donderdag 31 maart 2011

Groeiend optimisme

Het is alweer april en de financiële wereld staat aan de vooravond van de cijferregen door bedrijven over het eerste kwartaal van 2011. Dat werpt de vraag op hoe de bedrijven er voor staan, hoe ze naar de toekomst kijken en wat uiteindelijk beleggers mogen verwachten.

Business roundtable
Die verwachtingen zijn wat de VS betreft hooggespannen. Bedrijven lieten in 2010 betere cijfers zien dan verwacht bij een tegenvallende economische ontwikkeling. Nu ziet dat scenario er beter uit. Economische groei is terug in de VS, althans dat denken de CEO’s van de grote Amerikaanse corporates die lid zijn van de Business Roundtable. De Index van deze organisatie voor Vooruitzichten staat nu met 113 op een all time high.
Meer dan 90% van de aangesloten leden gaat vooralsnog uit van een verdere groei van de omzet in de komende 6 maanden. Dat optimisme is feitelijk de basis voor een aantrekken van de investeringen in mensen en machines.

Het zakelijk optimisme wordt ondersteund door de winstverwachtingen voor Standard & Poor’s 500 Stock Index. Analisten gaan ervan uit dat de winsten van de bedrijven over het eerste kwartaal van 2011 in deze index met gemiddeld 12% zullen zijn toegenomen. Omzetten zullen naar verwachting met gemiddeld 7,8 gegroeid zijn. Dat is een mooie prestatie, omdat de winsten over 2010 met gemiddeld 29% omhoog geschoten zijn, de sterkste groei sinds 1948.

Waarschuwing
Het groeiend optimisme heeft zich tot dusverre vertaald in een stijging van de aandelenkoersen. De S&P 500 is in dit jaar met 5,6% gestegen.
De zon schijnt weer uitbundig, mag je zeggen, maar daar past toch een waarschuwing bij voor overenthousiaste potentiële beleggers. De combinatie van hooggespannen verwachtingen bij beleggers en recordwinsten in 2010 maakt de kans op teleurstellingen groot. Zelfs als bedrijven cijfers presenteren die aan de verwachtingen van de analisten voldoen, is de kans groot dat de koers omlaag gaat. Het is een wetmatigheid, dat in tijden van een opgaande conjunctuur en groeiend optimisme beleggers alleen nog maar tevreden zijn als verwachtingen overtroffen worden. Dit is de eerste waarschuwing.
De tweede geldt de waardering ofwel hoe duur is een aandeel in relatie tot de winstontwikkeling. In 2009/10 waren aandelen goedkoop. Aanbieders konden ze aan de straatstenen niet kwijt. Nu begint dat te veranderen. De vraag naar aandelen neemt weer toe, ook in Nederland. Pas dus op dat je niet teveel betaalt. Doe wat het Zeeuws meisje ooit zei: geen cent teveel !!!!!
Een derde waarschuwing is het consumentenvertrouwen. De optimistische consument besteedt en in de afgelopen maanden zijn de Amerikanen weer meer gaan uitgeven. In maart is er echter een kink in de kabel gekomen. Consumenten zijn spaarzamer geworden en dat is waarschijnlijk te wijten aan de sterk stijgende energieprijzen. De vraag is of maart de uitzondering op de regel is of een voorbode voor meer onheil.
Een gewaarschuwd man telt voor twee.




De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

maandag 28 maart 2011

Japan in perspectief

In zijn column van donderdag 24 maart in het financieele dagblad haalt Wim Boonstra, chief economist van Rabobank, woedend uit naar een analist. Die wist daags na de tsunami doodleuk te melden dat een ramp eigenlijk wel goed was voor de Japanse economie. Die zou nu een fikse oppepper krijgen. De woede is begrijpelijk en terecht. Sommige analisten zijn zo afgestompt dat ze ook menselijk leed nog slechts in termen van winst en verlies kunnen beschrijven. Dat neemt weer niet weg, dat er aan elke ramp ook economische aspecten zitten waar je rustig je licht over mag laten schijnen.

