Oké, China, India, Brazilië, niemand twijfelt er nog aan, dat deze landen de nieuwe economische machten van de 21ste eeuw zullen zijn. Wij, het westen, zullen een deel van onze vanzelfsprekend economisch overwicht moeten delen met deze nieuwkomers. Maar dat hoeft geen probleem te zijn, zo is de communis opinio. Nieuwe uitdagingen bieden immers nieuw kansen om aan de huidige recessieve omgeving te ontkomen. Sterker nog, de nieuwe economische wereldorde geeft het Westen een kans om de eigen economieën te revitaliseren.
Niet langer eigen baas
Maar is die vanzelfsprekende gedachte dat het westen uiteindelijk zal profiteren van de nieuwe orde wel terecht. Nee, denkt Stephen King, chief economist van HSBC en hij heeft zijn ideeën verwoord in een boek . Een van zijn uitgangspunten is dat westerse zelfgenoegzaamheid beleidsmakers verhindert in te zien dat er grote gevaren voor het Westen op de loer liggen. Het grootste gevaar is misschien wel, dat het Westen niet langer op de bok zal zitten (losing control) bij het controleren en besturen van de wereldeconomie. Daarmee is de kans groot dat ze meer en meer controle verliezen over de eigen economische toekomst. Er zal een harde strijd ontbranden om de schaarse grondstoffen, waarbij het Westen inmiddels al een behoorlijke achterstand heeft opgelopen. Landen als China en India, maar ook landen in het Midden Oosten struinen Afrika af op zoek naar zogeheten soft (voedsel) en hard (grondstoffen) commodities. Verlamd door zijn koloniale verleden staat het Westen slechts toe te kijken bij deze wedren om de eigen toekomst veilig te stellen. De onwil en/of het onvermogen om de nieuwe werkelijkheid onder ogen te zien kan grote gevolgen hebben. Het is nu al zo ver dat beslissingen genomen in het oosten invloed hebben op wat er in Europa of de VS gebeurt. De honger naar grondstoffen jaagt de prijzen ervan omhoog en de prijs voor industriële producten omlaag en daarmee is prijsinflatie niet langer het gevolg van binnenlands monetaire omstandigheden. We krijgen het opgedrongen. Evenmin is een lage inflatie een zekerheid voor economische stabiliteit. Daar komt nog bij dat het Westen in hoog tempo vergrijst. Om zijn welvaart op peil te houden zal dit deel van de wereld meer en meer immigranten moeten aantrekken en tegelijkertijd moeten profiteren van de (rente)opbrengst van investeringen in de opkomende markten. Het eerste thema is niet populair en het tweede thema is uiterst onzeker.
Financiële markten
Een ander, griezelig voorbeeld van de nieuwe machtsverdeling treft de internationale financiële markten. Opkomende landen hebben enorme reserves vreemde valuta’s opgebouwd. De gevolgen hiervan zijn genoegzaam bekend. Die grote reserves hebben wereldwijd de lange rente omlaag geduwd en daarmee de basis gelegd voor de creatie van een reeks van asset bubbles. Het Westen is nog steeds druk doende de negatieve effecten ervan te verteren. Maar dat is nog niet het hele verhaal. Volgens Stephen King zullen die nieuwe economische machten minder en minder geneigd zijn de dollar als wereldwijde reservemunt te accepteren. Dat zal grote gevolgen hebben voor het groeipotentieel van de VS. De kosten om hun tekorten te financieren gaan immers drastisch omhoog als de rol van de dollar als internationale reservevaluta is uitgespeeld.
Onevenwichtige inkomensverdeling
De herverdeling van economische macht zal de inkomensongelijkheid tussen landen verminderen, maar die tussen werknemers in de diverse landen vergroten. King wijst op de verzwakte positie van de arbeider in de VS. Het beleid van outsourcing en offshoring heeft tot een onherstelbaar verlies van veel banen geleid met alle gevolgen van dien. Daar staat uiteraard tegenover dat de financiële sector in het Westen de afgelopen twintig jaar geboomd heeft. Heel veel hoogopgeleiden hebben daar een goed betaalde baan gevonden. Echter, de crisis van 2008 heeft laten zien, dat die sector kwetsbaarder is dan vaak verondersteld. Veel van de vaak bejubelde financiële innovaties bleken in de praktijk niet meer dan luchtbellen waren die weinig tot niets bijgedragen hebben aan de welvaartstijging van velen. Die welvaartsstijging bleef beperkt tot een enkeling. Het wordt steeds meer de vraag of het actieve beleid van de industrialisatie niet zeer fnuikend zal blijken voor de welvaart van dit deel van de wereld. Volgens King is die welvaart meer en meer gebouwd op het tweeverdienermodel en op de mogelijkheid gemakkelijk schulden te maken. Beide modellen hebben een beperkte reikwijdte om duurzame welvaart op te bouwen.
