maandag 24 oktober 2011

Loopt het proces van globalisering ten einde?

We leven in een globaliserende wereld. Dankzij bijvoorbeeld snel internet is de wereld in feite een groot dorp geworden. We vinden het bovendien normaal, dat onze schoenen uit China komen en dat ons biefstukje op de Argentijnse pampa’s tot wasdom is gekomen. Globalisering gaat dus verder dan snelle internetverbindingen. Het gaat ook om enorme handelsstromen die van en naar de verschillende continenten lopen. Dit proces is ergens gestart in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De Westerse wereld heeft echter al eerder een periode van globalisering doorlopen en dat betreft de periode 1871-1914. Het laatste jaartal maakt duidelijk dat met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog er een einde kwam aan dit tijdperk.
Is het mogelijk, dat in het huidige tijdsgewricht met zijn grote economische problemen ook deze tweede fase ten einde loopt?

Fundamenten
Het proces van globalisering steunt op een aantal peilers. De belangrijkste is misschien wel de liberalisering van de financiële markten. Dat proces startte voorzichtig in de jaren zeventig. Het vrij verkeer van kapitaal is te beschouwen als de smeerolie van de globalisering. Het kapitaal ging daarheen waar de kansen op rendement het hoogst waren. Als gevolg daarvan werd het steeds gemakkelijker wereldwijde handel te financieren en dat mondde weeruit in een geleidelijk verdwijnen van de handelsbarrières en een forse verlaging va de handelstarieven. De grootschalige introductie van de container in de jaren tachtig gaf een beslissend zetje bij het verwezenlijken van de wereldwijde handelsstromen. Dankzij de container was het niet langer nodig dat de plaats van productie en die van consumptie bij elkaar in de buurt lagen. Met enig gevoel voor overdrijving zou je kunnen stellen Dat de container het stalen fundament is van de globalisering.
De eerste grote handelsstromen liepen van de VS naar Europa, van de VS naar Azië en van Europa naar Azië. Deze handelsstromen bestaan nog steeds maar hebben aan belang ingeboet ten faveure van de inter-Aziatische handelsstromen. Nieuwe handelsstromen worden inmiddels zichtbaar, bijvoorbeeld tussen Azië en Latijns Amerika en tussen Azië en Afrika.

Figuur 1


De wereldomspannende supply chain
Als de container bulkvervoer mogelijk maakte, dan zijn het de technologische veranderingen in combinatie met het verdwijnen van handelsbarrières die de wereld hebben omgetoverd in een stelsel van supply chains. Just-in-time manufacturing, wereldwijde sourcing van componenten en grondstoffen en een technologische sprong voorwaarts hebben het mogelijk gemaakt, dat complete regio’s tot grenzeloze productiehallen zijn geworden. Voorraden zijn op een historisch laag niveau beland en dat betekent weer dat er extra kapitaal vrijkomt wat elders productiever geïnvesteerd kan worden. De almaar dalende kosten voor productie en transport hebben uiteindelijk geresulteerd in de disinflatie van de jaren negentig van de vorige eeuw. Het begint er echter op te lijken, dat de wereld hier voorlopig op de grenzen van de kostendaling is gestuit. Dat is geen reden om aan te nemen, dat het systeem om die reden zijn beste tijd heeft gehad.

Bedreigingen
Er zijn echter wel degelijke bedreigingen voor het systeem van een wereldwijde supply chain aan te wijzen. Die zitten in het systeem zelf opgesloten. Het systeem is gebouwd, zoals gezegd, op het voorhanden zijn van overvloedig en goedkoop krediet. Komt er een kink in deze kabel, dan heeft het systeem daar zwaar onder te lijden. Dat bleek wel in 2008. Toen droogde tijdelijk het krediet op en het niveau van de wereldhandel daalde dramatisch. Een tweede bewezen bedreiging binnen het systeem is dat het te efficiënt is geworden, waardoor de dreiging van een verstoring van de supply chain (te) groot wordt. Dat kwam overduidelijk aan het licht in de nasleep van de tsunami in Japan. In het getroffen gebied lag een fabriek die verantwoordelijk was voor de productie van 90% van een bepaald onderdeel voor de auto-industrie !