Natuurrampen in historisch perspectief
The international disaster database van the Centre for Research on the Epidemiology of Disasters (CRED) heeft sinds 1980 meer dan 6000 grotere en kleinere natuurrampen geteld. Slechts 40 van dat grote aantal veroorzaakten een schade die groter was dan 1% van het BNP van het jaar daarvoor.
Uit onderzoek naar economische consequenties op korte termijn rijzen twee effecten op voor het BNP. De eerste is, dat de groei van kwartaal op kwartaal met gemiddeld 3 procent punt daalt op jaarbasis in het kwartaal waar de ramp plaats heeft. De productie daalt met gemiddeld 0,55 ppt maar al in het volgende kwartaal herstelt de productie zich naar een niveau van vóór de ramp. De groei in investeringen stagneert om zich in de daarop volgende kwartalen te herstellen. Hetzelfde beeld zien we bij export en import. Kortom, na een forse terugval volgt een scherp herstel in het kwartaal daarop volgend. De tweede conclusie is een beetje een open deur maar daarmee niet onbelangrijk. Naarmate de ramp groter van omvang is, is de terugval in economische groei groter.

Overeenkomsten tussen grote rampen
Verandert het beeld als we kijken naar natuurrampen die niet ‘lokaal’ zijn maar een uistraling hebben naar de rest van de wereld? Een blik op figuur 1 is voldoende om vast te stellen, dat er sprake is van eenzelfde patroon. De industriële productie zakt in om zich al in de volgende maand weer te herstellen.












Figuur 1


De verklaring voor de snelle opleving ligt bij het overheidsoptreden. Die gaat haar uitgaven scherp opvoeren. Het beste voorbeeld daarvan levert de Hanhsin aardbeving in 1995 in Japan. In het eerste kwartaal van 1995 groeide de economie met 0,8% van kwartaal op kwartaal. Terwijl investeringen en consumptie daalden, groeiden de overheidsuitgaven met 2,8%.
De gevolgen voor de financiële markten blijken minimaal. In het geval van de Hanhsin aardbeving daalde de Nikkei met 8% in de week na de ramp, maar weer een week later waren de verliezen alweer gehalveerd. Op de obligatiemarkten was niet eens sprake van een rimpeling.

Onzekerheden
Het zou mooi zijn als er slechts (positieve) overeenkomsten zijn tussen grote natuurrampen, maar er zijn weldegelijk grote verschillen. De eerste is die van de omvang. De huidige ramp zal heel kostbare gevolgen hebben. Nu al schatten Japanse economen de schade op 1,6x zo groot als die van de Hanhsin ramp, de kostbaarste tot nu toe. En dan is er natuurlijk de nucleaire component. Aanhoudende onzekerheid hierover kan gevolgen hebben voor het consumentengedrag binnen en buiten Japan. Het kan ook gevolgen hebben voor de wereldwijde plannen om kerncentrales te bouwen. Uitstel of afstel heeft negatieve effecten op de prijs voor olie en gas. Een derde onzekerheid is of de energievoorziening zich snel herstelt. Nu is Japan breed 10%-12% minder energie voor handen. Is de voorziening al in april terug op het oude niveau, dan zal de economie daar last van hebben maar niet dramatisch. Als het herstel op zich laat wachten, dan zal de schade groter en langduriger zijn in de vorm van afnemende economische groei in heel 2011. Hoewel het hart van de Japanse industrie niet geraakt is door de tsunami, is er nu al sprake van schaarste in bepaalde sectoren van de economie in landen over heel de wereld. Vooral de halfgeleidersector lijkt kwetsbaar en de daarvan afhankelijke producten zoals digitale camera’s en mobiele telefoontjes. Op korte termijn zijn de problemen niet onoverkomelijk, omdat voorraden een gemiddelde omvang hebben voor zes weken. Daarna gaat het echt bijten voor een aantal sectoren en bedrijven.

Tenslotte
De grootste economische dreiging voor Japan schuilt voorlopig toch in het uitblijven van een tijdig herstel van de energievoorziening. Dat kan een snel herstel in de weg staan. Voor landen buiten Japan lijken er in eerste instantie weinig problemen. Hooguit zal (tijdelijk) de export naar Japan afnemen. Als we echter de onzekerheid over de uitkomsten in Japan combineren met de aanhoudende onzekerheden in het Midden Oosten dan verslechtert het beeld. Gecombineerde onzekerheden vertalen zich eerst en vooral in een grote opwaartse prijsdruk voor olie en dat kan weleens heel 2011 aanhouden. In hoeverre dat een structureel effect heeft op het economisch herstel in Europa en de VS laat zich moeilijk raden. Voorlopig lijkt het herstel in de VS lijkt eerder aan kracht te winnen dan aan vaart in te boeten. Voor Europa is het op dit moment belangrijker dat de EU erin slaagt succesvol de schuldencrisis het hoofd te bieden. Aanhoudende politieke besluiteloosheid kan het Europese herstel meer schade doen dan de grote onzekerheden rondom de Japanse kernreactoren en de Libische burgeroorlog.


