maandag 20 december 2010

Rente blijft het toverwoord voor 2011

De rente zit weer in de lift en niet zo’n beetje ook. Het gebeurt hier in Europa en het geschiedt in de VS. Hoe laten deze stijgingen zich verklaren en wat kan het betekenen voor 2011?

Schuldenproblematiek
In dit deel van de wereld stijgt de rente onder druk van de aanhoudende schuldperikelen. Kredietbeoordelaars Moody’s en S&P hebben alleen al in december de rating verlaagd van landen als Griekenland, Ierland en Portugal. Dat is op zich geen verrassing, maar de beoordelaars werpen hun netten steeds verder en breder. Spanje ligt al een tijdje in de vuurlinie, evenals Italië. Die landen gelden al langer als potentiële probleemlanden. Nieuwe probleemgevallen blijven zich aandienen, hoezeer de EU ook eenheid en vastbeslotenheid tracht uit te stralen om het schuldenprobleem te lijf te gaan. De laatste weken richt het wantrouwen van de obligatiemarkten zich op België. Het land probeert nu al bijna een jaar een regering te vormen, maar er is nog geen begin van een oplossing in zicht. België heeft redelijk greep op zijn schulden, maar de politieke verlamming maakt het bijna onmogelijk om de juiste maatregelen te nemen ter bestrijding van de economische crisis. En dus straffen de obligatiemarkten het land voor zijn besluiteloosheid.

Gebrek aan leiderschap
Het laatste nieuws is echter, dat nu ook Oostenrijk en Frankrijk in de frontlijn komen te liggen. Het is een publiek geheim dat de Oostenrijkse banken dè grote kredietverschaffers zijn geweest aan de ‘nieuwe landen’ in Midden en Oost-Europa. Hoewel de meeste ‘nieuwe landen’ drastische stappen hebben genomen om hun schulden onder controle te krijgen, blijft het onzeker inhoeverre de Oostenrijkse banken hun geld terug zullen krijgen. De Franse banken hebben hetzelfde probleem. Ook zij hebben veel uitgeleend aan zogeheten perifere landen. Daarnaast mogen de Franse overheidsschulden er ook zijn. Die zijn traditioneel hoog, omdat de Franse overheid van oudsher een dominante rol speelt in de economie. De Franse overheid is goed voor meer dan 60% van het BNP.
Hoe zal het verder gaan? Dat laat zich moeilijk voorspellen. Het is al vaker opgemerkt! Europa heeft weliswaar een schuldenprobleem, maar het heeft vooral een geloofwaardigheidsprobleem. De Europese politieke elite is in 2010 niet in staat gebleken om eensgezind en slagvaardig over te komen. In 2011 zal veel afhangen van de opstelling van Duitsland. Frau Merkel heeft zich in 2010 allereerst geprofileerd als belangenbehartiger van de Duitse belastingbetaler. Duitsland zal in 2011 niet alleen economisch, maar ook politiek de locomotief van Europa moeten zijn. Weigert Duitsland deze rol, dan zullen meer en meer lidstaten gedwongen worden een hogere vergoeding te betalen voor hun schatkistpapier. Speculaties rondom het voortbestaan van de EU zullen hierbij een doorslaggevende rol spelen.

Gebrek aan discipline
Ook in de VS schieten de rentetarieven voor schatkistpapier de lucht in. In tegenstelling tot Europa laat het zich hier moeilijker raden wat de oorzaken zijn voor de snelle stijging. Het ligt voor de hand te wijzen op het totale gebrek aan begrotingsdiscipline van de regering Obama. Daar staat echter tegenover dat de dollar niet wegzakt en dat de aandelenmarkten blijven oplopen. Het zou ook een uiting kunnen zijn van inflatievrees, maar de trends op de zogeheten TIPS markt geven daar geen aanleiding toe. (TIPS staat voor: treasury inflation indexed securities). Ook inflatieverwachtingen geven geen afdoende verklaring voor de aanhoudende rentestijging. Het kan ook zijn dat de rentestijging aangeeft dat er geen verdere ‘quantitative easing’ door de FED niet gewenst is. Het s nog maar zeer de vraag of de FED zich hier iets van zal aantrekken bij het bepalen van het noodzakelijk beleid.

