donderdag 23 juli 2009

Algen, een nieuwe bron van energie



Gaat het nu echt beter met de economie of niet? Als we naar de kwartaalcijfers kijken, dan valt op dat de cijfers beter uitpakken dan verwacht. Daar past uiteraard de opmerking bij dat de cijfers vooral beter zijn, omdat veel bedrijven het mes hebben gezet in hun kostenstructuur. Bedrijven blijven op grote schaal mensen ontslaan. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Een bedrijf als Apple verkoopt eenvoudigweg meer Mac’s en iPhones.

Durfkapitaal
Dat economisch nog niet alles koek en ei is, blijkt ook uit het gedrag van de durfkapitalisten. Die zijn huiverig om geld in nieuwe initiatieven te steken, maar ook zijn er te weinig nieuwe initiatieven. In het tweede kwartaal van 2009 investeerden durfkapitalisten een bedrag van USD 3,6 miljard in 612 zakelijke initiatieven. Dat is het laagste bedrag in 15 jaar. Het meeste geld ging naar biotechnologie. De financiering van startups ging met 54% omhoog. De achterliggende gedachte is, dat de grote farmaceuten deze jonge bedrijven komende jaren gaan opkopen, omat in 2011 veel patenten verlopen en bij veel bedrijven de pijplijn maar mager gevuld is.

EXXON en Algen
Een verliezer bij het verdelen van het durfkapitaal is de sector clean –technologie met een bedrag van % 247 miljoen en dat is 70% minder dan een jaar eerder. Durfkapitalisten willen blijkbaar op dit moment alleen investeren in activiteiten met een bewezen economische en commerciële potentie. Het is dan misschien verrassend dat een bedrijf als Exxon Mobile $ 600 miljoen opzij heeft gezet voor investeringen in Algen. Het bedrijf verantwoordt deze beslissing met de stelling dat in de nabije toekomst veel vormen van technologie en bronnen nodig zijn om aan de alsmaar stijgende vraag naar energie te voldoen. De oliereus voorziet een mooie toekomst voor de algen als biobrandstof voor de transportsector. De grootste sta-in-de-weg is minder de vereiste technologie, maar veeleer een volumekwestie en volumes zijn noodzakelijk om deze vorm van biobrandstof rendabel te maken.

De voordelen van Algen
Op dit moment wordt biodiesel vooral gewonnen uit gangbare landbouwproducten als suikerriet, soja, zonnebloem en oliezaden. Het grote nadeel hiervan is, dat er heel veel hectares ingezaaid moeten worden om een behoorlijke opbrengst te genereren. Dat gaat ten koste van de verbouw van producten voor het dagelijkse voedselpakket. Algen leggen veel minder beslag op vruchtbare landbouwgronden. Dat heeft alles te maken met de bruikbare opbrengst per hectare. Die is 24 maal zo hoog als de nummer twee, palmolie.




Het lijkt erop dat de teelt van algen nog meer voordelen biedt behalve de hoge opbrengst. Het gewas gedijt goed bij gebruik van afvalwater en menselijk en dierlijk afval. Dat is een groot voordeel ten opzichte van de huidige biobrandstof gewassen. Die hebben veel kunstmest nodig en veel kostbaar water. Een bijkomend voordeel is ook dat voor de algen CO2 een vorm van kunstmest is en dus CO2 onttrekt aan de atmosfeer. Tenslotte is de groeiperiode van algen ook veel korter dan die van bijvoorbeeld soja.
Samengevat, de verbouw van de algen kost minder landbouwgrond, het is een gewas dat in grote delen van de wereld verbouwd kan worden en het kost minder om tot biobrandstof verwerkt te worden. Waarschijnlijk zijn dit allemaal zaken die Exxon goed begrepen heeft en wil het een deel van deze potentieel grote markt. Wat zien trouwens de durfkapitalisten niet, wat Exxon wel duidelijk voor ogen heeft?


