dinsdag 26 juli 2011

Van offshoring naar onshoring

Het is allemaal begonnen in de VS in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Industriële bedrijven gingen geleidelijk hun productiefaciliteiten overplaatsen naar het Verre Oosten, naar zogeheten lage lonen landen. Lagere productiekosten moesten ervoor zorg dragen dat bedrijven ondanks een verouderde productiestructuur toch competitief bleven. Aan het begin van deze eeuw kwam er nog een tweede motief bij om productiefaciliteiten over te brengen naar Azië. Zo konden bedrijven ten volle profiteren van de onstuimige economische groei in de Opkomende Markten. In navolging van de Amerikanen hebben ook veel Europese bedrijven hun productie overgebracht.

Afkalving
De effecten van de offshoring van bedrijfsonderdelen zijn in de loop der jaren pijnlijk duidelijk geworden. De industriële basis van veel Westerse landen is bijkans totaal geërodeerd. De afkalving is zo ver gevorderd, dat bijvoorbeeld het Pentagon zich hardop zorgen maakt over de groeiende afhankelijkheid van de Amerikaanse defensie van buitenlandse toeleveranciers. Bovendien is gebleken dat met het vertrek van de productiefaciliteiten ook heel veel hoogwaardige banen in de dienstensector verdwenen zijn. Offshoring is daarmee allesbehalve zaligmakend voor de achterblijvers.

Veranderende omstandigheden
In de VS is onder druk van de afkalving in het afgelopen decennium veel gediscussieerd over de negatieve effecten van de offshoring. Vreemd genoeg is dat in Europa helemaal niet gebeurd. Hier beschouwden overheden de afbraak van de industriële basis als een natuurverschijnsel en dus als iets onafwendbaars. In discussies met de overheid benadrukten bedrijven steeds hun kostenvoordeel, maar dat argument gaat steeds minder op, zo blijkt uit een studie van Accenture . Hun onderzoek brengt een aantal beperkingen van het beleid van offshoring aan het licht. De belangrijkste beperking is dat onder de huidige omstandigheden het een competitief voordeel is om dichter bij de klant te zitten. Op die manier kunnen ze vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen. De noodzaak daarvoor neemt toe nu afnemers een snellere levering van speciaal voor hen geproduceerde goederen eisen. Dat is een schier onmogelijke taak bij de huidige lange aanvoerlijnen. Trouwens die lange aanvoerlijnen maken het in de praktijk vaak moeilijk om een fatsoenlijke planning te maken. Dat kan derhalve een onvoorziene kostenpost van formaat worden, zeker als ook de geleverde kwaliteit te wensen overlaat.
Vraagtekens rondom de kwaliteit van de supply chain vormen niet het enige probleem dat speelt. Sinds de financiële crisis van 2008 zijn er meer nadelen duidelijk geworden. Omstandigheden zijn (ten nadele) veranderd. Zo zijn de kosten voor transport de afgelopen jaren sterk gestegen, evenals de kosten voor energie, grondstoffen en componenten, maar ook voor inheemse arbeid. In China bijvoorbeeld schieten de kosten voor arbeid de lucht in. Daarnaast lijkt het erop, dat de wereld terecht is gekomen in een periode van wijd verspreide politieke instabiliteit. Het zijn even zo vele zaken die het bedrijven moeilijk tot onmogelijk maken om snel en soepel in te spelen op snel veranderende wensen van klanten.

Rebalancing
Het antwoord op de kloof tussen vraag en aanbod te verkleinen heet rebalancing. Bedrijven gaan een deel van hun productiecapaciteit terug brengen naar Noord-Amerika en West Europa (onshoring) of naar regio’s in de directe nabijheid, zoals Mexico of Oost-Europa (nearshoring). Het zijn vooral de middelgrote industriële bedrijven die driftig onshoren of nearshoren om beter hun afnemers op de Amerikaanse markt van dienst te zijn. Onder de huidige gewijzigde omstandigheden prefereren ze om vanuit de Amerikaanse markt te exporteren in plaats van het onderhouden en managen van een wereldwijd netwerk.
De echt grote bedrijven zien de noodzaak van rebalancing wel in, maar blijven hun operaties regionaal plannen in de wetenschap dat opkomende markten een steeds groter deel van de omzet (gaan) leveren.