It’s the economy stupid
Er is echter nog een andere verklaring voor de sterke rentestijging sinds oktober. It’s the economy, stupid! Het zou best eens kunnen dat de ‘dip’ in het midden van 2010 geen voorbode was van verdere negatieve ontwikkelingen, maar slechts een eenmalige onderbreking van geleidelijk beter economisch nieuws. Sinds november is dat nieuws aanmerkelijk beter geworden met uitzondering van de werkgelegenheidscijfers over die maand. In dat geval zou het best eens kunnen zijn, dat de oplopende renteniveaus een een eerste bewijs zijn van beter economisch nieuws over 2011 en naar meer ‘normale’ verhoudingen.
Wat zodat kunnen inhouden: meer normale verhoudingen? Wat betekent dan een renteniveau van 5% op 10jaars treasuries? In de goede oude tijd, u weet wel van vòòr 2008, zou dat een niveau van inflatie inhouden van ongeveer 2% en een reële economische groei van 3%. Dat is iets waar bijna iedereen reikhalzend naar uitkijkt! Het zou betekenen dat bedrijven eindelijk hun enorme kasposities voor investeringen gaan aanwenden en banken weer meer krediet gaan verlenen. Een sterk herstel in de VS is altijd goed voor de rest van de wereld.
Na enkele jaren van aanhoudend slecht nieuws, is het wennen aan het idee dat het wel eens beter kan worden.

dinsdag 14 december 2010

Pas op: de rente gaat omhoog

De kredietcrisis van 2008/09 is waarschijnlijk de apotheose en het eindpunt van drie decennia van alsmaar dalende rente en van alsmaar goedkoper geld. Althans, dat zijn ze van mening bij McKinsey Global Institute . Het instituut zet vraagtekens bij de huidige opvatting dat lage rente de nieuwe norm is. Die lage rente is veeleer het gevolg van de economische zwakte van de ontwikkelde landen en het stimulerend beleid van de centrale banken.

Lage investeringsgraad
Wat zijn de gronden voor een mogelijke rentestijging in de komende jaren. McKinsey wijst als belangrijkste oorzaak naar veranderingen in de langjarige trend van sparen en investeren in de wereld. Sinds de jaren 70 van de vorige eeuw is het niveau van de investeringen in de ontwikkelde economieën in het westen gestaag gedaald. Dat gaat om enorme bedragen. Tussen 1980 en 2010 is er $ 20 biljoen minder geïnvesteerd dan bij gelijkblijvend niveau het geval was geweest. Dat niet geïnvesteerde bedrag is gelijk aan het gezamenlijk BNP van de VS en Japan. De verminderde vraag naar kapitaal deed de rente dalen. Het was dus niet een overschot aan besparingen. Integendeel, tussen de jaren 70 van de vorige eeuw en 2002 daalden de private besparingen als percentage van het Bruto Nationaal Product in de ontwikkelde economieën.
De verminderde investeringsbehoefte in het Westen is deels terug te voeren op het gegeven dat in de jaren zestig de naoorlogse herstelperiode ten einde liep. Daarmee kwam ook een einde aan de investeringsboom. Met het ten einde lopen van die boom kwam de reële economische groei van het BNP in een lagere versnelling terecht.

Een nieuw investeringsgolf
Cijfers tonen aan dat aan het dalend niveau van investeringen een einde is gekomen. Tussen 2002 en 2008 steeg het niveau van investeringen als percentage van het wereldwijde BNP van 20,8%v naar 23,7%. Daarmee zijn we nog behoorlijk ver verwijderd van het percentage van 26,1% dat in de jaren 70 gehaald werd.
De hernieuwde vraag komt (uiteraard) niet uit het Westen, maar vanuit de opkomende markten. Het herstel van de afgelopen jaren was in eerste instantie vooral te danken aan de opflakkerende vraag naar kapitaal in India en China. In het kielzog van deze landen begint zich ook een vraag af te tekenen in andere opkomende markten. Gelet op de verhoudingsgewijs nog geringe kapitaalsaccumulatie is het dus goed denkbaar dat de nieuwe investeringsboom de komende decennia aan kracht en omvang zal winnen. Het zal wel geleidelijk gaan, die ontwikkeling. McKinsey verwacht dat pas in 2030 de wereldwijde investeringsbehoefte groter is dan 25% van het BNP. Het gaat dan om het lieve sommetje van $ 24 biljoen, tegen $ 11 biljoen vandaag de dag. Natuurlijk hangen deze bedragen samen met het niveau van de verwachte economische groei.
Minder besparingen
Omdat de Opkomende Markten het leeuwendeel voor hun rekening gaan nemen, verandert ook de investeringsmix. De komende decennia zullen er grote bedragen vloeien naar infrastructuur en onroerend goed. Tegen 2030 gaat er jaarlijks een bedrag van $ 4 biljoen naar verbetering van de infrastructuur en $ 5 miljard naar zaken als woningbouw.
Terwijl de behoefte aan kapitaal in de komende 20 jaar blijft stijgen, dalen wereldwijd de besparingen. Daar zijn meerdere oorzaken voor aan te wijzen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat een land als China geleidelijk gaat ontsparen. Het beleid van de overheid is er op om de binnenlandse consumptie te stimuleren. China is wereldwijd de grootste bron van besparingen. Die lopen op tot 53% van het BNP.
En dan gaat komende jaren de vergrijzing in grote delen van de wereld een steeds prominentere rol spelen. Kosten voor gezondheidszorg, pensionering en andere aan vergrijzing gerelateerde diensten zullen fors omhoog gaan en zullen het proces van wereldwijde ontsparing beïnvloeden. Volgens het consensusscenario zullen tegen 2030 besparingen $ 2,4 biljoen tekort schieten ten opzichte van gevraagde investeringen. Kapitaal zal dus duurder worden. Sommige investeringen zullen niet plaatsvinden.