De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

Kostbare dagelijkse kost

De aanhoudende politieke onrust in het Midden Oosten en de ramp in Japan hebben berichten over de hernieuwde stijging van prijzen in de agribusiness naar de achtergrond verdreven. Dat is ten onrechte. Prijzen voor verschillende graansoorten zijn afgelopen jaar met 80% en meer gestegen. Het ziet er naar uit dat de wereld aan het begin staat van een langdurige periode van prijsstijgingen. Figuur 1 toont dat die prijsstijgingen fors kunnen zijn. Een combinatie van incidentele en structurele factoren ligt daar aan ten grondslag.

Figuur 1


De structurele context
Er is al veel gesproken en geschreven over de trends die de verhouding tussen vraag en aanbod structureel kunnen bedriegen. We zetten de belangrijkste trends op een rij. De vraag naar landbouwproducten neemt toe, omdat meer mensen in vooral Azië meer te besteden hebben. De betere inkomenspositie laat zich het best aflezen aan een grotere vraag naar vlees. Voor de productie van vlees is vijf tot tienmaal zoveel landbouwgrond nodig dan voor een even calorierijk vegetarisch dieet. Dankzij de aanhoudende bevolkingsgroei in bijvoorbeeld Azië en Afrika zal de vraag naar vlees nog een lange tijd blijven groeien.
Een tweede structurele probleem is dat het steeds moeilijker wordt nieuwe landbouwgrond onder de ploeg te nemen. Vooral de verstedelijking eist meer en meer grond op. En dan is er de toenemende concurrentie van de biobrandstof. Een tekort aan water vormt in sommige delen van de wereld een bedreiging voor de opbrengst per hectare. Trouwens de opbrengst per hectare stagneert sowieso, zoals figuur 2 duidelijk maakt. Dat is voor een deel te wijten aan het achter blijven van investeringen en R&D in de landbouw. De Groene Revolutie van de vorige eeuw is ten einde, maar een nieuwe revolutie die de opbrengsten per hectare weer fors doet stijgen, laat nog op zich wachten. En dan is er tenslotte nog het probleem van infrastructuur. In vooral Afrika is het voor veel keuterboertjes onmogelijk krediet te krijgen om hun bedrijfsniveau te verbeteren. Onvoldoende vervoersmogelijkheden, maar ook een gebrekkige kennis van zaken hebben als gevolg dat bijna 50% van de potentiële voedselproductie niet op de markt komt.

Figuur 2


De korte termijn
De structurele problemen zijn bekend, maar een afdoend antwoord laat vooralsnog op zich wachten. Het ligt daarom voor de hand dat prijzen eerder zullen blijven stijgen, dan weer gaan dalen. De omvang van de stijging is afhankelijk van incidentele factoren. Een wel zeer ingrijpende factor heet het weer. Aanhoudende droogte in Rusland en Argentinië gecombineerd met zware regenval in Canada en Australië hebben de oogsten in die landen doen mislukken. En dan is er nog La Nina die de weersomstandigheden in bijvoorbeeld delen van de VS en de Filippijnen nadelig beïnvloedt. Tenslotte menen mensen die het kunnen of moeten weten, dat klimaatsverandering een rol gaat spelen of al speelt. Dan kijken ze naar de aanhoudende droogte in China.
Niet alleen het weer is van invloed op de prijsontwikkeling, handelspolitieke overwegingen zijn dat eveneens. In 2007/08 besloten meer dan dertig overheden de export van rijst te stoppen om de eigen markt te beschermen. Dat verstoorde niet alleen de internationale prijsverhoudingen, maar het maakte het de boeren van die landen onmogelijk om van de hogere prijzen te profiteren door extra te gaan produceren.
De olieprijs is een derde potentiële verstorende factor. De landbouw is energie-intensief en verbruikt meer dan 10% van alle energie. Tegelijkertijd is de landbouwsector in een aantal landen leverancier van biobrandstoffen en dat heeft ook een prijsopdrijvend effect.

Figuur 3

Een laatste verstorende factor heet de speculant te zijn. Uitvoerig onderzoek naar de rol van de speculant in de ‘voedselcrisis’ van 2007/08 heeft niet aangetoond dat het actoren op de financiële markten waren die medeverantwoordelijk waren voor de stijging van de voedselprijzen. Financiële markten lijken eerder te volgen dan te initiëren. Dat neemt niet weg dat landbouwproducten een interessante vermogensklasse zijn. De prijs ervan is het gevolg van bewegingen in de sector zelf en niet van gebeurtenissen op de financiële markten. De geringe correlatie maakt agribusiness interessant als instrument voor de portfoliodiversificatie (voor een goede spreiding in de beleggingsportefeuille).