Tenslotte
Het Amerikaanse voorbeeld, maar zeker ook dat van Duitsland, bewijst dat het proces van de-industrialiseren geenszins onomkeerbaar is. Sterker nog, de nasleep van de crisis van 2008 leert het aanhoudend grote belang van de industrie voor de economie van een land. Ook voor Nederland geldt dat het huidige economische herstel bijna uitsluitend op het conto komt van de industrie. De beperkte omvang van die industrie beperkt derhalve de kracht van het herstel. Het behouden van de huidige industriële basis zou dus punt van aandacht moeten zijn voor de Nederlandse overheid. Maar dat is allerminst zo. In haar toekomstvisie op de Nederlandse economie spreekt die overheid bijna uitsluitend over de Randstad, terwijl het industriële hart van Nederland in het zuidoosten klopt.








De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft op persoonlijke titel.


Accenture, Manufacturing’s secret shift. Gaining competitive advantage by getting closer to the customer. Maart 2011

maandag 18 juli 2011

Verkruimelend herstel in 2011

Op basis van de sterke eindsprint in 2010 waren de verwachtingen voor dit jaar hooggespannen. 2011 zou wereldwijd hét jaar van het herstel worden. Vooral de Verenigde Staten heetten aan de vooravond te staan van een gezonde groei van meer dan 3%. Voor Europa waren de vooruitzichten wat gemêleerd met sterke cijfers voor het noorden en mindere uitkomsten voor het zuiden. We weten nu dat het niet zo zal zijn. De VS kampt met een sterke terugval in economische activiteit, de EU weet maar geen antwoord te vinden op de schuldenproblematiek in de Zuidelijke landen, terwijl de nieuwe economische zwaargewichten alweer enkele maanden proberen een aanzwellende inflatie te beteugelen. De uitkomst is dat in de loop van het tweede kwartaal verwachtingen voor de verschillende economische delen van de wereld omlaag gingen.

Wat zit er in het vat?
De prangende vraag voor de tweede helft van dit jaar is in hoeverre groeiremmende factoren als hoge olieprijzen en een Japan dat niet meer mee doet aan de wereldeconomie, tijdelijk blijken. Vooral de VS hebben ernstig te lijden gehad van beide factoren. Hier is positief nieuws te melden. Japan lijkt zijn problemen redelijk te hebben overwonnen. Toyota heeft al laten weten dat de productie sneller verbetert dan geschat . In de VS komen sinds de daling van de productiviteit in de industrie in mei en in juni weer bemoedigende geluiden van een aantrekkende vraag. Een herstel van de industriële activiteiten zal waarschijnlijk onvoldoende zijn om de negatieve gevolgen van het afbouwen van de schulden in de private sector te compenseren. De stagnerende arbeidsmarkt is trouwens ook al geen aanmoediging voor de consumptie. Daar komt nog bij dat de stimuleringsmaatregelen door de overheid (QE1 en QE2) beëindigd zijn zonder dat er concrete plannen zijn voor nieuwe maatregelen. Van de Amerikaanse overheid mag de wereld komende maanden weinig verwachten. De regering Obama en het Congres voeren alweer maanden vruchtenloze gesprekken over het bepalen van een zogeheten schuldenplafond. De discussie is er een tussen twee doven. Op de langere termijn ziet het er naar uit, dat ook de VS onder druk van het IMF en de rating agencies een soberder beleid zullen gaan voeren. Voorwaar, er is weinig dat de hoop rechtvaardigt op een bovengemiddelde groei in de komende maanden. Het is echter maar ten zeerste de vraag of de VS de komende jaren überhaupt erin zullen slagen een bovengemiddeld groeipad in te slaan . De geschiedenis staat niet aan hun kant en onzekerheden blijven dominerend.

