvermijdelijk. De vraag is wanneer dit proces gaat beginnen. Volgens het scenario is er tegen 2020 een duidelijke kloof tussen besparingen en investeringen. Het is aannemelijk dat financiële markten eerder zullen reageren op de komende structurele veranderingen. De lange rente zal dus eerder gaan stijgen. McKinsey gaat ervan uit dat dit proces rond 2015 kan aanvangen.
De structurele stijging van de lange rente heeft voor veel partijen grote gevolgen. Om er maar eens enkele te noemen: krediet wordt duur voor bedrijven. De productiviteit moet omhoog om investeringen mogelijk te maken. Als bankkrediet duur wordt, dan kunnen financiële markten hiervan profiteren. Beleggers zullen in eerste instantie de neiging hebben om de obligatiemarkt links te laten liggen. De aanhoudende stijging van de reële rente maakt de obligaties op den duur aantrekkelijker dan in de jaren van goedkoop geld. Dat zal ten koste gaan van aandelenmarkten. Overheden zien zich voor een dubbele taak geplaatst: het bestrijden van de economische en financiële malaise. Tegelijkertijd moeten ze een beleid uitstippelen voor een periode waarin besparingen laag zijn en de vraag naar kapitaal groot. Tekorten kunnen hardnekkig groot worden. Pensioenfondsen, tenslotte, zullen een probleem minder hebben.
Terzijde
De huidige stijging van de lange rente in de VS en de EU staat los van het beschreven proces. Dat is veeleer de uitkomst van onzekerheid over de financieel-economische situatie in Europa en de VS.
McKinsey Global Institute, Farewell to cheap Capital? The implications of long-term shifts in global investments and savings. McKinsey & Company 2010
Lage investeringsgraad
Wat zijn de gronden voor een mogelijke rentestijging in de komende jaren. McKinsey wijst als belangrijkste oorzaak naar veranderingen in de langjarige trend van sparen en investeren in de wereld. Sinds de jaren 70 van de vorige eeuw is het niveau van de investeringen in de ontwikkelde economieën in het westen gestaag gedaald. Dat gaat om enorme bedragen. Tussen 1980 en 2010 is er $ 20 biljoen minder geïnvesteerd dan bij gelijkblijvend niveau het geval was geweest. Dat niet geïnvesteerde bedrag is gelijk aan het gezamenlijk BNP van de VS en Japan. De verminderde vraag naar kapitaal deed de rente dalen. Het was dus niet een overschot aan besparingen. Integendeel, tussen de jaren 70 van de vorige eeuw en 2002 daalden de private besparingen als percentage van het Bruto Nationaal Product in de ontwikkelde economieën.
De verminderde investeringsbehoefte in het Westen is deels terug te voeren op het gegeven dat in de jaren zestig de naoorlogse herstelperiode ten einde liep. Daarmee kwam ook een einde aan de investeringsboom. Met het ten einde lopen van die boom kwam de reële economische groei van het BNP in een lagere versnelling terecht.
Een nieuw investeringsgolf
Cijfers tonen aan dat aan het dalend niveau van investeringen een einde is gekomen. Tussen 2002 en 2008 steeg het niveau van investeringen als percentage van het wereldwijde BNP van 20,8%v naar 23,7%. Daarmee zijn we nog behoorlijk ver verwijderd van het percentage van 26,1% dat in de jaren 70 gehaald werd.
De hernieuwde vraag komt (uiteraard) niet uit het Westen, maar vanuit de opkomende markten. Het herstel van de afgelopen jaren was in eerste instantie vooral te danken aan de opflakkerende vraag naar kapitaal in India en China. In het kielzog van deze landen begint zich ook een vraag af te tekenen in andere opkomende markten. Gelet op de verhoudingsgewijs nog geringe kapitaalsaccumulatie is het dus goed denkbaar dat de nieuwe investeringsboom de komende decennia aan kracht en omvang zal winnen. Het zal wel geleidelijk gaan, die ontwikkeling. McKinsey verwacht dat pas in 2030 de wereldwijde investeringsbehoefte groter is dan 25% van het BNP. Het gaat dan om het lieve sommetje van $ 24 biljoen, tegen $ 11 biljoen vandaag de dag. Natuurlijk hangen deze bedragen samen met het niveau van de verwachte economische groei.
