vrijdag 29 januari 2010

De bordjes lijken al verhangen

Het nog jonge jaar heeft tot nu toe weinig goeds gebracht voor Nederland en Europa. Er lijkt in ieder geval voor het moment een einde gekomen aan de mooie opwaartse trend op de financiële markten. Aan de bedrijfsresultaten kan het niet liggen, want bedrijven als Philips, ASML en Infineon laten een mooi herstel in de resultaten zien. De markten hadden echter al op die mooie uitkomsten gerekend en waren daar op vooruit gelopen. Voor de verklaring van de moeten we naar andere oorzaken zoeken en die zijn er helaas heel veel.

Ontbrekend momentum
In de tweede helft van 2009 leken Duitsland en Frankrijk zich te ontworstelen aan de recessie. Duitsland liet in het derde kwartaal van afgelopen jaar een groei zien van 0,7% zien. Dat was verrassend sterk, zeker in vergelijking met de Verenigde Staten die toen nog een negatieve groei lieten zien. De optimistische geluiden waren niet van de lucht en het heette dat het Rijnlands model superieur was aan het Angelsaksische. Nu amper een maand onderweg in 2010 zijn al die optimistische geluiden weggeëbd. De groei in Duitsland is verpieterd en komt nog amper boven 0% uit en in dat opzicht doet Duitsland het even goed of even slecht als het Verenigd Koninkrijk, het symbool van het Angelsaksische model in Europa.
Het gebrek aan economische groei in Europa, in de Europese Unie is terug te voeren op een probleem, waar we al lang mee kampen: het nagenoeg ontbreken van een verbetering in de productiviteit. In 2009 noteerde de Europese Unie een daling in de ontwikkeling van d productiviteit van 1%. Dat was voor het eerste in bijna een halve eeuw. Dat staat in schril contrast met de stijging van 2,5% in de VS en zeker met de groei van 8,2% in China. In het lopende jaar zal Europa wel een stijging van de productiviteit laten zien en wel van ongeveer 2%, maar opnieuw verliest Europa terrein op de VS waar de groei op 3% becijferd wordt en zeker op China, waar de groei opnieuw in de buurt van de 8%. De verklaring voor de ‘matige ‘prestatie van de EU is voor een deel terug te voeren op het beleid om de gevolgen van de crisis te verzachten. In veel landen van de Europese Unie zijn overtollige medewerkers met behulp van de overheid in dienst gehouden. Dat was en is uiteraard heel sociaal, maar het doet de productiviteitsontwikkeling geen goed. In de VS hebben werkgevers snoeihard gereageerd op de crisis. Ze hebben tot op het bot gesneden en de overgebleven werknemers met succes tot grotere inspanningen gedwongen en zodoende de basis gelegd voor een redelijk sterk herstel in 2010. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de EU in 2010 alsnog de rekening gepresenteerd krijgt voor haar sociale beleid in 2009. Als het herstel al handen en voeten krijgt in 2010 dat zal het niet gepaard gaan met een herstel van de werkgelegenheid. Eerder dreigt het omgekeerde het geval te worden. De economische groei kan wel eens gepaard gaan met een oplopende werkloosheid, omdat maatregelen ter bescherming van de werkgelegenheid in dit jaar ten einde gaan lopen. Ze worden ook onbetaalbaar.