Uitslaande brand
Het is alweer meer dan een jaar geleden dat de EU te kampen kreeg met ‘onverwachte schulden’ in het zuiden. Er is sindsdien niet veel anders gebeurd dan eindeloos vergaderen over het relatief kleine probleem dat Griekenland heet. Het huidig beleid van pappen en nathouden heeft er in geresulteerd dat nu zelfs een grote economie als Italië in het schootsveld is komen te liggen van rating agencies en zenuwachtige beleggers. Zodoende heeft Europa ongewild bereikt wat het wilde vermijden. Door alsmaar een definitieve aanpak van de Griekse schulden uit te stellen, hoopten politici en beleidsmakers het besmettingsgevaar voor andere landen in te dammen. Dat is een ijdele hoop gebleken. De onduidelijke discussie over de vraag of banken al dan niet gedwongen moeten deelnemen aan de reddingsoperaties heeft evenmin veel vertrouwen gewekt op de financiële markten. De ultieme dreiging voor Europa is, dat het aanhoudend gebrek aan besluitvaardigheid bij financiële markten het idee zal doen postvatten dat er geen oplossing is voor Europa. Ze zullen dan de boel de boel laten en Europa de rug toe keren. Wie sal dat betaolen, Soete lieve Gerritje?
Voor de korte termijn lijkt daarmee Europa de grootste hinderpaal voor een herstel van de wereldeconomie. De veenbrand uit 2010 dreigt een onbeheersbare uitslaande brand te worden in 2011 of anders in 2012. Met de beschuldigende vinger naar de rating agencies wijzen past in het beeld van ultieme onmacht.

Weinig reden voor optimisme
Op zich is er weinig reden tot vreugde of zelfs maar tevredenheid. Een besluiteloos Europa vormt voor de korte termijn een bedreiging voor het toch al magere herstel van de wereldeconomie. Voor de VS zijn de verwachtingen met een groei tussen 2%-3% gematigd te noemen. Wat verder weg in de tijd lijken vooral de VS een sta-in-de-weg voor aanhoudende economische groei. Het land moet de strijd aan met de uit de hand gelopen overheidsfinanciën, terwijl het volstrekt onduidelijk is wanneer de private sector klaar is met de afbouw van zijn schuldenlasten. Waar moet dan de groei vandaan komen? Er is kortom weinig reden voor optimisme voor de economie van de VS en die van de EU voor de komende jaren.








De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft op persoonlijke titel.



Bloomberg, Japan Stocks Top World as Factory Output Gains With Toyota. 18 juli 2011
Goldman Sachs, The Outlook for H2: Three Post-Crisis Issues Dominate. Global economics weekly, 13 juli 2011.

donderdag 14 juli 2011

Duurzaamheid: balanceren op een smal koord

De economische windrichting blijft onzeker. Voor veel bedrijven is het nog steeds alle hens aan dek om de korte termijn te overleven. Er zal dus weinig tijd en geld gereserveerd zijn voor zaken die de lange termijn betreffen, zo lijkt het. Maar bij nadere beschouwing valt dat mee, als we het laatste rapport van Global Compact mogen geloven .

Grotere betrokkenheid
Uit onderzoek van deze VN organisatie komt naar voren dat vooral internationaal werkende bedrijven het concept van sustainability ofwel duurzaamheid steeds nadrukkelijker gaan omarmen. Sterker nog zaken als het verantwoordelijke omgaan met schaarse goederen en middelen is een zaak geworden die de aandacht heeft van het hoogste echelon. In sommige gevallen gaat die betrokkenheid alweer verder dan het puur zuinig zijn op grondstoffen en energie. Bij de koplopers in duurzaamheid gaat de focus van het topmanagement geleidelijk minder naar het thema aandeelhouderswaarde en meer naar de waarde die een bedrijf heeft voor zijn klanten en toeleveranciers en ja voor het milieu en de samenleving in zijn totaliteit.
Die betrokkenheid kan met een verwijzing naar het eigen verleden, zoals Unilever doet. Dit bedrijf verdedigt zijn initiatief om in arme Indiase dorpen met behulp van vrouwelijke ondernemers zeepproducten aan de man te brengen met een beroep op de eigen historie. Ooit maakte William Lever lifebuoy zeep om de hygiëne te verhogen in het Engeland van koningin Victoria en zodoende allerlei ziektes de kop in te drukken.
Grotere betrokkenheid kan ook op basis van welbegrepen eigenbelang, aldus Michael Porter in een recent artikel in the Harvard Business Review . Bedrijven als opnieuw Unilever, maar ook Nestlé en Pepsi Cola proberen methodes te ontwikkelen waarbij de productie verduurzaamt, maar ook de supply chain. Voor Nestlé betekent dat afscheid nemen van kinderarbeid bij de productie van cacao ten faveure van de kleine Afrikaanse boer. Op die manier snoert een bedrijf de criticasters de mond en is het verzekerd van een constante aanvoer in tijden van oplopende schaarste. Bij PepsiCo zijn ze er inmiddels van overtuigd dat duurzaam produceren (minder waterverbruik) en duurzame en gezonde producten een zeer bevredigend rendement genereren. De zogeheten ‘good for you products’ moeten daar het overtuigende bewijs voor gaan leveren. Nu al is deze categorie voedingsproducten een uitzonderlijk snelle groeier binnen het PepsiCo assortiment.