Minder besparingen
Omdat de Opkomende Markten het leeuwendeel voor hun rekening gaan nemen, verandert ook de investeringsmix. De komende decennia zullen er grote bedragen vloeien naar infrastructuur en onroerend goed. Tegen 2030 gaat er jaarlijks een bedrag van $ 4 biljoen naar verbetering van de infrastructuur en $ 5 miljard naar zaken als woningbouw.
Terwijl de behoefte aan kapitaal in de komende 20 jaar blijft stijgen, dalen wereldwijd de besparingen. Daar zijn meerdere oorzaken voor aan te wijzen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat een land als China geleidelijk gaat ontsparen. Het beleid van de overheid is er op om de binnenlandse consumptie te stimuleren. China is wereldwijd de grootste bron van besparingen. Die lopen op tot 53% van het BNP.
En dan gaat komende jaren de vergrijzing in grote delen van de wereld een steeds prominentere rol spelen. Kosten voor gezondheidszorg, pensionering en andere aan vergrijzing gerelateerde diensten zullen fors omhoog gaan en zullen het proces van wereldwijde ontsparing beïnvloeden. Volgens het consensusscenario zullen tegen 2030 besparingen $ 2,4 biljoen tekort schieten ten opzichte van gevraagde investeringen. Kapitaal zal dus duurder worden. Sommige investeringen zullen niet plaatsvinden.
De gevolgen van een stijgende rente
Als het hierboven geschetst scenario werkelijkheid wordt, dan is een stijging van de rente onvermijdelijk. De vraag is wanneer dit proces gaat beginnen. Volgens het scenario is er tegen 2020 een duidelijke kloof tussen besparingen en investeringen. Het is aannemelijk dat financiële markten eerder zullen reageren op de komende structurele veranderingen. De lange rente zal dus eerder gaan stijgen. McKinsey gaat ervan uit dat dit proces rond 2015 kan aanvangen.
De structurele stijging van de lange rente heeft voor veel partijen grote gevolgen. Om er maar eens enkele te noemen: krediet wordt duur voor bedrijven. De productiviteit moet omhoog om investeringen mogelijk te maken. Als bankkrediet duur wordt, dan kunnen financiële markten hiervan profiteren. Beleggers zullen in eerste instantie de neiging hebben om de obligatiemarkt links te laten liggen. De aanhoudende stijging van de reële rente maakt de obligaties op den duur aantrekkelijker dan in de jaren van goedkoop geld. Dat zal ten koste gaan van aandelenmarkten. Overheden zien zich voor een dubbele taak geplaatst: het bestrijden van de economische en financiële malaise. Tegelijkertijd moeten ze een beleid uitstippelen voor een periode waarin besparingen laag zijn en de vraag naar kapitaal groot. Tekorten kunnen hardnekkig groot worden. Pensioenfondsen, tenslotte, zullen een probleem minder hebben.
Terzijde
De huidige stijging van de lange rente in de VS en de EU staat los van het beschreven proces. Dat is veeleer de uitkomst van onzekerheid over de financieel-economische situatie in Europa en de VS.
McKinsey Global Institute, Farewell to cheap Capital? The implications of long-term shifts in global investments and savings. McKinsey & Company 2010
dinsdag 7 december 2010
Is de Eurozone nog te redden?
In de periode 2007-2009 leende de FED, het stelsel van centrale banken in de VS, het lieve sommetje uit van USD 3,3 biljoen aan banken en bedrijven binnen en buiten de VS. Miljarden en nog eens miljarden werden uitgeleend tegen vaak waardeloos onderpand en tegen een minimale rentevergoeding van soms slechts 1%. Het was een uiterst riskante operatie, maar anno 2010 zijn de meeste leningen terug betaald. De FED heeft zich de afgelopen jaren bij herhaling bereid getoond talloos veel miljarden in de economie te pompen om die gaande te houden en om het spook van deflatie buiten de deur te houden.
Europese verlammingsverschijnselen
In Europa is de Amerikaanse daadkracht met de nodige scepsis bekeken. De ongebreidelde geldschepping en het laten oplopen van de overheidstekorten moeten wel tot rampen leiden in de vorm van een omhoog schieten van de inflatie en het ineenstorten van de dollar.