Cor Wijtvliet

donderdag 16 juli 2009

Biobrandstoffen als alternatief voor olie

Langzaam maar zeker kruipt de olieprijs weer omhoog. Elk meevallend berichtje over de economie geeft de prijs een stootje in de rug. Het ligt voor de hand, dat bij een aanhoudende stijging de publieke discussie over alternatieven weer zal oplaaien. Een mogelijk alternatief is de grootschalige inzet van biobrandstoffen. Als basis voor deze brandstoffen, bijvoorbeeld ethanol of biodiesel, dienen landbouwgewassen, zoals suikerriet, maïs, zaadolie en palmolie. De markt voor deze zogeheten eerste generatie biobrandstoffen heeft de afgelopen jaren een hoge vlucht genomen en het ziet er naar uit dat deze markt komende jaren zal blijven groeien. Daar zijn verschillende argumenten voor aan te voeren. Westerse landen willen minder afhankelijk worden van de olie-importen. Bovendien kunnen biobrandstoffen helpen bij de vermindering van de broeikasgassen. Voor ontwikkelingslanden in het bijzonder kan de teelt van de benodigde gewassen een steuntje in de rug betekenen van de landbouweconomie.

Het vervelende is, dat er aan de huidige productie van biobrandstoffen nadelen kleven. De belangrijkste zijn: A. de grondstoffen voor biobrandstoffen concurreren met voedingsgewassen om steeds schaarser wordende goede landbouwgronden. Dat betekent dat de voedselprijzen bij een aanhoudende uitbreiding van het bioareaal zullen gaan stijgen. B. deze grondstoffen strijden in sommige streken met voedselgewassen om steeds schaarser wordende watervoorraden. C. de bijdrage aan de vermindering van de broeikasgassen blijkt bij nader inzien aanzienlijk minder dan verwacht[1]. Daarenboven zijn de productiekosten hoog en is eigenlijk alleen de productie van ethanol uit suikerriet commercieel aantrekkelijk. Er wordt daarom hard gewerkt aan alternatieven die een groot deel van bovengenoemde bezwaren kunnen wegnemen. Het gaat dan om zogeheten 2de generatie biobrandstoffen. Als grondstof voor deze 2de generatie dienen avalstoffen en restproducten uit de landbouw, zoals strooi maar ook zaagsel. Als grondstof kunnen ook dienen: snelgroeiende bossen en energierijke gewassen als bepaalde grassen. Het grote voordeel van de 2de generatie grondstoffen is, dat de teelt ervan mogelijk is op kwalitatief arme gronden. Ruw geschat is er wereldwijd ongeveer 17 miljoen km2 van dit type grond beschikbaar, waarvan 6 miljoen km2
Geschikt zou zijn voor (commerciële) herbebossing[2]. De voordelen van deze manier van werken is duidelijk. Er wordt geen nodeloos beslag gelegd op kostbare landbouwgronden, minder beslag op watervoorraden en een hogere opbrengst in vergelijking met de eerste generatie. In eerste instantie is de opbrengst van deze marginale gronden veel lager dan de potentiële opbrengst van goede gronden, maar het is aannemelijk dat dankzij regeneratie een voortschrijdende technologie de opbrengst zal verbeteren.

Er zijn echter nog de nodige hobbels te overwinnen voordat de productie van deze 2de generatie biobrandstoffen commercieel van de grond komt. Een belangrijke hobbel is die van de conversietechniek, zeg maar het omzetten van genoemde grondstoffen in vormen van energie, zoals warmte, brandstof en elektriciteit. De belangrijkste technieken op dit moment zijn thermochemische conversie: vergassing en verbranding van biomassa voor de productie van synthetische brandstoffen en biochemische coversie, gebruikmaken van enzymen voor digestie en fermentatie voor de productie van ethanol. In beide gevallen is de technologie zover ontwikkeld dat er inmiddels al enkele grootschalige proefprojecten van start zijn gegaan om te bekijken welke technologie op de korte termijn te verkiezen is. Pas tegen 2015 zal er voor het eerst commerciële productie mogelijk zijn, maar dan moet de olieprijs nog behoorlijk omhoog gaan. Het Internationaal Energie Agentschap heeft becijferd, dat 2de generatie biobrandstoffen pas concurrerend bij een prijs van een vat olie die ergens zal liggen tussen $ 100 en $ 130. Dat betekent dat investeren in biobrandstoffen op de korte termijn niet automatisch winstgevend zal zijn, temeer daar er nog de nodige alternatieven zijn die al concurrerend zijn bij olieprijzen onder $100, zoals de ontwikkeling van de teerzanden of de vergassing van kolen. We mogen echter niet uit het oog verliezen, dat de productie van biobrandstoffen nog in zijn kinderschoenen staat. Verbeterderde technologieën en schaalvergroting zijn elementen die voor een daling van kosten kan zorgen. Het IEA gaat ervan uit, dat tegen 2020 biobrandstoffen concurrerend zullen bij een olieprijs van $ 70, -. De organisatie denkt dat vooral bij biochemische conversie nog veel te halen is. Het gaat hier om een tamelijke nieuwe technologie waar nog veel aan efficiëntie winnen is. Bij de thermo-chemische conversie is dat minder, omdat deze technologie voortborduurt op al bestaande technologieën en dus is er verhoudingsgewijs minder efficiencywinst te boeken.
Hoe het ook zij, de komende jaren zal de rol van de overheid cruciaal blijven. Zonder diens inbreng zal het moeilijk zijn private investeerders aan te trekken. De risico’s en de onzekerheden over de uitkomsten zijn nog te hoog.