Midden en kleinbedrijf
We hebben het, voor alle duidelijkheid, hier over een kleine voorhoede van grote bedrijven. Nog steeds zei 18% van de bedrijven die geënquêteerd werden geen tijd en geen geld aan het thema duurzaamheid te besteden in hun contacten met bijvoorbeeld leveranciers. Het gaat hier om internationaal werkende bedrijven. Het beeld verslechtert snel als het MKB ter sprake komt. Slechts de helft van deze bedrijven heeft bijvoorbeeld een opvatting over mensenrechten in hun code of conduct neergelegd. Het is voor hen veel moeilijker om de korte termijn verlangens van bijvoorbeeld de financiële markten naast zich neer te leggen. Voor de multinational is het veel gemakkelijker om met investeerders in debat te gaan over het verwezenlijken van lange termijn doelstellingen en de producten en prestaties die daarbij horen. De grote jongens hebben meer speelruimte, zoveel is duidelijk. Maar ook voor hen is het duidelijk dat er ondanks alles ook op de korte termijn gepresteerd moet worden. Het management moet goed kunnen koorddansen. Dat blijft een vereiste.




























De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Hij schrijft op persoonlijke titel.


2010 Global Compact Implementation Survey. United Nations, June 2011

Michael Porter and Mark Kramer, the big idea: creating shared value. Harvard Business Review, January-February 2011.

dinsdag 12 juli 2011

Ervaren handjes (2)

(World Wealth Report, 2011)

- Het vertrouwen van de vermogende in Nederland in zijn adviseur is terug, maar het vertrouwen is wel fragiel.
- De vermogende is conservatief en risico avers. Het gaat hem in de eerste plaats om het behoud van zijn vermogen.
- De vermogende verwacht van zijn adviseur frequente en gedegen communicatie.
- De vermogende verwachten duidelijkheid over de opbouw van zijn portefeuille en over de commissiestructuur.
- De vermogende verwachten geen vrijblijvend advies, maar een grondige en hoogwaardige kennis van zaken.

De conclusie is duidelijk: de vermogende anno 2011 heeft weer vertrouwen in zijn bankier, maar hij heeft wel een dure les geleerd in 2008. Daarom wenst hij weinig risico te nemen en houdt hij graag een vinger aan de pols. Van zijn adviseurs verwacht hij minder vrijblijvendheid en meer kennis van zaken.
Voor meer betrokkenheid en een grote kennis van zaken: bel: 06-11918878 of mail naar wijtvlietresearch@hotmail.com voor een nadere kennismaking. Een goed gesprek behoort immers tot de kleine geneugten van het leven.

Tot spoedig,

Cor Wijtvliet
Wijtvliet Research












Mocht u deze manier van benaderen niet bevallen, dan hoor ik dat graag. Dan komt er geen volgende keer.

zondag 10 juli 2011

De koopschuwe Amerikaanse consument

Het wil maar niet lukken met het economisch herstel in menig Westers land. Het meest sprekende voorbeeld is natuurlijk de Verenigde Staten. Na een voorspoedig en hoopvol begin in de eerste maanden van dit jaar sputtert de beroemde American jobmachine en kwamen er in mei en juni amper nieuwe banen bij. De werkloosheid loopt weer op en de groeiverwachtingen voor de economie gaan steeds verder omlaag. Er is trouwens wel iets opmerkelijks aan die stijgende werkloosheid. Het zijn momenteel vooral vrouwen die werkloos worden, terwijl mannen nog wel aan een baan komen. Dat is een omkering van een trend die opgang deed sinds 1970 .