King zet ook vraagtekens bij de algemeen geaccepteerde westerse oplossing voor de economische problemen en wel die van een steeds hogere opleiding. Fijntjes wijst hij erop dat ook in dit opzicht de opkomende landen de achterstand inlopen. De kwaliteit van het onderwijs daar gaat geleidelijk omhoog, in dit deel van het westen gaat het geleidelijk omlaag. Daar kunnen ze putten uit een groeiend reservoir, hier krimpt het reservoir.
Tenslotte
Natuurlijk is het niet moeilijk gaten te schieten in het betoog van King, maar een ding blijft overeind. Deels door eigen onvermogen heeft het Westen niet langer controle over de eigen toekomst. Onze kinderen zullen veel harder moeten concurreren met de rest van de wereld dan hen lief zal zijn. Misschien worden ze nog eens heel boos op de Jan Saliementaliteit van hun ouders en over hun eindeloze potverteren.
Stephen King, Losing Control: the emerging threats to Western Prosperity. Yale 2010
dinsdag 26 april 2011
woensdag 20 april 2011
Gezonde verhoudingen in de wereldeconomie
Het is een punt van discussie dat voorlopig nog wel zal aanhouden. In hoeverre droegen omgekeerde kapitaalstromen bij aan de crisis van 2007/08? Met omgekeerde stromen bedoelt de goegemeente het verschijnsel, dat overheden van de zogeheten opkomende landen grote reserves aan vreemde (westerse) valuta’s opbouwden in plaats van in eigen land te investeren. Dit verschijnsel had een drukkende werking op de lange rente met alle vervelende gevolgen van dien, zoals ‘assetbubbels’ en ondeugdelijke financiële innovaties in dit deel van de wereld .
Iedereen is het er weer wel over eens, dat het tijd wordt voor een rebalancing (een wegwerken van onevenwichtigheden) wil het herstel in de wereld echt handen en voeten krijgen. Want consumentenbestedingen zullen in de ontwikkelde landen, de VS voorop, op zijn best matig blijven. Bedrijven potten hun surplus op en beide factoren hebben de publieke sector in diepe schulden gestort.
Gevraagd: een nieuw evenwicht
Willen overheden in de ontwikkelde landen hun schulden aflossen zonder het prille herstel om zeep te helpen, dan zullen bovengenoemde externe onevenwichtigheden moeten verdwijnen. De vraag is of dit kan? Alan Taylor en Manoj Prahan denken dat dit proces op het punt staat van vertrek . Ze voeren in hun artikel vier goede redenen aan waarom dit proces waarschijnlijk is en staat te gebeuren. De eerste reden is, dat opkomende landen een deel van hun enorme reserves gaan afbouwen. Dat doen ze omdat de ervaring heeft geleerd dat die reserves meer dan voldoende zijn gebleken om de zware financiële klappen van 2008 en 2009 op te vangen. Hun reserves verminderden tussen september 2008 en februari 2009 met $ 428 miljard. Dat klinkt fors, maar dat bedrag vertegenwoordigt amper of niet 6% van de wereldwijde besparingen. Daar kom het kostenaspect nog bij. Het aanhouden van grote reserves is een kostbare aangelegenheid in tijden van een ultra laag renteniveau in landen waarvan je de valuta’s als reserves koestert. Een derde punt is dat een strategie die inzet op export als groeimiddel nu minder aantrekkelijk is door de nieuwe zuinigheid in de ontwikkelde landen. Een tweede belangrijke reden is de samengebalde behoefte aan nieuwe investeringen zowel hier maar vooral daar. China vormt hier de uitzondering, want daar is het investeringsniveau al hoog. Maar neem bijvoorbeeld een land als India waar de infrastructuur bijna letterlijk om nieuwe investeringen schreeuwt. Omdat de Opkomende Landen een steeds groter aandeel hebben in de wereldwijde output, zal de investeringsgraad wereldwijd als vanzelf stijgen. Alsmaar stijgende investeringen elders zullen ontwikkelde landen nopen zelf ook meer te gaan investeren. Daarmee zou een einde komen aan een periode van vijftien jaar dat het niveau van besparingen hoger lag dan het investeringsniveau. Aantrekkende consumptie in veel opkomende landen is een derde reden voor rebalancing. De opkomende markten hebben nu geleerd dat het verkeerd kan uitpakken door alle eieren in het mandje van de westerse vraag te leggen. De binnenlandse vraag stimuleren is dan een mogelijkheid, zeker nu er in veel landen een midden klasse groeit die financieel zekerder van zijn zaak en nu minder wil sparen en meer consumeren. Voor een land als China is een sterke binnenlandse een middel om politieke onrust te voorkomen. Ten slotte zullen de besparingen in dit deel van de wereld, met uitzondering van de VS, verder oplopen. Uiteindelijk zal een combinatie van vergrijzing en oplopende investeringsbehoefte een einde maken aan dit proces van besparingen.