[1] OECD/IEA, From 1st to 2st generation of biofuel technologies. An overview of current industry and RD&D activities. November 2008
[2] Faaij, APC, Biomassa. Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde, oktober 2007

zaterdag 11 juli 2009

Wordt ‘smart grid’ de nieuwe motor voor groei?

Een veelgestelde vraag in tijden van crises is: waar komt de groei vandaan die nodig is om de crisis te verdrijven, maar die ook zorgt voor langdurige groei? De afgelopen twee decennia was het vooral de Informatietechnologie die de economische groei wereldwijd tot grote hoogte opjoeg. Nu valt in discussies nog al eens het woord ‘infrastructuur’. Daarbij wordt verwezen naar de abominabele staat, waarin vooral het Amerikaanse wegennet verkeert. Al onder president Bush waren kostbare plannen opgesteld om die infrastructuur grondig op de schop te nemen. De indruk bestaat dat onder president Obama deze plannen versneld ten uitvoer gebracht gaan worden. Daarnaast leven er plannen om een nieuwe, digitale infrastructuur te bouwen. Er moeten landelijke glasvezelnetwerken komen, in Europa en in de VS. Ook hier gaat het om miljarden verslindende projecten die over een reeks van jaren ten uitvoer gebracht moeten worden. Of komt de winnaar uit de schier onafzienbare reeks ‘groene initiatieven’ die de belangstelling van steeds meer venture capitalists trekken. In het tweede kwartaal van dit jaar investeerden durfkapitalisten wereldwijd USD 1,2 miljard in ‘green technology’ en dat is 43% meer dan in het eerste kwartaal van 2009. De meeste dollars, 330 miljoen vloeiden naar zonne-energie. Smart grid bedrijfjes konden USD 101 miljoen incasseren. En wie weet hebben we met smart grid wel de nieuwe winnaar van de komende jaren te pakken. Overheden aan beide kanten van de oceaan, maar niet alleen daar, hebben de afgelopen jaren dikke nota’s vol geschreven over nut en noodzaak van smart grid. De EU lanceerde in 2005 zelfs het European Smart Grids Technology Platform en in de VS verscheen in dit jaar op aandringen van president Obama een tussentijds rapport dat luisterde naar de naam Smart Grid Interoperablity Standards Roadmap.
Waarom hechten en durfkapitalisten zo aan Smart Grid. Dat heeft alles te maken met de staat van het huidige Grid. Hieronder moeten we verstaan het distributienetwerk voor elektriciteit. De meeste netwerken, zowel in Europa als in de VS stammen uit het midden van de vorige eeuw en de eerste ontwerpen stammen al van ver voor de oorlog. Het moge duidelijk zijn dat deze systemen hun houdbaarheidsdatum royaal hebben overschreden, temeer omdat in een land als de VS het niveau van investeringen de afgelopen decennia omgekeerd evenredig was aan de stijgende vraag naar elektriciteit.


Sinds 1990 is de vraag met 25% gestegen. In dezelfde periode zijn de investeringen in nieuwe capaciteit met ruim 30% gedaald. De armzalige staat van de infrastructuur lijdt ook nog tot een groot verlies van de opgewekte energie. Tijd voor een nieuwe aanpak, maar dan met