Aan het einde van 2010 moeten we concluderen dat Europa voor zijn beurt heeft gesproken. Weliswaar zijn de effecten van de kredietcrisis in de VS nog dagelijks merkbaar in de vorm van een halsstarrig hoge werkloosheid, maar economisch bezien is de VS verder. De financiële sector is duidelijk aan de beterende hand en de bedrijven zijn in een puike conditie. Voor Europa geldt, dat de bedrijvensector gezond is, maar dat er veel onduidelijkheid is over de kwaliteit van de financiële sector. Het probleem dat echter de meeste aandacht vraagt is de kwetsbaarheid van de overheidsfinanciën van een groeiend aantal EU-lidstaten. Die kwetsbaarheid is deels het gevolg van het onvermogen van de Europese politieke elite om over de eigen schaduw van het vermeende nationale belang heen te springen, maar is ook deels het gevolg van weeffouten in de huidige monetaire unie. Het gevolg tot nu toe zijn een schrijnend gebrek aan daadkracht en verlamming in de besluitvorming.
Weeffouten
Volgens Martin Wolf van the Financial Times draagt een monetaire unie het zaad in zich van een kredietcrisis. Dat is voor een deel terug te voeren op de uiteenlopende relatieve kosten die leiden tot structurele onevenwichtigheden in handelsbalansen van de lidstaten. Die onevenwichtigheid leidt op den duur tot tekorten bij de minder competitieve landen. Die moeten kapitaal importeren ter bestrijding van de onevenwichtigheden. Als de externe leningen via het bankenstelsel verlopen, dan zal op den duur een financiële crisis ontstaan zoals in Ierland. Het kan ook de staat zijn die leent en dan groeit er een crisis in de overheidsfinanciën zoals in Griekenland.
En dan is er nog het verschijnsel van de zeer lage rente gecombineerd met een beperkte vraag naar kapitaal in de kernlanden van de eurozone. Dat vertaalde zich in een aantal perifere lidstaten in een bubbel van de prijzen van vermogenstitels en in een kredietbubbel uitmondend in een overspannen huizenmarkt. De gevolgen zijn bekend: het financiële systeem implodeerde, de economie klapte ineen en de overheidsfinanciën veranderden in een puree. De kredietcrisis was een feit.
Een zwevende munt
Gemakkelijke oplossingen, zoals het laten zweven van de nationale munteenheid, zijn er niet meer. De waardedaling van de munt zou voor aanpassingen zorgen in overeenstemming met het competitieve vermogen van het betreffende land. Dat kan niet meer in een muntunie.
Wat kunnen landen nu doen? Ze moeten het vertrouwen van de financiële markten pogen te verbeteren. Hoe kan dat? Door de rente op schatkistpakpapier te verhogen. De paradox is echter dat financiële markten slechts vertrouwen blijken te hebben in landen met een lage rente en niet in landen die hun rente stelselmatig verhogen. Dat zijn immers in de praktijk landen met een lage groei en hoge tekorten. De benodigde stringente bezuinigingen bedreigen het laatste beetje groei en daarmee de zekerheden die een land kan verschaffen om zijn schulden af te lossen.
Hoe kan de Eurozone aan deze vicieuze cirkel ontsnappen? Wolf is radicaal in zijn remedie. In gevallen zoals Ierland meent hij dat het bancaire systeem niet meer te redden is. Het gaat niet aan om de belastingbetaler, laat staan de buitenlandse belastingbetaler, te laten opdraaien voor de fouten van een privaat bancaire systeem. De effectenbezitter moet bloeden voor het falen van de onverantwoorde bankiers.
Vertrouwenwekkend
In geval van overheden die niet meer aan hun verplichtingen dreigen te kunnen voldoen, pleit hij voor een royale funding door de lidstaten in combinatie met duidelijke hervormingen. De funding is nodig om de paniek te bezweren, de voorgenomen hervormingen om te erkennen dat er zoiets als de insolventie van een overheid mogelijk is. En daar schuilt het riskante van de oplossing in. Markten begrijpen, dat onder de huidige omstandigheden de kans groter is dat staten hun schulden gaan herstructureren. Er zijn twee mogelijkheden hieraan te ontkomen: of de Europese centrale bank gaat schulden opkopen of lidstaten staan een deel van hun bevoegdheden af aan Brussel, zodat deze de macht krijgt bij individuele lidstaten financieel in te grijpen. Het is praktisch ondenkbaar dat landen als Duitsland of Nederland hiertoe bereid zijn. En daarmee is een economisch-financieel probleem een politiek probleem geworden. Het is aan zowel overschotlanden als aan tekortlanden om voor zichzelf de rekening op te maken of lid blijven van de unie aantrekkelijker is dan om zich ervan los te maken. Dit politieke proces is nu in volle gang en de uitkomst is dus nog onzeker gelet op het gebruikelijke gebrek aan daadkracht. Wie het gekissebis over de omvang van het reddingsfonds volgt, moet voor het ergste vrezen. Die moet vertrouwenwekkend groot zijn. De vraag of er al veel of weinig uit de pot is, moet als irrelevant terzijde geschoven worden.