Stijgende rentevoeten
De combinatie van enerzijds ontsparingen en anderzijds een explosief stijgende investeringsbehoefte zullen opwaarts effect hebben op de hoogte van de lange rente. De vraag naar kapitaal neemt in eerste instantie in de opkomende landen sterk toe en in tweede instantie in de ontwikkelde landen. Dat proces is uiteraard de laatste fase in het noodzakelijk proces van het wegwerken van de onevenwichtigheden in de wereldeconomie. Het boven beschreven proces zal ook zijn effect hebben op de wisselkoersen. Veel opkomende landen zien zich nu al geplaatst voor de vraag hoe de inflatie te beteugelen. Dat zou kunnen door de nationale munt te laten appreciëren. Waarschijnlijk zal het initiatief hiertoe komen van China waar de overheid een hoge inflatie als een(politieke) ramp beschouwt. Is dit grote schaap eenmaal over de dam dan zullen er meer volgen.
Het beschreven proces lijkt logisch maar daarmee is het nog geen werkelijkheid. Voorlopig blijven de wereldwijde besparingen alleen nog maar stijgen. Ze vertegenwoordigen nu een bedrag van $ 9 biljoen. En schuldenaars (overheid of private instelling) zitten echt niet te wachten op stijgende rentevoeten. Uiteindelijk zal veel zo niet alles afhangen van de opkomende landen. Ze startten indertijd het proces van massieve besparingen en zij bepalen wanneer aan deze politiek op grote schaal een einde komt en dus of er aan een periode van grote onevenwichtigheden in de wereldeconomie een einde komt.
Mervyn King, Global imbalances. The perspectives of the Bank of England. In: Financial Stability Review of the Banque of France. Februari 2011
Alan Taylor and Manoj Pradha, the great rebalancing, Morgan Stanley. Februari 2011
Iedereen is het er weer wel over eens, dat het tijd wordt voor een rebalancing (een wegwerken van onevenwichtigheden) wil het herstel in de wereld echt handen en voeten krijgen. Want consumentenbestedingen zullen in de ontwikkelde landen, de VS voorop, op zijn best matig blijven. Bedrijven potten hun surplus op en beide factoren hebben de publieke sector in diepe schulden gestort.