verkwistend. De beste oplossing is dan om je infrastructuur, je netwerk ‘intelligent’ en ‘zelfsturend' te maken. In een smart grid verandert de positie van de grote centrales. Het is niet langer eenzijdig van producent naar consument, maar het is interactief. Gebruikers kunnen zelf deelnemen aan de energieproductie en kunnen van geval tot geval besluiten van welke leverancier ze willen afnemen. Er ontstaan energiestromen in verschillende richtingen en die stromen gaan verlopen via ‘knopen’. Het netwerk bepaalt zelf wat de beste en meest efficiënte weg is voor deze stromen.
Het is duidelijk dat de investeringen in Smart Grid de komende jaren enorm zullen zijn. The American Society of Civil Engineers heeft in een recent rapport becijferd dat er de komende 20 jaar voor een bedrag van USD 2000 miljard nodig is om het systeem betrouw te maken en te houden. Die investeringen komen er. De Amerikaanse minister van Energie, Stephen Chu heeft de introductie van deze technologie absoluut noodzakelijk genoemd. Het is de omvang van deze investeringen die menig bedrijf doet watertanden. Omdat smart grid vraagt om de introductie van veel nieuwe technologieën in hardware en software, komt de belangstelling van verschillende kante. U mag daarbij denken aan industriële bedrijven als General Electric, maar ook aan Google, en IBM die de intelligente software willen regelen. Amerikaanse bedrijven hebben alleen al in de eerste helft USD 3 miljard geïnvesteerd in nieuwe technologieën. Wat ze niet in huis hebben, dat kopen ze in. Er is in de VS alweer een golf aan smart grid start ups, die luisteren naar namen als Comverge, Fat Spaniel, Gridpoint en Enernoc.
Hoe belangrijk de markt is, spreekt wel uit een opmerking van Jeffrey Immelt, CEO van GE. Hij omschreef smart grid als ‘the biggest investment of the first half of the century

donderdag 9 juli 2009

De prijs van olie

Er is iets eigenaardigs aan de hand met de prijs van olie. Afgelopen week is de prijs van een vat gedaald van pakweg $ 70 naar ongeveer $66. De oorzaak ligt deels in een slecht banenrapport en een sluipende opwaardering van de dollar. Ondanks de recente daling is de prijs van olie in een paar maanden tijd zo goed als verdubbeld. Zijn daar goede redenen voor? Menigeen zal zeggen dat de prijsstijging een weerspiegeling is van het herstel van de wereldeconomie. De daling van afgelopen week is daar een bewijs van: er is twijfel aan de kwaliteit van het herstel. Dat laat onverlet dat de prijs wel erg gestegen is. Het Internationaal Energie Agentschap(IEA) wijst er in zijn ‘Outlook 2009’ op dat de vraag naar olie voor langere tijd zwak zal zijn. Volgens datzelfde IEA zal de vraag tot zeker 2013 ongeveer 88 miljoen vaten per dag bedragen. Die verwachting ligt 7% lager dan die van juli 2008. Voor dit jaar, 2009, voorziet het IEA een daling in de vraag van 3%, ondanks meevallende ontwikkelingen in Zuidoost Azië.
Als er geen vraag is, klopt er dan iets niet aan de aanbodzijde. Heeft bijvoorbeeld de OPEC de kraan wat dichter gedraaid? Dat is niet het geval, als we tenminste waarde mogen hechten aan de woorden van de minister voor Oliezaken van Koeweit, sjeik Ahmed Al- Sabah die afgelopen week nog stelde dat er een overaanbod van olie is. De kans is dan ook nihil dat de OPEC in september zal besluiten de productie nog verder op te voeren.
Is speculatie wellicht de verklaring voor de eigenaardige prijsontwikkeling? In juni van 2008 publiceerde ‘the Center for Energy and Environmental Policy Research’ van Harvard University een korte studie over de prijsontwikkeling van een vat olie in de laatste jaren[1]. De auteur, Richard Eckhaus, probeert na te gaan in hoeverre economische ontwikkelingen een afdoende verklaring kunnen zijn voor de prijsbewegingen. Hij kijkt en weegt factoren als de groeiende vraag uit landen als China en India, de volatiliteit van de dollar, de beperkte opslagcapaciteit en de troebelen in het Midden Oosten. Volgens Eckhaus schieten al die factoren tezamen tekort ter verklaring van de recente heftige prijsstijgingen en prijsdalingen. Uiteindelijk rest nog maar een verklaring en die heet ‘een speculatieve bubbel’.Hij komt tot die uitspraak door het gedrag van de olieprijs te vergelijken met prijsontwikkelingen ten tijde van andere bubbels. Het beste zou zijn dat overheden deze bubbel proberen door te prikken voordat de bubbel barst, zoals de huizenbubbel ook is gebarsten.
Of Eckhaus het gelijk helemaal aan zijn kant heeft, valt nog te bezien. Maar voor wie overweegt posities in olie te nemen, kan het geen kwaad na te denken over diens betoog.
Och, voor wie wil beleggen of investeren, er dienen zich steeds nieuwe mogelijkheden aan. Afgelopen week, bijvoorbeeld, is in de VS een klimaatwet aangenomen. Onderdeel van deze wet is het initiatief om naar Europees voorbeeld een zogeheten cap-and-trade markt voor de CO2 uitstoot in het leven te roepen. De markt voor de handel in CO2 rechten zal volgens de initiatiefnemers in 2020 een omvang van $ 100 miljard bereikt hebben. De zogeheten American clean energy and security act is van toepassing op die sectoren die samen verantwoordelijk zijn voor 85% van de uitstoot van CO2. In 2020 moet de uitstoot 17% lager zijn dan in 2005 en 85% in 2050. Iedere betrokken bedrijfstak krijgt een aantal rechten toebedeeld. Wat ze tekort komen, moeten ze op de markt bijkopen. Bij de verdeling van de rechten valt op dat de oliesector maar mondjesmaat bedeeld is met toegewezen rechten. De bedrijfstak zal het leeuwendeel van zijn benodigde rechten moeten bijkopen op de markt. Volgens de initiatiefnemers is de bedrijfstak daartoe zeer wel in staat zonder dat dat tot fors hogere prijzen moet leiden voor de afnemers. Anders is dat voor de nutssector. Deze sector krijgt ongeveer 85% van de benodigde rechten toegewezen. De democratische initiatiefnemers van de wet willen voorkomen dat de nutsbedrijven de kosten voor het kopen van rechten zullen doorgeven aan de consument. Het mag ook de winstgevendheid van de sector niet noemenswaardig aantasten. De wet mag evenmin de concurrentie verstoren tussen kolen gestookte energiecentrales en die op kernenergie.
Veel partijen zijn ontevreden over de precieze invulling van de wet en over eventuele beperkingen in de verhandelbaarheid van de rechten in de vorm van derivaten. Het onmiskenbare voordeel is dat het Europese initiatief dankzij deze wet nieuw leven krijgt ingeblazen. De kans dat de markt voor de handel in CO2 rechten alsnog een succes wordt, is sinds 26 juni 2009 een stuk groter geworden.
[1] Eckhaus, R.S., the oil price really is a speculative bubble, MIT, June 2008