Politiek gewin
Kortom, het systeem draagt risico’s in zich en het zou zomaar kunnen dat de politieke elite in bijvoorbeeld het Westen deze risico’s niet langer acceptabel vindt. Dat is bepaald geen denkbeeldig gevaar. Voor veel Westerse landen lijkt een langere periode van een lager dan gemiddelde economische groei aangebroken. Het is verleidelijk om daarvoor een schuldige aan te wijzen. Globalisering heeft in het Westen immers geleid tot het outsourcen van banen. Dat proces heeft vooral goed uitgepakt voor het internationaal werkend bedrijfsleven. Dat heeft zijn resultaten structureel kunnen laten stijgen. Dat gaat weer wel ten koste van de inkomensontwikkeling van de middenklassen in de Westerse landen. Stijgende kosten voor bijvoorbeeld en energie en voedsel knagen daarnaast ook al aan het besteedbaar inkomen. Een nieuwe systeemcrisis zou de steun voor het huidige proces van globalisering kunnen ondergraven. Dat zou politici ertoe kunnen bewegen oplossingen in een andere richting te zoeken, bijvoorbeeld in protectionisme. De crisis van 1929 toont zonneklaar aan, dat zulks geen idee-fixe hoeft te zijn. Voor politici spelen ook andere overwegingen dan puur economische.
Het zou dus zomaar kunnen, dat het huidige proces van globalisering zijn langste tijd heeft gehad. Wat dat zou betekenen voor de wereld laat zich moeilijk raden. De rekening kan wel eens erg hoog zijn om het huidig vervlochten systeem letterlijk en figuurlijk te ontrafelen.









Goldman Sachs, Is global trade set to fade? October 2011

dinsdag 18 oktober 2011

Industriële renaissance

Het ziet ernaar uit dat het Nederlandse bedrijfsleven weer in zwaar weer is terecht gekomen. Onder druk van de concurrentie uit het oosten gaat Philips weer grootschalig banen schrappen. Datzelfde Philips heeft samen met andere grote industriële bedrijven uit Brabant de Nederlandse overheid opgeroepen maatregelen te nemen om de positie van diezelfde bedrijven beter tegen het zware economische weer te beschermen. Indien dat niet gebeurt, dan zal de positie van de Nederlandse industrie verder verzwakken en afkalven.

Diensten versus industrie
In Nederland zijn we misschien nog meer dan in andere landen overtuigd van het geleidelijk verdwijnen van de industrie naar landen als China, Vietnam of India. Daar zijn de lonen laag en is er een overvloed aan goedkope arbeidskrachten. Nederland, zo heet het, kan alleen maar overleven door zich toe te leggen op hoogwaardige dienstverlening. De huidige crisis heeft echter bewezen, dat dit een loze gedachtegang is. Zonder een industrie van enige betekenis binnen handbereik zitten de hoogwaardige dienstverleners duimen te draaien. De zogeheten opkomende markten ontwikkelen razendsnel hun eigen hoogwaardige dienstverlening.
De huidige crisis geeft echter ook voorbeelden, dat het geleidelijk afscheid nemen van de industrie helemaal geen wetmatigheid is. Dat althans beweert de Boston Consulting Group (BCG)in een reeks van artikelen en rapporten .

Verschuivende concurrentieverhoudingen
De teneur van de rapporten is, dat zo rond 2015 het voor industriële bedrijven net zo aantrekkelijk is om in de VS te produceren als in China. Daar zijn een handvol
redenen voor aan te wijzen. Het belangrijkste argument is wel, dat China in de komende jaren zijn kostenvoordeel gaat verspelen. Dat is voor een deel te wijten aan het Chinese beleid om de binnenlandse koopkrachtige vraag te stimuleren. Loonstijgingen van 25% zijn in dit land nu eerder regel dan uitzondering. Arbeid in de steden aan de oostkust wordt geleidelijk ook schaarser. Het binnenland is voor veel westerse bedrijven minder aantrekkelijk. Arbeid is er vaak laaggeschoold en de infrastructuur op zijn best gebrekkig. Het is niet alleen arbeid die duurder wordt, ook de renminbi doet dat, evenals bijvoorbeeld de kosten voor transport. Hoewel de productiviteit van de Chinese werknemer stijgt, biedt dat onvoldoende compensatie voor de kostenstijging, zoals uit Figuur 1 blijkt.