Tenslotte
Het heeft er de schijn van dat de wereld gevoeliger is geworden voor prijsschommelingen op de agrarische markten. Prijzen zullen, zo is de verwachting, aan de hoge kant blijven. Daar kan wel het een en ander aan gedaan worden. Het verdient aanbeveling om het kennisniveau van de keuterboer in grote delen van de wereld te verbeteren. Dat zal op korte termijn de opbrengsten kunnen verhogen. Meer investeringen in de landbouw zijn dan absoluut noodzakelijk. Het zou een goede zaak zijn als er weer behoorlijke voorraden aangelegd worden als wapen tegen plotselinge tekorten. En tenslotte zou het geen kwaad kunnen meer en betere data te verzamelen over bijvoorbeeld het niveau van voorraden, productieverwachtingen en consumentengedrag. Dat zou betrokken partijen in staat moeten stellen goed gemotiveerde beslissingen te nemen. Zo wordt de dagelijkse kost niet te kostbaar voor de minder bedeelde consument.

De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.




Deutsche Bank Research, Where are foodprices heading? Short-term drivers, trends and implications. Maart 2011

zondag 20 maart 2011

De toekomst van de euro

In 1999 lanceerde de Europese Unie de euro en een Europese muntunie was daarmee een feit. Van meet af aan hebben critici erop gewezen dat de introductie van de nieuwe munt plaats vond zonder dat er sprake was van het installeren van begeleidende instituties of beleid die moesten waken over het heil en de waarde van de munt. Oké, in 1998 was de Europese Centrale Bank in werking getreden, maar daarmee was feitelijk alles gezegd. De schuldencrisis van 2009/10 heeft de gebrekkige structuur waarbinnen de euro moet functioneren onbarmhartig bloot gelegd. De diepe crisis dwong beleidsmakers in de verschillende lidstaten van de unie om onder ogen te zien dat er op centraal niveau te weinig autoriteit was om corrigerend op te treden en lidstaten tot verantwoord gedag te dwingen. Sindsdien laait met grote regelmaat de discussie op over de toekomst van de euro en het gebied waarin deze euro als munt geaccepteerd wordt. Het Europees getalm en getouwtrek hebben er in geresulteerd dat beleggers van de euro nu een risicopremie eisen in ruil voor het aanhouden van de euro.

Drie scenario’s
In de discussie over de toekomst van de euro en het eurogebied onderscheidt de Japanse investmentbank Nomura drie scenario’s . Het eerste scenario is dat van de totale break up. De muntunie houdt op te bestaan. De gevolgen van een totaal uiteenvallen, laten zich maar moeilijk raden. De verschillende nationale banken zouden weer een eigen munt moeten gaan uitgeven. Er zou een conversieproces nodig zijn om allerlei euro gerelateerde financiële instrumenten om te zetten naar nationale financiële instrumenten tegen een nader de bepalen waarde. De ECB zou ophouden te bestaan en haar assets verdeeld onder de voormalige leden. Alleen al de suggestie van een break up zou grote kapitaalsstromen genereren tussen verschillende euro landen, maar ook stromen naar landen buiten het eurogebied. Beleggers gaan immers op zoek naar veilige oorden voor hun beleggingen. Het gevolg zou een grote bankencrisis kunnen zijn die uitmondt in een diepe recessie. Het is ook maar zeer de vraag of de financiële markten de nieuwe munteenheden wel gunstig zullen beoordelen met als gevolg sterk stijgende risicopremies voor de nieuwe munteenheden. En die premie kan fors oplopen, zoals het Italiaanse voorbeeld leert ten tijde van het inklappen van het Europese Wisselkoersmechanisme in 1992. Toen liep de risicopremie voor de Italiaanse lire met meer dan 50% op. Italië zag zich toen gedwongen de ERM te verlaten. De economische schade van een break up zal enorm zijn en daarmee niet erg waarschijnlijk.
Het tweede scenario is dat enkele ‘zwakke’ landen de unie gaan verlaten. Het motief ervoor zou kunnen zijn om via een devaluatie van de nieuwe/oude nationale munt het competitief vermogen van het land te verbeteren en aldus de economische groei aan te jagen. Maar een uittreden is niet zonder risico’s. Zal dat land in staat blijken de schulden in euro’s te voldoen? Een default lijkt daarmee onvermijdelijk. De combinatie van default en devaluatie zou een ernstige slag betekenen voor het bancaire systeem. Er zou immers een uitstroom van kapitaal op gang komen. Los daarvan, een uittreden zou landen beroven van allerlei aantrekkelijke regelingen binnen de Unie, zoals vrijhandelsovereenkomsten en overdrachten uit het Europees budget.
Het derde en meest waarschijnlijke scenario is, dat de unie blijft zoals het nu is. Daarmee zijn echter de huidige problemen in de bankensector en een mogelijk default van een aantal landen niet van de baan. Het zou prettig zijn als er een supranationale instelling zou komen die aangesloten landen dwingend een prudent fiscaal beleid zou kunnen opleggen. Dat zou bijdragen aan de lange termijnstabiliteit van de unie. Het nadeel is, dat er momenteel geen beleid mogelijk is om de cyclische verschillen tussen lidstaten te bestrijden. De enige mogelijkheid is dat betrokken landen zich door een langdurig proces van aanpassingen moeten worstelen met alle politieke en financiële onrust van dien binnen en buiten die landen.
Een tussenoplossing zou kunnen zijn dat surpluslanden binnen de unie de hand reiken naar de tekortlanden door een deel van het surplus te transfereren naar de tekortlanden. Dat soort transfers is in de VS aan de orde van de dag. Het is dus niets nieuws. Mocht dat gebeuren, dan zou de risicopremie voor de euro waarschijnlijk gaan dalen en zou de financiële stabiliteit alleen maar toenemen.