woensdag 8 juli 2009

Geschonden vertrouwen

Al meer dan tien jaar geven Merrill Lynch en Capgemini een inkijkje in de financiële verlangens van de rijken van de wereld, ook wel High Net Worth Individuals (HNWI’s) genoemd. HNWI’s zijn mensen met een vrij belegbaar vermogen van USD 1 miljoen In de maand juni verscheen het World Wealth Report 2009. Inhoudelijk wijkt het scherp af van wat we in de jaren voorafgaand mochten lezen. Was het toen bijna louter gejubel, nu is de toon zorgelijk. De teneur is duidelijk: de vermogensbeheerders van deze wereld moeten op hun tellen passen en zich eens goed achter de oren krabben. Het waarom is duidelijk. Het aantal HNWI’s nam wereldwijd met bijna 15% af en het belegde vermogen kromp met bijna 20%. Vooral de zogeheten Ultra-HNWI’s (vrij besteedbaar vermogen van tenminste USD 30 miljoen) hadden het in 2008 zwaar te verduren. Hun aantal nam met bijna 25% af en hun vermogen met 24%.

Vertrekken
Wie een zo groot deel van zijn vermogen in rook ziet opgaan, is geneigd met andere, meer kritische ogen naar zijn vermogensbeheerder te kijken. Uit het rapport blijkt dat meer dan 25% van de HNWI’s zich zeer ontevreden toont over de eigen vermogensbeheerder en daarom zijn vermogen in 2008 geheel of gedeeltelijk naar andere partijen heeft overgeheveld. De wisseling van partner ging meestal gepaard met meer differentiatie in beleggingen. De voorkeur ging daarbij uit naar minder risicovolle beleggingsklassen die echter wel minder rendement opleverden.