Figuur 1.


Daar staat tegenover dat de VS in sommige zuidelijke staten een lage lonen land is geworden. Voorbeelden zijn South Carolina, Alabama en Tennessee. Lonen staan permanent onder druk, de werknemer wordt noodgedwongen steeds flexibeler inzetbaar en de productiviteit in de industrie blijft maar stijgen. De consultants van BCG adstrueren hun betoog met voorbeelden uit de praktijk. Zo heeft Ford Motors besloten 2000 banen te ‘reshoren’, terug te brengen naar de VS.

Terug naar huis
Natuurlijk stellen ze zich ook de vraag of deze voorbeelden incidenten zijn of de pioniers van een bredere trek. BCG meent dat zijn voorbeelden voorbodes zijn, maar ze voegen er onmiddellijk waarschuwende woorden aan toe. China blijft een industriële grootmacht die tegen lage kosten kan en blijft produceren. Bedrijven zullen echter een steeds groter deel van hun capaciteit aanwenden om te produceren voor de Chinese koopkrachtige consument of zijn neven in de rest van Azië. Als het om ‘reshoren’ gaat, zullen alleen die industrieën een terugkeer overwegen waarvoor de component arbeid bij de productie beperkt is of die slechts in kleine volumes produceren.

De consultants zien zeven belangrijke industriële activiteiten die in de komende jaren tot 2020 hun koers weer terug verleggen naar de VS. De belangrijkste zijn die van de productie van ICT goederen en elektrische apparatuur. En mochten de rapporteurs van BCG gelijk krijgen dan zal dat de VS geen windeieren leggen. Er zullen twee tot drie miljoen banen bijkomen in de industriële sector. De zeven sectoren zijn nu goed voor 70% van de importen uit China, die in 2010 een waarde vertegenwoordigden van om en nabij USD 300 miljoen. Met een beetje geluk kan over enkele jaren 30% van deze importen definitief naar de VS terug komen. De VS zouden zodoende van importeur weer kunnen veranderen in een exporteur. Tel uit je winst.

Figuur 2.


Komt West Europa ook voor in de betogen van BCG? Jawel, maar in dit deel van de wereld zal van een industriële renaissance geen sprake zijn. Met uitzondering van Duitsland zal dit deel van de wereld een groeiend afzetgebied vormen voor industriële exporten uit China. Uiteindelijk zal slechts een enkele dienstverlener van deze gang van zaken beter worden. De overheid doet er goed aan de hartenkreet van de Brabantse industrie serieus te nemen.

Bronnen:
Boston Consulting Group, why U.S. manufacturing is poised for a comeback, June 2011
Idem, made in America, again. Why manufacturing will return to the US. August, 2011
Idem, the U.S. manufacturing renaissance. Which industries? October 2011












De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft op persoonlijke titel.

maandag 10 oktober 2011

Schulden maken, schulden afbouwen

Het is inmiddels genoegzaam bekend. De Westerse wereld gaat gebukt onder achterblijvende economische groei en een hoge schuldenlast. Een van de kwesties, die om een antwoord vraagt, is in hoeverre schulden de groei remmen. Dat een hoge publieke schuldenlast de groei afremt, lijkt buiten kijf. Maar wat is de rol van de private sector? In hoeverre remmen schulden hier de vraag en daarmee de vooruitzichten voor economische groei?

Schuld en schuldvermindering
De schuldenlast in de private sector is in het afgelopen decennium snel gegroeid en was vooral te danken aan de lage rentevoet in het Westen. Geld was nagenoeg gratis. De crisis van 2007/08 heeft voor een ommekeer gezorgd. Het grote bedrijfsleven heeft sedertdien het afbouwen van schulden tot speerpunt van beleid gemaakt. De uitkomsten zijn goed te noemen met enkele opmerkelijke uitschieters. In Ierland daalde de schuld als percentage van het BNP met maar liefst 40%. De kredietwaardigheid van vooral de top van het bedrijfsleven is uitstekend te noemen.
De huishoudens in de Westerse wereld zijn op hun beurt ook gestart met het proces van afbouwen van schulden en ook hier zijn de resultaten opvallend. In de VS is de schuldenlast van huishoudens sinds 2008 met 10% gedaald.
Dat gezegd hebbende blijft de vraag hoelang dit proces van afbouw nog moet doorgaan? Zoals verwacht mag worden, is een eenduidig antwoord niet mogelijk. Landen als de VS en het Verenigd Koninkrijk zijn ongeveer halfweg in hun streven de schuld terug te brengen naar het langjarig gemiddelde, gecorrigeerd voor de schuldexplosie in de afgelopen 10 jaar. Landen als Noorwegen en Zweden hebben het proces nagenoeg voltooid.