Chinese mercantilsme
Er is voor de EU nog meer reden voor grote zorgen. Dit werelddeel kampt alweer twee decennia met een matige ontwikkeling van de productiviteit. Dat was geen ramp toen de VS de enige echte concurrent was. Maar dat is niet langer het geval. Opkomende economieën als Brazilië, India en zeker China maken al jaren een stormachtige economische ontwikkeling door en hebben zich ontwikkeld tot hele serieuze en geduchte concurrenten. Europa heeft heel veel moeite zich aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid. Om maar eens een voorbeeld te noemen. Nog maar enkele weken geleden maakte het bedrijf Wärtsila bekend dat het stopte met zijn productie van scheepsschroeven in Drunen, in Nederland. De productie wordt overgeplaatst naar China, de grootste markt voor de scheepsbouw. De woordvoerder van Wärtsila liet weten dat de overplaatsing min of meer was afgedwongen door de Chinezen. Die bewering werd in tweede instantie afgezwakt. China heette de grootste markt te zijn en daar hoort een verstandig bedrijf te zijn. Er is reden om vraagtekens te zetten bij die sussende verklaring. The Financial Times wijst in een recent artikel op de enorme R&D inspanningen van China. De wetenschappelijke productie in dat land is enorm en nadert die van de VS. De krant wijst er ook op dat China heel hard werkt om niet alleen grondstoffen, maar ook ontbrekende, maar gewenste praktische knowhow van over de grens te halen. Het beleid dat China heeft daarmee mercantilistische trekjes . Neem nu opnieuw Wärtsila. Weliswaar blijft de R&D op het gebied van de scheepsschroeven in Drunen, maar het bedrijf gaat in China, al dan niet vrijwillig, samenwerken met een Chinese instelling voor R&D. Met andere woorden, het is slechts een kwestie van tijd voordat ook de R&D voor scheepsschroeven uit Drunen en dus uit Nederland verdwijnt. Is dat erg? Ja, da is heel erg. Het maken van scheepsschroeven is een hoogwaardige technologie, die tamelijk uniek is in de wereld. Die vertrekt nu uit een land waar de industriële basis toch al smal is. Met het verder verschralen van die industriële basis wordt geknaagd aan de welvaart van niet alleen de ontslagen Drunense werknemer, maar indirect aan de welvaart van heel Nederland en Europa. Als het een beetje tegenzit, volgen er nog talloze Wärtsila´s. Het ergste is wel, dat ‘we’ er allemaal bij staan te kijken en niet in beweging komen. Er is niet alleen een stagnatie in de productiviteitsontwikkeling maar ook in het denken in termen van wereldwijde concurrentie. Vooralsnog ontbreekt het in Nederland en in Nederland aan de wil om te winnen. Wordt Europa inderdaad het grote openluchtmuseum, zoals Amerikanen en Chinezen dat al enige jarenmeesmuilend opperen?

zaterdag 23 januari 2010

Een valse start voor 2010

Een valse start voor 2010
Een groot deel van het recente sterke herstel op de financiële markten is toe te schrijven aan de overtuiging dat in 2010 de VS uit de recessie zullen komen. Vooral de verwachtingen voor de ontwikkeling van de bedrijfswinsten zijn hooggespannen. Veel bedrijven zijn door een diep dal gegaan in 2008 en 2009. In reactie daarop hebben ze wel heel stevig het mes in de eigen organisatie gezet. Veel bedrijven zijn lean en mean, zoals dat zo mooi heet; schulden zijn afgebouwd en de kasstromen zien er gezond uit. Wat kan er dan nog misgaan, als je bedenkt dat de cijfers over het laatste kwartaal van 2008 wel bijzonder zwak waren? Toen leek de financiële sector op instorten te staan, nu verwacht deze sector een wel zeer gezonde winstgroei te mogen noteren. Dat is deels te danken aan de Amerikaanse belastingbetaler en het rentebeleid van de Fed. Wat kan er eigenlijk nog misgaan?