Ook zonder de risicopremie, maar met iets wat op fiscale consolidatie lijkt, zijn de problemen nog niet over. De afgelopen twee jaar heeft de euro ingeboet aan waarde vis a vis de Zwitserse franc en de Zweedse kroon. Dat is een teken dat verhoudingsgewijs de unie inlevert aan kracht ten opzichte van die economieën. Het is maar te hopen dat de rente laag blijft. Dat moet het de lidstaten mogelijk maken om zich door hun berg van schulden heen te werken. Het uiteindelijke resultaat moet dan zijn dat de unie haar fundamentele krachten weer herwint.
De les voor Europa tot dusverre is, dat er een crisis nodig is om stappen voorwaarts te zetten, maar dat dit een pijnlijk proces voor de zwakkere lidstaten zal zijn. Alternatieven zijn er eigenlijk niet. Dan zal de pijn alleen maar groter zijn.


Nomura, Europe will work, Maart 2011

vrijdag 18 maart 2011

Naschokken voor Japan

De wereld is nog steeds in angstige afwachting van de afloop van de grote nucleaire problemen in Japan. Dat wil weer niet zeggen, dat sommige partijen de blik alweer proberen te richten naar de periode na de ramp. Wat betekent het dat door de tsunami ongeveer 12,4 GW ofwel 25% van de nucleaire capaciteit van Japan voor langere tijd is komen stil te liggen. Wat betekent dat voor Japan zelf, maar ook wat betekent het voor de rest van de wereld. Goldman Sachs schetst een scenario aan de hand van de gebeurtenissen in 2007, toen ongeveer 8,2 GW voor langere tijd aan de nucleaire productiecapaciteit ontrokken werd. Dat was ook toen te wijten aan een aardbeving.

In het spoor van 2007
Een van de gevolgen van de aardbeving in 2007 was, dat 8,2 GW van de Japanse nucleaire capaciteit kwam stil te liggen. Japan heeft deze uitval op verschillende manieren proberen te compenseren. Het land verhoogde de import van LNG (vloeibaar aardgas) met een equivalent van 3,7 GW. Het resterende deel bestond uit olieproducten en in laatste instantie uit kolen.
Het is op zijn minst aannemelijk dat Japan in 2011 eenzelfde weg kan gaan bewandelen als in 2007 om aan zijn acute energietekorten te voldoen. De Japanse voorkeur voor vloeibaar gas is te begrijpen. Het land heeft een kostenefficiënte infrastructuur aan gas gestookte centrales. De olie gestookte centrales zijn van oudere datum en daarom zullen olie-importen pas in tweede instantie stijgen. De omvang van die importen zal afhangen van de overcapaciteit van de gasgestookte centrales. Omdat de tekorten in 20011 en verder groter zijn dan die in 2007, zullen de mogelijkheden om tekorten met gas op te vangen kleiner zijn. Het kan dus eigenlijk niet anders dan dat ook de vraag naar olie en kolen groter zal zijn dan in 2007.
Een geluk bij een ongelijk is, dat de havenfaciliteiten bijna allemaal in tact zijn gebleven of weer in tact zijn en dat geldt ook voor de faciliteiten voor het aanlanden van LNG. Goede en uitgebreide aanlandingsfaciliteiten zijn min of meer van levensbelang. Ook in opzicht leert 2007 belangrijke lessen. Van de 8,2 GW aan weggevallen nucleaire capaciteit was aan de vooravond van de ramp pas 5 GW weer voor handen. Importen blijven noodzakelijk en worden nog belangrijker om de economie draaiende te houden.