Het gewenste niveau van schulden
Het afbouwen van de huidige schuldenlast is nodig, maar wat is eigenlijk het gewenste of optimale schuldenniveau? Een gewenst niveau is afhankelijk van meerdere factoren. Het eerste is de toekomstige verdiencapaciteit. Door de lagere economische groei en de hogere werkloosheid dalen in de Westerse wereld de verwachtingen voor toekomstige inkomensgroei. Lagere verwachtingen voor winst voor bedrijven en inkomen voor de burger hebben uiteraard invloed op het optimale schuldenniveau. Een tweede factor is de ontwikkeling van vermogenstitels. Voor de doorsnee burger is een eigen huis zijn voornaamste bezit. Een waardedaling van dit bezit leidt tot een al dan niet vrijwillige afbouw van het niveau schulden. Deze factor is van groot belang voor de Nederlandse situatie. Hier staan de huizenprijzen sinds 2009 onder druk en de druk blijft onverminderd hoog. Daarmee blijft de noodzaak om de schuldenlast te verminderen ook onverminderd hoog. Een derde factor van belang is uiteraard de rentelast. Welk deel gaat op aan het afbetalen van schulden. Voor inwoners van landen, die te kampen hebben met all genoemde factoren, zal de noodzaak om het niveau van schulden te verminderen, hoog blijven. Voor die landen waar de huizenprijzen stabiliseren en het niveau van de rente blijft dalen, mag de druk geleidelijk minder worden.
Schuldvermindering en lagere economische groei
Het is inmiddels bijna een axioma dat het afbouwen van schulden een negatieve invloed heeft op economische groei. Toch is dat minder vanzelfsprekend dan het nu lijkt. Het gaat veeleer om de verandering in de financiële verhoudingen. De economische groei in een aantal landen vertraagde in de afgelopen jaren omdat de financiële verhoudingen in redelijk tempo verbeterde. Dat impliceert een snelle afbouw en dat ging ten koste van bestedingen. In landen, waar de noodzaak voor verdere afbouw groot blijft, daar zal de groei traag blijven. Verbeteren de verhoudingen, dan vermindert de negatieve invloed van de private sector op de economische groei. Een dergelijk proces is zichtbaar in de VS, waar de private sector de economie weer een positieve impuls geeft. Dat wordt echter teniet gedaan door de bezuinigingen in de publieke sector. Een zelfde gang van zaken begint zich in de kernlanden van Europa af te tekenen. Voor de schuldenlanden in de periferie is dit nog en brug te ver. Daar heeft het aanpassingsproces nog een lange weg te gaan. Maar ook in de kernlanden van de EMU zijn het de groeiende overheidstekorten die de positieve gang van zaken in de private sector teniet doen. Sterker nog, overheden kunnen een bron va instabiliteit worden in hun streven schulden te verminderen. Overheden zouden er goed aan doe om hun aanpassingsproces goed te timen. Gebeurt dat niet, dan dreigt de baby met het badwater weggegooid te worden. Met andere woorden zonder een goede timing kunnen de positieve trends in de private sector gesmoord worden en daarmee ook een voorzichtig herstel in de economische groei.






Golman Sachs, private en public sector indebtedness in advanced economies, 21 September 2011

dinsdag 4 oktober 2011

Van recessie naar stagnatie

Een economie kan groeien, krimpen en stagneren. Sinds 2008 is het Westen bijna geobsedeerd door de aanhoudende dreiging dat de economie gaat krimpen. Langzamerhand zijn er meer en meer stemmen te horen die niet krimp als grootste dreiging zien, maar stagnatie. De economie groeit in een slakkentempo, zowel in de VS als in Europa, en er is weinig zicht op een verbetering.