Roet in het eten
De eerste weken van 2010 hebben al roet in het eten gegooid. December 2009 heeft (voorlopig?) een einde gemaakt aan de positieve ontwikkelingen in de werkgelegenheid. Het verlies aan banen nam in die maand weer toe in plaats van verder te vertragen. Misschien wel in samenhang met de teleurstellende arbeidsmarktontwikkelingen vielen ook de detailhandelsverkopen over december tegen. Het is ook moeilijk voor te stellen dat de consument erop los koopt, wanneer de arbeidsmarkt maar niet wil verbeteren.
Voor veel Amerikaanse en Europese bedrijven hoeft een zwakke thuismarkt geen reden meer voor pessimisme te zijn. Een steeds groter deel van de omzet en de winst komt uit het Verre Oosten en juist daar is het economisch herstel overtuigend. Het ligt dan ook voor de hand dat een bedrijf als Alcoa ten volle zal profiteren van de sterke vraag uit China. Groot was de verrassing dat Alcoa over het vierde kwartaal van 2009 een winst per aandeel noteerde van $ 0,01, waar de markt een winstgroei zag naar $ 0,06. Een positief element heette de omzetontwikkeling te zijn. Die daalde slechts met 4,5%. Toch is er iets eigenaardigs aan de cijfers van Alcoa. De prijs voor aluminium steeg in het afgelopen kwartaal met maar liefst 18% en Alcoa wist zijn productie met bijna 2% te verhogen. Tegelijkertijd moest het bedrijf ruim 200.000 ton aluminium op de vrije markt kopen om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Nu gebeurt zoiets wel vaker, maar die 200.000 ton is wel exceptioneel veel. Alcoa blijft mistig over het hoe en waarom. Gaat het hier om een incident of heeft het bedrijf iets te enthousiast in het eigen vlees gesneden? Alcoa heeft wat dat betreft een geschiedenis.


Intel, de reddingsboei
Misschien is Alcoa wel de uitzondering op de regel en is Main Street wel degelijk aan de beterende hand. De beste graadmeter om dat vast te stellen vormen de resultaten van een zogeheten blue-chipbedrijf uit de IT- sector. Deze sector merkt als eerste dat bij bedrijven de bereidheid om te investeren weer toeneemt. Intel, met een marktaandeel van pakweg 70% op de markt voor halfgeleiders, is een echte blue chip.
Op voorhand waren de verwachtingen rondom de resultaten van Intel al hooggespannen. Al bij de presentatie van de cijfers over het derde kwartaal had het bedrijf een optimistische toon aangeslagen over de toekomst en die boodschap was daarna nog enkele malen herhaald. Uiteindelijk mochten de resultaten van Intel er zijn. De omzet en de winst ontwikkelden zich veel beter dan verwacht. Vooral de winst per aandeel van $ 0,40 viel veel hoger uit dan verwacht ($ 0,29). De winst vernegenvoudigde tot een bedrag van $ 2,28 miljard. Het bemoedigende was verder dat de brutomarge uitkwam op 64,7%. Dat is hoog, zeker als je ervan uitgaat dat de markt nog aan het begin van de cyclus staat. Dat kan dan tegelijk ook een reden voor zorg zijn voor beleggers. Piekt Intel niet te vroeg?
Geruststellend was in ieder geval dat de verkopen in alle regio’s van de wereld groeiden en dat wijst op een herstel in de vraag, bijvoorbeeld naar servers bij bedrijven. Intel handhaaft zijn positieve kijk op zaken met verwachtingen voor het eerste kwartaal die opnieuw boven de marktverwachtingen uittoornen.
Is het dan allemaal slechts halleluja? Nee, er blijven wel degelijk vraagtekens. Weliswaar stijgen de verkopen van de pc’s weer, maar het gaat vooralsnog vooral om de consument die een notebook of een netbook aanschaft. Bedrijven in het Westen laten het vooralsnog afweten en dat is uiteraard reden tot zorg. Die afwachtende houding is terug te zien in de voorraadvorming bij Intel. Die is in het afgelopen kwartaal sterk opgelopen. Te hoge voorraden, te snelle margeverbetering, het zijn redenen voor zorg, niet alleen voor de belegger, maar toch ook wel voor diegenen die hopen op een mooi herstel op Main Street. De vraag of Alcoa de uitzondering op de regel is, kunnen we zodoende noch bevestigend, noch ontkennend beantwoorden.