De economische schade
Ook voor het vast stellen van de economische schade is het eigenlijk nog te vroeg. Over de duim gerekend komen economen van Goldman Sachs in Japan tot een voorlopig schadebedrag van $ 200 miljard. Veel zal daarbij afhangen hoe lang de grote stedelijke agglomeraties zoals Tokyo te kampen hebben en houden met ernstige energietekorten. Volgens TEPCO, eigenaar van de kerncentrales, zullen energietekorten tot zeker in april aanhouden. Het kan dus zomaar gebeuren, dat de Japanse economie over het 2de kwartaal in 2011 een krimp zal laten zien om vervolgens in het 3de kwartaal weer groei te laten zien. Krimp in Japan laat uiteraard de wereldeconomie niet onberoerd!
Welk land zal in staat zijn om aan de onverwachte vraag uit Japan te voldoen? Er hebben zich vooralsnog drie gegadigden gemeld en wel Rusland, Indonesië en Katar. Van het laatste land is het meeste te verwachten, omdat het verhoudingsgewijs de grootste overcapaciteit heeft en dus kan leveren.

Naschokken voor de rest van de wereld
Het is nog maar zeer de vraag of de rest van de wereld verschoond zal blijven van negatieve effecten van de ‘fall out’ in Japan. Het duurt zeker nog jaren voordat de nucleaire capaciteit in Japan weer hersteld is. De vraag is natuurlijk of dit nog ooit het geval zal zijn. De (bijna)-ramp heeft de discussie wereldwijd over kernenergie weer doen oplaaien. Het is heel goed denkbaar dat allerlei uitbreidingsplannen in ieder geval voor heel lang de ijskast in gaan. Misschien komen ze er wel nooit meer uit. Het beste voorbeeld daarvan is Duitsland. Het lijkt nu onafwendbaar dat zeven van de zeventien kerncentrales voorgoed dicht gaan. In eerste instantie lijken kolen gestookte centrales het voorlopige antwoord op de ontstane capaciteitsproblemen, maar ook deze technologie is verre van omstreden. Uiteindelijk zal gas ook hier aan schonere oplossingen moeten bijdragen. Het ziet er derhalve naar uit dat de prijs voor gas, al dan niet vloeibaar, een langere periode gaat stijgen, temeer omdat de VS geen gas mag exporteren. Dat is leuk voor bijvoorbeeld gasproducent Nederland, maar niet voor de Nederlandse burger. Die moet op twee fronten extra betalen: hogere olieprijzen en hogere gasprijzen. Over naschokken gesproken.




Golman Sachs, Nuclear disruptions may bring forward gas re-connection with oil. 16 maart 2011

maandag 14 maart 2011



Het nieuwe mantra voor beleggers: 3G
Na BRIC en N-11 heeft de wereld de beleggerwereld er een nieuwe afkorting bij. De bedenker van deze afkorting is Willem Buiter, een van de kandidaten om Nout Wellink op te volgen maar u nog strateeg bij Citigroup. Buiter en zijn coauteur Ebrahim Rahbari introduceerden onlangs in een korte studie het begrip 3G. Dat is geen derde generatie telecomwaarde, maar staat voor Global Growth Generators . De auteurs gaan een stap verder dan BRIC zonder overigens de vitale rol van de BRIC landen to ontkennen of te onderschatten.

Globaliserende economie
Ook deze studie kijkt niet verder dan 2050. Het betoog moet immers wel geloofwaardig blijven Volgens de auteurs is het niet verstandig om in een globaliserende wereld je aandacht te beperken tot landen. Je moet als onderzoeker of als belegger je net wijder werpen. Wat is bijvoorbeeld de rol van de megasteden in de toekomstige economie. Is het niet verstandiger om naar kansrijke regio’s te kijken of naar kansrijke sectoren Een regio en een sector zijn in principe niet aan landsgrenzen gebonden.