De kopschuwe consument
De huidige economie, zeker die in de VS, is er een van hollen of stilstaan. Korte periodes van herstel op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt worden afgewisseld met korte of langere periodes van stagnatie en/of verslechtering. Al ruim een jaar geleden kwam McKinsey Global Institute met een studie die een verklaring biedt voor dit verschijnsel . De researchafdeling stelde vast dat de gecombineerde schuld van de publieke en private sectoren in sommige ontwikkelde economieën tot historische hoogte was gestegen. De geschiedenis leert echter ook, dat wanneer het proces van het afbouwen van die schuld wel zes of zeven jaar kan duren. In een aantal landen, waaronder de VS, is de schuld van de private sector aan het dalen, maar de positieve effecten worden weer teniet gedaan door een aanhoudende stijging van de schuld van de publieke sector. Ook hier biedt de VS het bekendste voorbeeld met de twee quantative easing programma’s. McKinsey komt dan ook tot de conclusie dat het proces van deleveraging, het afbouwen van schulden nog niet of amper van start is gegaan. Er gloort dus vooralsnog weinig licht aan de horizon.
Het is een opvatting die gedeeld wordt door de vermaarde Amerikaanse econoom en somberman, Stephen Roach. In een recent artikel in the Financial Times nam hij de problemen en gevaren van het proces van deleveraging onder de loep . Roach stelt vast dat de schuld van het gemiddelde Amerikaanse gezin weliswaar is terug gelopen van 130% van het besteedbaar inkomen naar 115%. Dat is bemoedigend, maar in de periode 1970-2000 bedroeg de schuld gemiddeld 75%. Er is dus nog een lange weg te gaan en het zelfde geldt voor de gezinsbesparingen. In april bedroegen de gezinsbesparingen 4,9% en dat is fors beter dan het dieptepunt in de besparingen van 1,2% medio 2005. Maar de norm is 8%. Daar komt nog bij dat ruim 24 miljoen Amerikanen geen of te weinig werk hebben en dus kampen met een sterk verslechterde inkomenspositie. Ook de 77 miljoen leden tellende babyboomgeneratie, die komende jaren met pensioen gaat, voelt zich in zijn welvaart bedreigd. Ook zij hebben twijfels over de houdbaarheid van hun pensioen. Met andere woorden, zuinigheid is voor het moment troef bij de Amerikaanse consument en Roach denkt dat dit de trend zal zijn voor een langere reeks van jaren.



Geen herstel van betekenis
Een ongeluk komt nooit alleen en dat is nu ook het geval. Roach wijst er op, dat de Amerikaanse consument goed is voor 70% van het BNP van de VS. Het wil dus nogal wat zeggen als de consument niet of met grote tegenzin zijn traditionele rol speelt. Het slachtoffer is de Amerikaanse economie, maar die niet alleen. De tegenvallende ontwikkeling in de VS gaat hand in hand met problemen in Japan en met de schuldenproblematiek in Europa. Roach denkt dat dit alles slecht nieuws is voor de Opkomende Markten. Die leunen immers nog teveel op hun exportsector. Het zou voor hun eigen bestwil zijn als deze landen hun binnenlandse vraag serieus gaan stimuleren.
En dan nog iets. Het IMF heeft onlangs de VS dringend geadviseerd een serieuze start te maken met het afbouwen van de structurele tekorten. Tot 2016 moeten de tekorten met 7,5% omlaag. Als de Amerikanen het advies van het IMF ter harte nemen, dan zal dat wel weer 0,5% - 0,75% aan groei kosten. Dat is best veel in een periode dat allerlei economische processen te wensen over laten, ook in Europa. Natuurlijk dendert de Europese locomotief, Duitsland, nog steeds voort. Dat biedt vooralsnog weinig zekerheid voor morgen.
Nog niet zo lang geleden pleitten Europese beleidsmakers er vurig voor, dat de Amerikaanse consument zijn bestedingen ging terugschroeven. Een oude volkswijsheid zegt dat het soms beter is als je diepste wens niet uitkomt.










De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft op persoonlijke titel.

Pew Research Center, Two Years of Economic Recovery: Women Lose Jobs, Men Find Them. July 2011
McKinsey Global Institue, Debt and deleveraging: the global credit bubble and its economic consequences, January 2010
Stephen Roach, How Zombie US consumers menace the world economy. 16 juni 2011

dinsdag 5 juli 2011

Herstel, maar het voelt niet als herstel!