dinsdag 19 januari 2010

Een valse start voor 2010

Een groot deel van het recente sterke herstel op de financiële markten is toe te schrijven aan de overtuiging dat in 2010 de VS uit de recessie zullen komen. Vooral de verwachtingen voor de ontwikkeling van de bedrijfswinsten zijn hooggespannen. Veel bedrijven zijn door een diep dal gegaan in 2008 en 2009. In reactie daarop hebben ze wel heel stevig het mes in de eigen organisatie gezet. Veel bedrijven zijn lean en mean, zoals dat zo mooi heet; schulden zijn afgebouwd en de kasstromen zien er gezond uit. Wat kan er dan nog misgaan, als je bedenkt dat de cijfers over het laatste kwartaal van 2008 wel bijzonder zwak waren? Toen leek de financiële sector op instorten te staan, nu verwacht deze sector een wel zeer gezonde winstgroei te mogen noteren. Dat is deels te danken aan de Amerikaanse belastingbetaler en het rentebeleid van de Fed. Wat kan er eigenlijk nog misgaan?

Roet in het eten
De eerste weken van 2010 hebben al roet in het eten gegooid. December 2009 heeft (voorlopig?) een einde gemaakt aan de positieve ontwikkelingen in de werkgelegenheid. Het verlies aan banen nam in die maand weer toe in plaats van verder te vertragen. Misschien wel in samenhang met de teleurstellende arbeidsmarktontwikkelingen vielen ook de detailhandelsverkopen over december tegen. Het is ook moeilijk voor te stellen dat de consument erop los koopt, wanneer de arbeidsmarkt maar niet wil verbeteren.

Voor veel Amerikaanse en Europese bedrijven hoeft een zwakke thuismarkt geen reden meer voor pessimisme te zijn. Een steeds groter deel van de omzet en de winst komt uit het Verre Oosten en juist daar is het economisch herstel overtuigend. Het ligt dan ook voor de hand dat een bedrijf als Alcoa ten volle zal profiteren van de sterke vraag uit China. Groot was de verrassing dat Alcoa over het vierde kwartaal van 2009 een winst per aandeel noteerde van $ 0,01, waar de markt een winstgroei zag naar $ 0,06. Een positief element heette de omzetontwikkeling te zijn. Die daalde slechts met 4,5%. Toch is er iets eigenaardigs aan de cijfers van Alcoa. De prijs voor aluminium steeg in het afgelopen kwartaal met maar liefst 18% en Alcoa wist zijn productie met bijna 2% te verhogen. Tegelijkertijd moest het bedrijf ruim 200.000 ton aluminium op de vrije markt kopen om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Nu gebeurt zoiets wel vaker, maar die 200.000 ton is wel exceptioneel veel. Alcoa blijft mistig over het hoe en waarom. Gaat het hier om een incident of heeft het bedrijf iets te enthousiast in het eigen vlees gesneden? Alcoa heeft wat dat betreft een geschiedenis.

Intel, de reddingsboei
Misschien is Alcoa wel de uitzondering op de regel en is Main Street wel degelijk aan de beterende hand. De beste graadmeter om dat vast te stellen vormen de resultaten van een zogeheten blue-chipbedrijf uit de IT- sector. Deze sector merkt als eerste dat bij bedrijven de bereidheid om te investeren weer toeneemt. Intel, met een marktaandeel van pakweg 70% op de markt voor halfgeleiders, is een echte blue chip.

Op voorhand waren de verwachtingen rondom de resultaten van Intel al hooggespannen. Al bij de presentatie van de cijfers over het derde kwartaal had het bedrijf een optimistische toon aangeslagen over de toekomst en die boodschap was daarna nog enkele malen herhaald. Uiteindelijk mochten de resultaten van Intel er zijn. De omzet en de winst ontwikkelden zich veel beter dan verwacht. Vooral de winst per aandeel van $ 0,40 viel veel hoger uit dan verwacht ($ 0,29). De winst vernegenvoudigde tot een bedrag van $ 2,28 miljard. Het bemoedigende was verder dat de brutomarge uitkwam op 64,7%. Dat is hoog, zeker als je ervan uitgaat dat de markt nog aan het begin van de cyclus staat. Dat kan dan tegelijk ook een reden voor zorg zijn voor beleggers. Piekt Intel niet te vroeg?