Vertrouwensrelatie
Anno 2009 is het voor de vermogensbeheerder belangrijk om te weten waarom sommige van hun HNWI’s bleven, terwijl anderen besloten op te stappen. De belangrijkste motieven om te blijven of te vertrekken zijn: kwaliteit van de dienstverlening, de kwaliteit van het advies en - daarmee samenhangend - de kwaliteit van de portefeuille. Dit zijn min of meer open deuren, maar onderliggend speelden nog andere zaken. Het opvallende hierbij is dat de belevingswereld van de HNWI en zijn vermogensbeheerder duidelijk uiteenlopen. Zo hecht de HNWI veel meer waarde aan de kwaliteit en mogelijkheden van het online verkeer. Daarnaast hecht hij een groter belang aan de kwaliteit van de rapportages, maar ook aan een goed risicobeheer en een goede due diligence als het gaat om de beoordeling van nieuwe beleggingsproducten. En ten slotte groeit de onvrede over de onduidelijke commissiestructuur. Het moge duidelijk zijn dat de communicatie tussen de vermogensbeheerder en zijn HNWI niet van hoge kwaliteit is en dat hier meer aandacht nodig is, wil de vertrouwensrelatie hersteld worden. En juist dat vertrouwen heeft in 2008 een grote deuk opgelopen. Meer dan 45% van de ondervraagde HNWI’s zei geen vertrouwen meer te hebben in zijn vermogensbeheerder. Trouwens, bijna 80% gaf zelfs aan geen vertrouwen meer te hebben in het financiële systeem en het toezicht erop.

Vertrekken of blijven
Is er een typologie van vertrekkers en blijvers? De wegloper was vaak jong of van middelbare leeftijd. Vaak ook had die zijn vermogen zelf vergaard, hetzij uit inkomen of uit een eigen onderneming. De blijvers zijn ouder en hebben vaak hun vermogen geërfd. Deze uitkomst is in zoverre dat meer dan de helft van het HNWI-vermogen komt uit het eigen bedrijf en voor 18% uit inkomen. Wat kan de vermogensbeheerder doen om de uitstroom tegen te gaan? Belangrijk is de vaststelling dat de HNWI in tijden van crisis liever te maken heeft met een oudere adviseur. Die straalt ervaring uit. Het liefst ziet hij die oudere adviseur deel uitmaken van een Wealth Management Team. Daarnaast blijken veel afhakers ontevreden over de aangeboden producten en beleggingsmogelijkheden. Het vreemde is dat de vermogensbeheerder of -adviseur die onvrede amper herkent.

‘Structured products’
In een wereld van verliezers zijn er altijd weer winnaars. Dit keer zijn het de lokale of regionale banken die geprofiteerd hebben van de onrust. Veel HNWI’s hebben voor die instellingen gekozen, omdat ze redelijk immuun bleken voor de onrust. Zij hadden immers niet geëxperimenteerd met zogeheten ‘structured products’, een factor die het vertrouwen van de HNWI heeft geschaad. Niet alleen tastten juist deze financiële producten het renderen van de beleggingsportefeuille aan, maar de producten bleken amper of helemaal niet te voldoen aan de bijgeleverde risicoanalyse. De nekslag voor veel relaties was het onvermogen van heel veel vermogensbeheerders om oplichterspraktijken van bijvoorbeeld Madoff te doorzien. Maar ook hier zien we een groot verschil in de belevingswereld van de HNWI en zijn vermogensbeheerder/adviseur. Voor 73% van de ondervraagden was een falend risico- en productmanagement aanleiding om te vertrekken, maar ‘slechts’ 54% van de adviseurs bevestigde dit beeld. Om het nog maar wat erger te maken, een meerderheid van de leidinggevenden bij de vermogensbeheerders overschat stelselmatig de kwaliteit van het eigen risicobeheer en productmanagement. Ze negeren daarbij vaak de opvattingen van hun eigen vermogensbeheerders/adviseurs en weigeren in te gaan op hun wensen en verlangens om de relatie met de vermogende cliënt te verbeteren.