Hét kenmerk van het huidig economische herstel is wel, dat voor slechts een enkeling het aanvoelt als herstel. Steeds is er weer gerede twijfel aan de kracht ervan of ziet men nieuwe of oude bedreigingen opduiken. Het mooiste voorbeeld ervan is het alsmaar voortdurende Griekse drama. Het idee dat het herstel versnelt om spoedig daarna te vertragen, heeft al tot de stelling geleid dat sinds de crisis van 2008 het erop lijkt dat cycli korter worden. Daar is echter nog onvoldoende grond voor te vinden.

Een normaal herstel
Als er vanuit een economisch perspectief weinig is dat een verkorting van de cycli staaft, geldt dan dezelfde conclusie als van het perspectief van de financiële markten naar de cyclus kijken ? Goldman Sachs heeft een kwalitatieve vergelijking gemaakt met eerdere cycli. Daarvoor is de zogeheten ‘ equity cycle’ onderverdeeld in vier fases.
De eerste fase is die van de Wanhoop. De markt gaat uit van een verslechtering van de economie en dat heeft consequenties voor de winstverwachtingen. De koers-winstverhoudingen klappen in elkaar. De tweede fase is die van de Hoop: er is sprake van een kort maar heftig herstel van de markt. De kracht van het herstel is gebaseerd op een combinatie van het bereiken van het economisch dal en de verwachting dat nieuwe winstgroei in het verschiet ligt. De derde fase is de zogeheten Groeifase. Dit is een periode die gemiddeld 33 maanden duurt. Winstgroei drijft het herstel op de internationale markten. Deze fase eindigt wanneer het belang van de koers-winstverhoudingen belangrijker wordt voor het ondersteunen van de financiële markten dan de reële winstgroei bij bedrijven. Wanneer dat het geval is spreken we van de Optimistische fase.
Goldman Sachs laat de derde fase beginnen in januari 2010. Het herstel is gebaseerd op een sterke winstgroei bij bedrijven van gemiddeld 27,7%. Echter, in vergelijking met eerdere Groeifases blijft deze fase achter. Historisch gesproken bedraagt average rate of return in de

Figuur 1


Groeifase 10,9%. Daar steekt de huidige -0,7% duidelijk mager bij af. Daarmee is echter niet alles gezegd. De geschiedenis leert ook, dat in de loop van de fase opbrengsten de neiging hebben te groeien. Dat zou kunnen impliceren dat de huidige cyclus verre van over is en dat de fase van versnelling in de groei van de opbrengsten nog moet komen, maar nog een tijdje op zich zal laten wachten. Die stelling is zo vreemd nog niet als we beseffen, dat de winstgroei in deze fase ook achter blijft bij eerdere periodes. Historische feiten, zoals daar zijn de ontwikkeling van de output gap en de werkloosheid, onderstrepen de opvatting dat het nog wel even kan duren voordat de Optimistische fase aanbreekt. Zowel de ontwikkeling van de output gap en de werkloosheid blijven achter bij wat historisch gebruikelijk is.

Geschiedenislessen
De geschiedenis leert geen echte lessen maar laat wel min of meer identieke situaties zien. Welke historische situatie laat zich het best vergelijken met die van de huidige cyclus, meer in het bijzonder met de huidige Groeifase. Goldman denkt dat de huidige gang van zaken zich nog het best laat vergelijken met de lange fase in de jaren negentig van de vorige eeuw, die volgde op de structurele schokken daaraan vooraf gaand. Ter schraging van hun keuze wijzen de bankiers op de volatiele ISM cijfers aan het begin van de jaren negentig en die van de huidige Groeifase. Op basis van al deze, voornamelijk kwalitatieve, bespiegelingen komen ze bij Goldman Sachs tot de conclusie dat de huidige Groeifase tot na 2012 zal aanhouden.
Maar het is echter geen gelopen race, omdat de bedreigingen voor het herstel groter zijn dan gemiddeld. Dat laat zich weer mooi aflezen aan de hoger dan gemiddelde volatiliteit in de huidige cyclus. Het is een uitdrukking van deze risico’s. Met andere woorden: wees op uw hoede en reken uzelf niet op voorhand rijk.

Figuur 2



De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www. Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com. Hij schrijft zijn Nieuwsbrief op persoonlijke titel

1. Goldman Sachs, Strategy matters. Revisiting the equity cycle: On track for a formal recovery. Juni 2011