Europese verlammingsverschijnselen
In Europa is de Amerikaanse daadkracht met de nodige scepsis bekeken. De ongebreidelde geldschepping en het laten oplopen van de overheidstekorten moeten wel tot rampen leiden in de vorm van een omhoog schieten van de inflatie en het ineenstorten van de dollar.
Aan het einde van 2010 moeten we concluderen dat Europa voor zijn beurt heeft gesproken. Weliswaar zijn de effecten van de kredietcrisis in de VS nog dagelijks merkbaar in de vorm van een halsstarrig hoge werkloosheid, maar economisch bezien is de VS verder. De financiële sector is duidelijk aan de beterende hand en de bedrijven zijn in een puike conditie. Voor Europa geldt, dat de bedrijvensector gezond is, maar dat er veel onduidelijkheid is over de kwaliteit van de financiële sector. Het probleem dat echter de meeste aandacht vraagt is de kwetsbaarheid van de overheidsfinanciën van een groeiend aantal EU-lidstaten. Die kwetsbaarheid is deels het gevolg van het onvermogen van de Europese politieke elite om over de eigen schaduw van het vermeende nationale belang heen te springen, maar is ook deels het gevolg van weeffouten in de huidige monetaire unie. Het gevolg tot nu toe zijn een schrijnend gebrek aan daadkracht en verlamming in de besluitvorming.
Weeffouten
Volgens Martin Wolf van the Financial Times draagt een monetaire unie het zaad in zich van een kredietcrisis. Dat is voor een deel terug te voeren op de uiteenlopende relatieve kosten die leiden tot structurele onevenwichtigheden in handelsbalansen van de lidstaten. Die onevenwichtigheid leidt op den duur tot tekorten bij de minder competitieve landen. Die moeten kapitaal importeren ter bestrijding van de onevenwichtigheden. Als de externe leningen via het bankenstelsel verlopen, dan zal op den duur een financiële crisis ontstaan zoals in Ierland. Het kan ook de staat zijn die leent en dan groeit er een crisis in de overheidsfinanciën zoals in Griekenland.
En dan is er nog het verschijnsel van de zeer lage rente gecombineerd met een beperkte vraag naar kapitaal in de kernlanden van de eurozone. Dat vertaalde zich in een aantal perifere lidstaten in een bubbel van de prijzen van vermogenstitels en in een kredietbubbel uitmondend in een overspannen huizenmarkt. De gevolgen zijn bekend: het financiële systeem implodeerde, de economie klapte ineen en de overheidsfinanciën veranderden in een puree. De kredietcrisis was een feit.
Een zwevende munt
Gemakkelijke oplossingen, zoals het laten zweven van de nationale munteenheid, zijn er niet meer. De waardedaling van de munt zou voor aanpassingen zorgen in overeenstemming met het competitieve vermogen van het betreffende land. Dat kan niet meer in een muntunie.
Wat kunnen landen nu doen? Ze moeten het vertrouwen van de financiële markten pogen te verbeteren. Hoe kan dat? Door de rente op schatkistpakpapier te verhogen. De paradox is echter dat financiële markten slechts vertrouwen blijken te hebben in landen met een lage rente en niet in landen die hun rente stelselmatig verhogen. Dat zijn immers in de praktijk landen met een lage groei en hoge tekorten. De benodigde stringente bezuinigingen bedreigen het laatste beetje groei en daarmee de zekerheden die een land kan verschaffen om zijn schulden af te lossen.