Geruststellend was in ieder geval dat de verkopen in alle regio’s van de wereld groeiden en dat wijst op een herstel in de vraag, bijvoorbeeld naar servers bij bedrijven. Intel handhaaft zijn positieve kijk op zaken met verwachtingen voor het eerste kwartaal die opnieuw boven de marktverwachtingen uittoornen.

Is het dan allemaal slechts halleluja? Nee, er blijven wel degelijk vraagtekens. Weliswaar stijgen de verkopen van de pc’s weer, maar het gaat vooralsnog vooral om de consument die een notebook of een netbook aanschaft. Bedrijven in het Westen laten het vooralsnog afweten en dat is uiteraard reden tot zorg. Die afwachtende houding is terug te zien in de voorraadvorming bij Intel. Die is in het afgelopen kwartaal sterk opgelopen. Te hoge voorraden, te snelle margeverbetering, het zijn redenen voor zorg, niet alleen voor de belegger, maar toch ook wel voor diegenen die hopen op een mooi herstel op Main Street. De vraag of Alcoa de uitzondering op de regel is, kunnen we zodoende noch bevestigend, noch ontkennend beantwoorden.

maandag 11 januari 2010

Koel helder water

Het is misschien wel de meest trieste uitkomst van Kopenhagen. De overheersende belangstelling voor het verminderen van de CO2-uitstoot om de klimaatverandering te bestrijden heeft ten onrechte de noodzakelijke aandacht voor het groeiende probleem van het tekort aan water weggenomen. Er is vandaag de dag een reëel en groeiend tekort aan water in de wereld.

De schaarste van nu en morgen
Voor de gemiddelde bewoner van het waterrijke Nederland is het moeilijk zich iets voor te stellen bij het begrip schaarste aan water, maar voor bedrijven vormt ‘water’ onderdeel van de strategie. Al in 2004 was het voor Coca-Cola en Pepsi Cola duidelijk dat ze een aantal vestigingen in India beter konden sluiten. De lokale landbouw, maar ook kringen binnen steden meenden dat deze vestigingen een te groot beslag legden op de aanwezige watervoorraden. In 2007 zag de Tenessee Valley Autorithy in de VS zich genoodzaakt om het vermogen van de waterkrachtcentrale met 30% te verminderen, omdat aanhoudende droogte de waterstand zeer nadelig beïnvloedde.
Bovenstaande voorbeelden staan niet op zichzelf en zijn zeker geen incidenten, zeker niet als we ervan uitgaan dat de komende decennia de economische en demografische groei blijven voortduren. Bij de huidige stand van zaken zullen in 2030 – over 20 jaar –bestaande voorraden voldoende zijn voor 60% van de wereldwijde vraag. Het beeld is nog somberder voor sommige regio’s in de opkomende markten. Landen als China en India zullen in 2030 te kampen hebben met grote tot zeer grote tekorten. Die grote tekorten zijn deels het gevolg van de economische groei en de daarmee samenhangende stijging van de welvaart. Ze vormen tegelijkertijd een bedreiging voor diezelfde economische groei en welvaart.

Zoeken naar oplossingen
Toenemende schaarste in grote delen van de wereld zal de prijs voor water omhoog jagen, maar het zal ook de strijd om toegang tot water tussen belanghebbende partijen doen verhevigen en zodoende meer en meer regulering uitlokken. Bedrijven in de meeste sectoren doen er goed aan om een werkwijze te ontwikkelen om meer te doen met minder water. Dat is een uitdaging en daarmee tegelijkertijd een kans. Het is een kans voor bedrijven binnen en buiten de sector om producten en diensten te ontwikkelen waardoor de productiviteit van ‘het water’ stijgt. Het gaat dan om nieuwe technieken en diensten voor grootverbruikers als de landbouw, de mijnbouw, de nutssector en de IT-sector, om er maar eens enkele te noemen. Om de groeiende kloof tussen vraag en aanbod te dichten zullen regio’s en sectoren de komende 20 jaar naar schatting $ 50 à $ 60 miljard jaarlijks moeten investeren. Gelukkig blijkt tot nu toe dat investeringen al na 3 jaar vrucht beginnen af te werpen.