Langdurige economische stagnatie
Dreigt zodoende voor de westerse wereld hetzelfde scenario, als waarmee Japan al 20 jaar te kampen heeft? Is er een reële kans dat de westerse economieën wegzakken in een langdurige periode van lage groei? Misschien kan de geschiedenis uitkomst bieden bij het beantwoorden van deze vraag! En ja, het blijkt, dat periodes van stagnatie vaak voorkomen. Sinds het einde van de 19de eeuw zijn er maar liefst 93 periodes van langdurige stagnatie te onderscheiden (zie Figuur 1) . Er zijn ook 20 periodes aan te wijzen die vergelijkbaar zijn met het Japan van de jaren 90 van de vorige eeuw. Het leeuwendeel van die periodes valt in de jaren na 1950 en doen zich vooral voor in de ontwikkelde wereld!

Figuur 1


Kenmerken
Als periodes van langdurige stagnatie regelmatig voorkomen, dan ligt het min of meer voor de hand dat deze periodes bepaalde kenmerken delen.
- Het eerste en meest voor de handliggende is een uiterst matige groei van gemiddeld 0,5%. Dat is weinig met een naoorlogse gemiddelde groei van meer dan 2%. Er is ook weinig volatiliteit. Een langdurige periode van amper of geen groei, is voor burger en overheid een kostbare aangelegenheid. De welvaartsontwikkeling staat immers nagenoeg stil.
- De jaren van stagnatie kennen een niveau van inflatie dat duidelijk achterblijft bij vergelijkbare periodes van normale groei. Japan is een extreem voorbeeld met een gemiddelde inflatie van 0,2%. Het lage niveau is voor een deel te wijten aan een algehele vraaguitval. Hoe langer deze periode van vraaguitval duurt, hoe moeilijker het wordt om dit verschijnsel te corrigeren. Het verklaart ook de grote angst voor deflatie, die zo mogelijk nog moeilijker te bestrijden is dan lange periodes van disinflatie.
- Hoge werkloosheid is een derde element. Dankzij de stagnatie. Die stijgt met gemiddeld 3 ppt in vergelijking met de jaren daarvoor. De werkloosheid is niet alleen hoog, maar die laat zich maar moeilijk bestrijden.
- Ook de huizenmarkt is een slachtoffer van stagnatie. Prijsdruk is normaal en de markt kan zelfs helemaal stilvallen.
- Beleggingsopbrengsten staan onder druk, maar blijven gematigd positief. Ze zijn wel lager dan in normale periodes.
- Tenslotte heeft in periodes van stagnatie de groei de neiging steeds verder af te vlakken binnen steeds geringere bandbreedtes.

Omstandigheden
Op basis van historische vergelijkingen komt Goldman Sachs tot de conclusie dat vooral De VS en Europa een periode van stagnatie zijn genaderd. De vraag die nu rest is of de voorwaarden voor een periode van stagnatie aanwezig zijn. En hier is het antwoord opnieuw bevestigend, zoals Figuur 2 laat zien. Vooral een ineen storten van de financiële markten en valutacrises vormen een goede voedingsbodem voor economische stagnatie.

Figuur 2


Geen oplossingen
Op basis van deze data komt Goldman Sachs tot de conclusie dat het Westen ongeveer 40% kans heeft om in een periode van stagnatie te belanden. De kans is daarmee niet overdreven groot, maar groot genoeg om werkelijk zorgen over te maken. Gemakkelijke oplossingen ter bestrijding zijn er immers niet meer. Sterker nog, Goldman Sachs ziet op dit moment geen panklare oplossing om de dreigende stagnatie te bestrijden. Bezuinigingen zijn aan de orde van de dag, de banken zijn verre van gezond en de beleidsruimte voor bijvoorbeeld centrale bankiers is beperkt in vergelijking met 2008. Wat moet, wat kan Bernanke nog met een rente die nagenoeg 0% bedraagt? De enige concrete aanbeveling is om de lessen van Japan goed ter harte te nemen en dan om te zien naar werkelijk onconventionele maatregelen. In het land van de Rijzende Zon werd jaar in jaar uit de platgetreden paden van beleid steeds weer bewandeld met steeds weer hetzelfde resultaat.

Goldman Sachs, From the Great Recession to the Great Stagnation? Global Economics Weekly, 28 September 2011