Hoe kan de Eurozone aan deze vicieuze cirkel ontsnappen? Wolf is radicaal in zijn remedie. In gevallen zoals Ierland meent hij dat het bancaire systeem niet meer te redden is. Het gaat niet aan om de belastingbetaler, laat staan de buitenlandse belastingbetaler, te laten opdraaien voor de fouten van een privaat bancaire systeem. De effectenbezitter moet bloeden voor het falen van de onverantwoorde bankiers.
Vertrouwenwekkend
In geval van overheden die niet meer aan hun verplichtingen dreigen te kunnen voldoen, pleit hij voor een royale funding door de lidstaten in combinatie met duidelijke hervormingen. De funding is nodig om de paniek te bezweren, de voorgenomen hervormingen om te erkennen dat er zoiets als de insolventie van een overheid mogelijk is. En daar schuilt het riskante van de oplossing in. Markten begrijpen, dat onder de huidige omstandigheden de kans groter is dat staten hun schulden gaan herstructureren. Er zijn twee mogelijkheden hieraan te ontkomen: of de Europese centrale bank gaat schulden opkopen of lidstaten staan een deel van hun bevoegdheden af aan Brussel, zodat deze de macht krijgt bij individuele lidstaten financieel in te grijpen. Het is praktisch ondenkbaar dat landen als Duitsland of Nederland hiertoe bereid zijn. En daarmee is een economisch-financieel probleem een politiek probleem geworden. Het is aan zowel overschotlanden als aan tekortlanden om voor zichzelf de rekening op te maken of lid blijven van de unie aantrekkelijker is dan om zich ervan los te maken. Dit politieke proces is nu in volle gang en de uitkomst is dus nog onzeker gelet op het gebruikelijke gebrek aan daadkracht. Wie het gekissebis over de omvang van het reddingsfonds volgt, moet voor het ergste vrezen. Die moet vertrouwenwekkend groot zijn. De vraag of er al veel of weinig uit de pot is, moet als irrelevant terzijde geschoven worden.
maandag 6 december 2010
Beleggen na de crisis van 2008
2008 ? Deze vraag stelde Goldman Sachs zich en gaf de Economist Intelligence Unit de opdracht dit uit te zoeken. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport: Assessing and explaining risk: investors’ expectations after the financial crisis.
Goed voorbereid
Veel enquêtes vragen naar de bekende weg en de antwoorden zijn min of meer voorspelbaar. Dat geldt ook voor het voorliggende onderzoek. Een enkele uitkomst wekt verbazing. Zo blijkt ruim 40% van de ondervraagde beleggers van mening dat de crisis van 2008 weliswaar een bijzondere was maar toch weer niet echt buitengewoon. De adviseurs claimen dat ze hun clientèle goed hadden voorbereid op wat ging gebeuren en wat de consequenties zouden zijn. Dat lijkt mij eerlijk gezegd teveel eer. Eerder is het omgekeerde het geval. Het heeft in Europa wel erg lang geduurd voordat men besef kreeg van de volle omvang van de crisis. Meer realiteits- zin legt Europa aan de dag als het om de nabije toekomst gaat. Ongeveer 75% van de ondervraagden verwacht weinig van de komende jaren en als er al optimisme is dan is dat gebaseerd op het geloof in de kracht van de Opkomende Markten.
Risicoloos beleggen
Het eerste decennium van de 21ste eeuw heeft twee grote crises gekend. Het decennium begon met een crisis en eindigde ermee. Beide crises Is er leven voor de belegger na de crisis van hebben gevolgen gehad voor de wijze waarop beleggers anno 2010 kijken naar risico. Het idee dat er zoiets bestaat als risicoloos beleggen heeft afgedaan. Zelfs aan beleggen in cash of obligaties kleven gevaren. De belegger wil nog wel een uitzondering maken voor beleggen in commodities. Slechts 35% denkt dat negatief over deze beleggingsklasse.
De aanslag op het vermogen in 2008, de magere vooruitzichten en de meer risico-averse opstelling van de belegger heeft uiteraard gevolgen voor het verwachtings- patroon. Een ruime meerderheid denkt dat eerdere doelstellingen, zoals vervroegd pensioen, beter losgelaten kunnen worden. Die lijken voorgoed onhaalbaar.