Van product naar oplossing
Uit ervaringen tot dusver blijkt tevens dat het aanbieden van een product of een dienst voor hogere waterefficiency niet vanzelf naar succes leidt. Daar is meer voor nodig. Zeker in de zakelijke markt groeit de vraag naar een zogeheten totaaloplossing. Dat betekent dat aanbieders niet alleen het waterverbruik omlaag moeten weten te brengen, maar ook het daarbij behorende energieverbruik. Succesvolle aanbieders moeten derhalve eerst voor zichzelf uitdokteren wat de meer value added producten en diensten zijn in de totale keten van waterbeheersing en waterproductiviteit. Die moeten ze ook met succes aan de man (bedrijf) kunnen brengen. Willen alle marketinginspanningen echt succes hebben, dan doen aanbieders er goed aan zich actief met de komende regelgeving bezig te houden. Aansprekende namen als ABB, GE en Siemens hebben inmiddels met meer of minder succes een positie ingenomen op de watermarkt. Een bedrijf als IBM ziet ook mogelijkheden en zelfs oliemaatschappijen denken dat ze hun boortechnieken op de jonge watermarkt kunnen vermarkten.

Geen eenduidige markt
De watermarkt is geen eenduidige markt. De problemen waarmee landen als Brazilië of Zuid-Afrika te maken krijgen, verschillen aanzienlijk van de enorme problemen waarmee China en India te maken krijgen (hebben). De oplossingen voor de laatstgenoemde landen zullen anders en zeker ingrijpender zijn dan voor de eerstgenoemde. Toch zijn er grosso modo drie deelmarkten in de watersector te onderscheiden:

behandeling en distributie. Dit segment richt zich op de behandeling en distributie van drinkwater en afvalwater. In de meeste landen – ook niet in Nederland – is de kwaliteit van het drinkwater niet langer een vanzelfsprekendheid. Dat vraagt om grote investeringen in bijvoorbeeld membraantechnologie. Maar ook de kwaliteit van het afvalwater moet omhoog om zo hergebruik in de industrie mogelijk te maken. Kwaliteitsverbetering en infrastructuur voor een veilige distributie van het drinkwater zullen in de komende decennia om investeringen vragen van vele honderden miljarden dollars. Die investeringen zullen vooral neervallen in de bekende opkomende markten.
Industriële efficiency. De energiesector en de industriële sector zijn anno nu goed voor 16% van de wereldwijde vraag naar water. Dat loopt op naar 22% in 2030. De grootste groei in deze vraag komt (uiteraard) uit China. Prijsstijgingen en regelgeving zullen genoemde sectoren bewegen nieuwe minder waterslurpende technologieën te ontwikkelen om het verbruik dramatisch te verminderen.
De landbouw. Deze sector is goed voor ongeveer 70% van het verbruik van water. In dit segment is een wereld te winnen. Zoals de zaken er nu bijstaan, vraagt dat om grote krachtinspanningen op meerdere terreinen, zoals betere irrigatietechnieken, de ontwikkeling van andere soorten kunstmest, betere infrastructuur op het platteland in grote delen van de wereld. Het vraagt ten slotte ook nieuwe vormen van financiering die de landbouwsector in staat moet stellen alle gevraagde investeringen te dragen. Zonder twijfel biedt de landbouwsector de grootste uitdaging en zijn de kansen op een snelle verbetering in de waterproductiviteit relatief het kleinst.

Ten slotte
De watermarkt is zonder twijfel een groeimarkt, maar het is een markt met groeistuipen en -problemen. Het is vaak nog een gefragmenteerde markt met sterk lokale trekken. Het is ook een markt waar de rol van de regelgeving nog slechts aan het begin van een lange ontwikkeling staat. Huidige en toekomstige spelers moeten zich opmaken voor een moeizaam en lang traject voordat de huidige problemen opgelost zijn en de markt inderdaad die groeimarkt blijkt te zijn, die het in potentie is.