Go east young man
In de 19de eeuw spoorden Europese ouders hun ondernemende kinderen aan de boot naar het westen te nemen. In de 21ste eeuw zullen Europese ouders hun ondernemende kinderen met het vliegtuig naar het oosten sturen. Althans dat denken ze bij Citigroup

Figuur 1

In het oosten, daar gebeurt het en dat blijft zo tot zeker 2050. Buiter gaat er in deze studie vanuit dat de wereldeconomie een periode van forse groei tegemoet gaat. Tot 2030 gaat die groei gemiddeld 4,6% per jaar bedragen om na 2030 af te zwakken naar 3,8%. Om in dollartermen te blijven: in 2010 bedraagt het wereldwijde bruto nationaal product $ 72 biljoen en dat zal in 2050 opgelopen zijn tot $ 380 biljoen. Uiteraard is dit geen rechte lijn. Er zullen zich crises blijven voordoen. Sterker nog, die groei is alleen mogelijk als landen die crisis vakkundig weten te managen. De auteurs stellen vast dat veel landen van de zogeheten Emerging Markets de afgelopen decennia hard gewerkt hebben om de kwaliteit van hun instituties te verbeteren en in het kielzog daarvan de politieke stabiliteit hebben verbeterd. Dat is nu een goed vertrekpunt voor toekomstige groei en welvaart. Veel arme landen met een jonge bevolking zijn nog lang niet zo ver. Ze staan pas aan het begin van dit proces. Willen deze landen aansluiting vinden bij de meer ontwikkelde wereld, dan voorzien Buiter en Rahbari slechts een remedie: open je markten en kies voor de een of andere vorm van markteconomie. En vooral, investeer in menselijk kapitaal en in bijvoorbeeld een goede infrastructuur.

…..and the winner is!
Waar komt de groei vandaan? De haarden van (nieuwe) economische groei zullen Afrika en Azië zijn. De groei zal gebaseerd zijn op een jonge bevolking die per hoofd een hoger inkomen gaat genieten. Natuurlijk spelen eerder genoemde factoren als stabiliteit ook een belangrijke rol, evenals zaken als cultuur, ligging, rijkdom aan grondstoffen en openheid naar de rest van de wereld. Andere kernen van groei kunnen/zullen het Midden Oosten en Latijns Amerika, en landen die vroeger deel uitmaakten van de Sovjet Unie. Hoewel de auteurs liever niet praten over landen, hebben ze toch een rijtje favorieten opgesteld.
Bangladesh, China, Egypte, India, Indonesië, Irak, Mongolië, Nigeria, Filippines, Sri Lanka en Vietnam bieden de beste kansen als het gaat om groei van het inkomen per hoofd.

Figuur 2


In het rijtje potentiële groeiers ontbreken West Europa en Noord Amerika. Het rapport voorziet voor beide regio’s een forse relatieve krimp. Zijn deze regio’s anno 2010 nog goed voor iets meer dan de helft van het wereldwijde BNP, in 2050 zal dit naar schatting nog slechts 15%. De relatieve achteruitgang laat zich goed aflezen aan de status van de VS. Nu is het nog de economische nummer 1, in 2020 zal China die rol overnemen en in 2050 zal China op zijn beurt de economische troon moeten afstaan aan India.

Tenslotte
Het in niet allemaal nieuw wat in dit rapport staat. Sterker nog, het meeste is al bekend uit verschillende andere studies. Het voordeel is, dat de lezer met dit rapport een goede indruk krijgt van de stand van zaken over verwachte trends en ontwikkelingen. Voor een geoefende en geïnteresseerde lezer is 87 pagina’s gemakkelijk te verhapstukken.



























De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

maandag 7 maart 2011

Olie blijft hetr zwarte goud

Olie blijft het zwarte goud
De prijs van olie zit weer in de lift. De barrière van $ 100 per barrel is moeiteloos genomen. Voorlopig kent de prijs maar één richting en dat is omhoog. The sky is the limit, zo schijnt het. Dat is slecht nieuws voor de consument, maar goed nieuws voor de Nederlandse schatkist. Bij een prijs van Euro 1,60 voor een liter benzine verdwijnt ongeveer één euro in de schatkist. Bovendien is de gasprijs gekoppeld aan de prijs van een vat olie. Tel uit je winst! Hoe anders is de reactie in de VS. Daar overweegt de overheid de strategische reserve in te zetten om de stijging van de benzineprijs te temperen. De combinatie van een hoge benzineprijs, een hoge werkloosheid en almaar dalende huizenprijzen kan een giftige cocktail betekenen voor een economie die zich net weer begint op te richten.