Het alternatief
Welke lessen trekken beleggers uit de crisis van 2008? Vaststellen dat alle vormen van beleggen risico’s met zich brengen is de eerste les. Voortaan voorzichtiger zijn met de asset allocatie is de tweede. In reactie daarop heeft de professionele belegger besloten meer beleggingsklassen in zijn beschouwingen en beleggingsbeleid mee te nemen en dus meer te diversifiëren. De particuliere belegger is er echter nog niet uit. Hij weet niet goed wat hij moet doen. Volgens zijn adviseur is dat te wijten aan een nog steeds te hoog verwachtings -patroon. Dat is wellicht terug te voeren op een te nonchalante beoordeling van de crisis van 2008. Slechts 10% van de particuliere beleggers beschouwt de crisis van 2008 als iets unieks als iets eenmaligs. Dat is helaas ten onrechte, maar kan wel een verkeerd verwachtingspatroon verklaren. Het lijkt voor een aantal particuliere beleggers nog steeds een stap te ver om te accepteren dat risicoloos beleggen echt niet bestaat. Misschien is het toch beter de kwaliteit van de beleggings- portefeuille professioneel te laten bewaken.
Cor Wijtvliet
Nieuwsbrief De Weygerbergen November 2010
Goed voorbereid
Veel enquêtes vragen naar de bekende weg en de antwoorden zijn min of meer voorspelbaar. Dat geldt ook voor het voorliggende onderzoek. Een enkele uitkomst wekt verbazing. Zo blijkt ruim 40% van de ondervraagde beleggers van mening dat de crisis van 2008 weliswaar een bijzondere was maar toch weer niet echt buitengewoon. De adviseurs claimen dat ze hun clientèle goed hadden voorbereid op wat ging gebeuren en wat de consequenties zouden zijn. Dat lijkt mij eerlijk gezegd teveel eer. Eerder is het omgekeerde het geval. Het heeft in Europa wel erg lang geduurd voordat men besef kreeg van de volle omvang van de crisis. Meer realiteits- zin legt Europa aan de dag als het om de nabije toekomst gaat. Ongeveer 75% van de ondervraagden verwacht weinig van de komende jaren en als er al optimisme is dan is dat gebaseerd op het geloof in de kracht van de Opkomende Markten.
Risicoloos beleggen
Het eerste decennium van de 21ste eeuw heeft twee grote crises gekend. Het decennium begon met een crisis en eindigde ermee. Beide crises Is er leven voor de belegger na de crisis van hebben gevolgen gehad voor de wijze waarop beleggers anno 2010 kijken naar risico. Het idee dat er zoiets bestaat als risicoloos beleggen heeft afgedaan. Zelfs aan beleggen in cash of obligaties kleven gevaren. De belegger wil nog wel een uitzondering maken voor beleggen in commodities. Slechts 35% denkt dat negatief over deze beleggingsklasse.
De aanslag op het vermogen in 2008, de magere vooruitzichten en de meer risico-averse opstelling van de belegger heeft uiteraard gevolgen voor het verwachtings- patroon. Een ruime meerderheid denkt dat eerdere doelstellingen, zoals vervroegd pensioen, beter losgelaten kunnen worden. Die lijken voorgoed onhaalbaar.
Het alternatief
Welke lessen trekken beleggers uit de crisis van 2008? Vaststellen dat alle vormen van beleggen risico’s met zich brengen is de eerste les. Voortaan voorzichtiger zijn met de asset allocatie is de tweede. In reactie daarop heeft de professionele belegger besloten meer beleggingsklassen in zijn beschouwingen en beleggingsbeleid mee te nemen en dus meer te diversifiëren. De particuliere belegger is er echter nog niet uit. Hij weet niet goed wat hij moet doen. Volgens zijn adviseur is dat te wijten aan een nog steeds te hoog verwachtings -patroon. Dat is wellicht terug te voeren op een te nonchalante beoordeling van de crisis van 2008. Slechts 10% van de particuliere beleggers beschouwt de crisis van 2008 als iets unieks als iets eenmaligs. Dat is helaas ten onrechte, maar kan wel een verkeerd verwachtingspatroon verklaren. Het lijkt voor een aantal particuliere beleggers nog steeds een stap te ver om te accepteren dat risicoloos beleggen echt niet bestaat. Misschien is het toch beter de kwaliteit van de beleggings- portefeuille professioneel te laten bewaken.
Cor Wijtvliet
Nieuwsbrief De Weygerbergen November 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)