Gevraagd: een nieuw evenwicht
Willen overheden in de ontwikkelde landen hun schulden aflossen zonder het prille herstel om zeep te helpen, dan zullen bovengenoemde externe onevenwichtigheden moeten verdwijnen. De vraag is of dit kan? Alan Taylor en Manoj Prahan denken dat dit proces op het punt staat van vertrek . Ze voeren in hun artikel vier goede redenen aan waarom dit proces waarschijnlijk is en staat te gebeuren. De eerste reden is, dat opkomende landen een deel van hun enorme reserves gaan afbouwen. Dat doen ze omdat de ervaring heeft geleerd dat die reserves meer dan voldoende zijn gebleken om de zware financiële klappen van 2008 en 2009 op te vangen. Hun reserves verminderden tussen september 2008 en februari 2009 met $ 428 miljard. Dat klinkt fors, maar dat bedrag vertegenwoordigt amper of niet 6% van de wereldwijde besparingen. Daar kom het kostenaspect nog bij. Het aanhouden van grote reserves is een kostbare aangelegenheid in tijden van een ultra laag renteniveau in landen waarvan je de valuta’s als reserves koestert. Een derde punt is dat een strategie die inzet op export als groeimiddel nu minder aantrekkelijk is door de nieuwe zuinigheid in de ontwikkelde landen. Een tweede belangrijke reden is de samengebalde behoefte aan nieuwe investeringen zowel hier maar vooral daar. China vormt hier de uitzondering, want daar is het investeringsniveau al hoog. Maar neem bijvoorbeeld een land als India waar de infrastructuur bijna letterlijk om nieuwe investeringen schreeuwt. Omdat de Opkomende Landen een steeds groter aandeel hebben in de wereldwijde output, zal de investeringsgraad wereldwijd als vanzelf stijgen. Alsmaar stijgende investeringen elders zullen ontwikkelde landen nopen zelf ook meer te gaan investeren. Daarmee zou een einde komen aan een periode van vijftien jaar dat het niveau van besparingen hoger lag dan het investeringsniveau. Aantrekkende consumptie in veel opkomende landen is een derde reden voor rebalancing. De opkomende markten hebben nu geleerd dat het verkeerd kan uitpakken door alle eieren in het mandje van de westerse vraag te leggen. De binnenlandse vraag stimuleren is dan een mogelijkheid, zeker nu er in veel landen een midden klasse groeit die financieel zekerder van zijn zaak en nu minder wil sparen en meer consumeren. Voor een land als China is een sterke binnenlandse een middel om politieke onrust te voorkomen. Ten slotte zullen de besparingen in dit deel van de wereld, met uitzondering van de VS, verder oplopen. Uiteindelijk zal een combinatie van vergrijzing en oplopende investeringsbehoefte een einde maken aan dit proces van besparingen.
Stijgende rentevoeten
De combinatie van enerzijds ontsparingen en anderzijds een explosief stijgende investeringsbehoefte zullen opwaarts effect hebben op de hoogte van de lange rente. De vraag naar kapitaal neemt in eerste instantie in de opkomende landen sterk toe en in tweede instantie in de ontwikkelde landen. Dat proces is uiteraard de laatste fase in het noodzakelijk proces van het wegwerken van de onevenwichtigheden in de wereldeconomie. Het boven beschreven proces zal ook zijn effect hebben op de wisselkoersen. Veel opkomende landen zien zich nu al geplaatst voor de vraag hoe de inflatie te beteugelen. Dat zou kunnen door de nationale munt te laten appreciëren. Waarschijnlijk zal het initiatief hiertoe komen van China waar de overheid een hoge inflatie als een(politieke) ramp beschouwt. Is dit grote schaap eenmaal over de dam dan zullen er meer volgen.
Het beschreven proces lijkt logisch maar daarmee is het nog geen werkelijkheid. Voorlopig blijven de wereldwijde besparingen alleen nog maar stijgen. Ze vertegenwoordigen nu een bedrag van $ 9 biljoen. En schuldenaars (overheid of private instelling) zitten echt niet te wachten op stijgende rentevoeten. Uiteindelijk zal veel zo niet alles afhangen van de opkomende landen. Ze startten indertijd het proces van massieve besparingen en zij bepalen wanneer aan deze politiek op grote schaal een einde komt en dus of er aan een periode van grote onevenwichtigheden in de wereldeconomie een einde komt.
Mervyn King, Global imbalances. The perspectives of the Bank of England. In: Financial Stability Review of the Banque of France. Februari 2011
Alan Taylor and Manoj Pradha, the great rebalancing, Morgan Stanley. Februari 2011
dinsdag 12 april 2011
We zijn gestart
In de VS opent het cijferseizoen traditioneel met de presentatie van de resultaten van Alcoa. Op het eerste gezicht vielen de uitkomsten mee. De winst per aandeel bedroeg $28 cent en dat was een cent boven verwachting. In dollars bedroeg de winst $ 308 miljoen. De omzet steeg een forse 22% en kwam uit op $5,96 miljard. Voldoende redenen voor tevredenheid, zou je denken. Maar nee, het aandeel Alcoa ging nabeurs met ruim 3% onderuit. De oorzaak? De omzet kwam uit net onder $6 miljard in plaats van net er boven. Sommige beleggers zijn ware rupsjes nooit genoeg. Cijfers moeten perfect zijn en nog liever beter dan perfect.
Dat neemt allemaal weer niet weg, dat resultaten van een bedrijf als Alcoa altijd de moeite waard zijn om nader te bekijken. Het bedrijf is immers een wereldmarktleider als het gaat om de productie van aluminium en in die zin fungeert het bedrijf als een thermometer van de wereldeconomie.