Het is een open deur, maar toch. Vermogensbeheerders moeten de kwaliteit van de communicatie met de HNWI op meerdere vlakken verbeteren, maar ook intern is nog het nodige werk te verrichten als het op effectieve communicatie aankomt. Een goede naam komt te voet, maar gaat te paard.

woensdag 1 juli 2009

De vorm van het herstel

Het zijn verwarrende tijden. Dat mag een understatement heten. Dat er in de verte iets van een herstel aankomt, daar zijn de wijzen het wel over eens. Maar hoe zal het herstel eruitzien? Zal het de vorm van een L hebben, zoals het merendeel der economen denkt. Er komt een herstel, maar dat zal een krachteloos herstel zijn. Zal het W-shaped zijn, zoals professor Roubini, bijgenaamd ‘Dr. Doom’ propageert. W-shaped wil zeggen, dat na een korte opleving weer een teruggang volgt. Die gang herhaalt zich over een reeks van jaren. Sinds kort roeren de voorstanders van een zogeheten V-shaped recovery zich weer. Christina Romer, voorzitter van de Council of Economic Advisors van president Obama verklaarde in the Financial Times dat de stimuleringsplannen van de Amerikaanse overheid de komende maanden werkelijk effect gaan krijgen en ze sluit een V-shaped recovery niet uit. Erg veel tekenen dat er wel eens een sterk herstel kan komen, zijn er niet. Alhoewel, er zijn geluiden dat ASML uit Veldhoven al zijn personeel weer volledig onder de wapenen wil. ASML is ’s werelds grootste leverancier van semi-conductorapparatuur. Deze sector is zeer conjunctuur gevoelig. Bedrijven als ASML gaan conjunctureel vaak als eerste kopje onder, maar komen meestal ook als eerste weer boven. Een sterk herstel in de sector zou trouwens goed nieuws zijn voor de regio Zuidoost-Brabant waar veel hightech gerelateerde bedrijven actief zijn. En dan is er nog het onderzoek van Reinhart en Rogoff[1] naar de loop van eerdere financiële crises. Zoals uit de bijgevoegde figuur spreekt, is de huidige crisis intens en fel, maar lijkt de duur ervan veel korter. Dan kan op een steviger herstel duiden.



Wellicht krijgen we binnenkort meer zekerheid over de kracht van het herstel, als op grote schaal de bedrijfsresultaten over het tweede kwartaal 2009 publiek worden. De aandacht zal daarbij uiteraard uitgaan naar de uitgesproken verwachtingen. Als het om Oracle gaat, dan waren de verwachtingen over het afgelopen kwartaal hooggespannen en opnieuw deed het bedrijf het nog beter Die betere resultaten waren echter louter te danken aan een efficiënter kostenbeheer en niet aan een betere markt. Er wordt wel geld verdiend maar dat is te danken aan de onderhoudscontracten en niet aan de verkoop van nieuwe licenties. Als we goed naar Oracle luisteren, dan is in het afgelopen kwartaal het dal bereikt. Maar het bedrijf verwacht pas in de loop van 2010 een echt, zij het gematigd herstel. Op zich is dat een enigszins misleidende uitspraak omdat in de vergelijking 2009 uitermate zwak is en dan valt een vergelijking al snel positief uit. Overigens valt op dat in Europa de verkoop van applicatiesoftware een plus noteerde. Het is nu wachten op bedrijven als Cisco, IBM en Microsoft om te bezien of de markt daadwerkelijk aan het kantelen is, maar ook of ze ook een gematigd groeipad naar herstel volgt of anderszins. Bij Accenture, een bedrijf gespecialiseerd in consultancy en outsourcing is de toon niet veel anders dan bij Oracle. De uitkomsten vallen niet tegen, maar ook niet mee. Vooral de poot consultancy heeft te lijden onder terughoudendheid bij de klanten. Die hebben de neiging opdrachten naar de toekomst door te schuiven. Als er al consultancyopdrachten verstrekt worden dan is het doel de efficiency bij de opdrachtgever te verhogen en de kosten te verlagen. De uitzondering is Azië. Accenture verwacht niet dat er in het lopende jaar verandering in dit beeld komt. Het is ook hier wachten wat de concurrentie doet. Het is dus vooral wachten op wat IBM gaat zeggen. De divisie Global Services is de belangrijkste tak binnen het bedrijf en juist deze tak had grote zorgen in het eerste kwartaal van 2009. Het cijferseizoen is pas begonnen, maar voorlopig lijkt het glas eerder halfvol dan halfleeg. Er komt een herstel, dat is zeker, maar V-shaped!? Een lichtpuntje kan zijn dat bedrijven in moeilijke omstandigheden uiterst terughoudend zijn in het uitspreken van verwachtingen.

Cor Wijtvliet





[1] Reinhart C.M. and Kenneth S. Rogoff, the aftermath of financial crises. 19 December 2009