Dure olie heeft een prijs

Figuur 1.


De olieprijs is al een tijdje aan het stijgen en dat had in eerste instantie weinig te maken met de sociale onrust in het Midden Oosten. De stijging, die al in het laatste kwartaal van 2010 inzette, was een reactie op het verbeterende economisch nieuws uit de VS en Duitsland. Een groeiende vraag lokte de prijsverhoging uit. De geschiedenis leert dat er in deze gevallen weinig reden is om te vrezen voor een vertraging in het tempo van economische groei.
Dat is anders wanneer de prijsstijging is uitgelokt door een kink in de aanbodskabel, zoals nu dreigt door de aanhoudende onrust in het Midden Oosten. Politieke onrust zorgt voor onzekerheid. Vragen als: hoe ziet de wereld eruit na het opdrogen van de onrust leiden ertoe dat zowel overheden als commerciële instellingen, zoals hedgefunds gaan hamsteren of posities in gaan nemen op de termijnmarkt met nog hogere prijzen als gevolg. Hoe gevoelig de markt is voor onzekerheid rondom het aanbod blijkt uit de reacties op de aanhoudende onrust in Libië. Gaat de export nu wel of niet ongestoord door? De nervositeit blijft hoog, ook al is het Libische deel in de olieproductie op wereldschaal niet groot en ook al heeft Saoedie Arabië zich bereid verklaard een eventueel wegvallen te compenseren. Dit land kan nog gemakkelijk enkele miljoenen vaten extra oppompen.
Die verzekering heeft slechts enkele dagen de gemoederen gekalmeerd. De vrees in de markt is die van de dominotheorie. Wie of wat komt na Libië?
Hoe groot zal de economische schade zijn? Dat de wereldeconomie schade gaat ondervinden van de onrust lijkt een zekerheid. In februari kwam het IMF met geruststellende verklaringen. In zijn Outlook over 2011 ging het Fonds nog uit van een gemiddelde prijs voor een vat olie van $ 95 per vat. Mocht de prijs voor langere tijd $ 10 omhoog gaan, dan zou dat de ontwikkelde economieën wel eens 0,5% groei gaan kosten. Intussen is de prijs voor een vat olie al boven $ 105 gekomen.
Er is onder de huidige omstandigheden één lichtpuntje. De huidige prijsstijging komt op een moment dat in diverse regio’s de economische groei aan kracht wint. Eerdere forse prijsstijgingen in de afgelopen 20 jaar vielen in een periode dat de economie al aan kracht inboette. Het weerstandsvermogen is daarmee wat groter en dat is ook terug te zien aan het nog steeds toenemend vertrouwen bij burger en bedrijf. Maar wat zal er van dat vertrouwen over zijn als de prijzen op dit niveau blijven tot ver in 2011. Zoals te verwachten is, hebben de eerste CEO’s al aan de bel getrokken. President Obama lijkt geneigd hen op hun wenken te bedienen in de hoop erger te voorkomen. Hoe het ook zij, de economie gaat een prijs betalen voor de dure olie.

Zal dat ook geschieden in de vorm van oplopende inflatie? Hoewel die angst leeft, is dat zeker geen wetmatigheid. Ook hier biedt de geschiedenis hoop. De afgelopen 30 jaar hebben in ieder geval in de VS prijsstijgingen voor bijvoorbeeld commodities of energie geen effect gehad op lonen en prijzen. Als we de bewegingen op de obligatiemarkten volgen, dan is er voorlopig geen reden om aan te nemen dat het ditmaal anders zal zijn. Een sterk argument daarbij is, dat bedrijven nog amper in staat zijn hogere prijzen door te geven aan hun afnemers. Stijgende inflatie kan eigenlijk alleen aan het einde van een economische cyclus wanneer er geen reservecapaciteit meer in de economie zit. Dat verklaart deels de relaxte houding van de Amerikanen en hun onwil om aan de rente te morrelen. In Europa ligt dat anders. Bij de Duitsers zit de angst voor inflatie in de genen en ja de Duitsers maken de dienst uit bij de ECB.
Ergo, voor het moment is er geen reden te panikeren. De meeste signalen staan nog op groen en nu maar hopen dat de rek er bij de prijsstijgingen bijna uit is. Dan kan het allemaal nog gaan meevallen.


De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.