De eerste kwestie die om een antwoord vraagt is die van de ‘tegenvallende’ omzet. Waarom bleef die achter. Was er minder vraag? Nee, het antwoord schuilt dit keer in de valutaverhoudingen. Alcoa is actief in meer dan dertig landen. Het bedrijf rekent af in lokale valuta’s, maar verkoopt zijn aluminium in dollars en die dollar verzwakte het afgelopen kwartaal ten opzichte van een reeks van andere munten. Zo steeg de Canadese dollar bijna 5% in waarde ten opzichte van de dollar, de Braziliaanse reaal steeg 11% in waarde en de Australische dollar deed het 12% beter. Je mag derhalve concluderen, dat puur markttechnisch Alcoa ruimschoots aan de verwachtingen voldeed.
De tweede kwestie is in hoeverre ‘Japan’ en het Midden Oosten van invloed zijn op de cijfers. De productie van aluminium slurpt enorme hoeveelheden energie. De invloed van de olieprijs is echter beperkt op Alcoa. Veel van de smelterijen en ovens zijn de afgelopen jaren overgeplaatst naar bijvoorbeeld IJsland waar energie niet alleen ruim voorradig is maar ook nog goedkoop. Indirect is Alcoa uiteraard weer wel gevoelig voor factoren als “Japan” en het Midden Oosten. De productie van caustische soda kan niet zonder olie. Caustische soda is nodig voor de productie van bauxiet.
Bedrijven als Alcoa werken met smalle winstmarges. Het is steeds weer een strijd tussen kosten en opbrengsten. In die zin is het bedrijf succesvol geweest in het eerste kwartaal. Het bedrijf is erin geslaagd kostenstijgingen in de hand te houden terwijl de vraag naar eindproducten steeg. Als we de Amerikanen mogen geloven blijft de vraag naar hun producten oplopen en gaan de prijzen geleidelijk omhoog. Dat is goed nieuws voor het nog jonge tweede kwartaal. En nu eens kijken of Alcoa meer is dan een eerste zwaluw, want die maakt nog geen zomer.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Dat neemt allemaal weer niet weg, dat resultaten van een bedrijf als Alcoa altijd de moeite waard zijn om nader te bekijken. Het bedrijf is immers een wereldmarktleider als het gaat om de productie van aluminium en in die zin fungeert het bedrijf als een thermometer van de wereldeconomie.
De eerste kwestie die om een antwoord vraagt is die van de ‘tegenvallende’ omzet. Waarom bleef die achter. Was er minder vraag? Nee, het antwoord schuilt dit keer in de valutaverhoudingen. Alcoa is actief in meer dan dertig landen. Het bedrijf rekent af in lokale valuta’s, maar verkoopt zijn aluminium in dollars en die dollar verzwakte het afgelopen kwartaal ten opzichte van een reeks van andere munten. Zo steeg de Canadese dollar bijna 5% in waarde ten opzichte van de dollar, de Braziliaanse reaal steeg 11% in waarde en de Australische dollar deed het 12% beter. Je mag derhalve concluderen, dat puur markttechnisch Alcoa ruimschoots aan de verwachtingen voldeed.
De tweede kwestie is in hoeverre ‘Japan’ en het Midden Oosten van invloed zijn op de cijfers. De productie van aluminium slurpt enorme hoeveelheden energie. De invloed van de olieprijs is echter beperkt op Alcoa. Veel van de smelterijen en ovens zijn de afgelopen jaren overgeplaatst naar bijvoorbeeld IJsland waar energie niet alleen ruim voorradig is maar ook nog goedkoop. Indirect is Alcoa uiteraard weer wel gevoelig voor factoren als “Japan” en het Midden Oosten. De productie van caustische soda kan niet zonder olie. Caustische soda is nodig voor de productie van bauxiet.
Bedrijven als Alcoa werken met smalle winstmarges. Het is steeds weer een strijd tussen kosten en opbrengsten. In die zin is het bedrijf succesvol geweest in het eerste kwartaal. Het bedrijf is erin geslaagd kostenstijgingen in de hand te houden terwijl de vraag naar eindproducten steeg. Als we de Amerikanen mogen geloven blijft de vraag naar hun producten oplopen en gaan de prijzen geleidelijk omhoog. Dat is goed nieuws voor het nog jonge tweede kwartaal. En nu eens kijken of Alcoa meer is dan een eerste zwaluw, want die maakt nog geen zomer.
De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.
Abonneren op:
Posts (Atom)