De gevolgen van een stijgende rente
Als het hierboven geschetst scenario werkelijkheid wordt, dan is een stijging van de rente onvermijdelijk. De vraag is wanneer dit proces gaat beginnen. Volgens het scenario is er tegen 2020 een duidelijke kloof tussen besparingen en investeringen. Het is aannemelijk dat financiële markten eerder zullen reageren op de komende structurele veranderingen. De lange rente zal dus eerder gaan stijgen. McKinsey gaat ervan uit dat dit proces rond 2015 kan aanvangen.
De structurele stijging van de lange rente heeft voor veel partijen grote gevolgen. Om er maar eens enkele te noemen: krediet wordt duur voor bedrijven. De productiviteit moet omhoog om investeringen mogelijk te maken. Als bankkrediet duur wordt, dan kunnen financiële markten hiervan profiteren. Beleggers zullen in eerste instantie de neiging hebben om de obligatiemarkt links te laten liggen. De aanhoudende stijging van de reële rente maakt de obligaties op den duur aantrekkelijker dan in de jaren van goedkoop geld. Dat zal ten koste gaan van aandelenmarkten. Overheden zien zich voor een dubbele taak geplaatst: het bestrijden van de economische en financiële malaise. Tegelijkertijd moeten ze een beleid uitstippelen voor een periode waarin besparingen laag zijn en de vraag naar kapitaal groot. Tekorten kunnen hardnekkig groot worden. Pensioenfondsen, tenslotte, zullen een probleem minder hebben.

Terzijde
De huidige stijging van de lange rente in de VS en de EU staat los van het beschreven proces. Dat is veeleer de uitkomst van onzekerheid over de financieel-economische situatie in Europa en de VS.

McKinsey Global Institute, Farewell to cheap Capital? The implications of long-term shifts in global investments and savings. McKinsey & Company 2010

dinsdag 7 december 2010

Is de Eurozone nog te redden?

In de periode 2007-2009 leende de FED, het stelsel van centrale banken in de VS, het lieve sommetje uit van USD 3,3 biljoen aan banken en bedrijven binnen en buiten de VS. Miljarden en nog eens miljarden werden uitgeleend tegen vaak waardeloos onderpand en tegen een minimale rentevergoeding van soms slechts 1%. Het was een uiterst riskante operatie, maar anno 2010 zijn de meeste leningen terug betaald. De FED heeft zich de afgelopen jaren bij herhaling bereid getoond talloos veel miljarden in de economie te pompen om die gaande te houden en om het spook van deflatie buiten de deur te houden.

Europese verlammingsverschijnselen
In Europa is de Amerikaanse daadkracht met de nodige scepsis bekeken. De ongebreidelde geldschepping en het laten oplopen van de overheidstekorten moeten wel tot rampen leiden in de vorm van een omhoog schieten van de inflatie en het ineenstorten van de dollar.
Aan het einde van 2010 moeten we concluderen dat Europa voor zijn beurt heeft gesproken. Weliswaar zijn de effecten van de kredietcrisis in de VS nog dagelijks merkbaar in de vorm van een halsstarrig hoge werkloosheid, maar economisch bezien is de VS verder. De financiële sector is duidelijk aan de beterende hand en de bedrijven zijn in een puike conditie. Voor Europa geldt, dat de bedrijvensector gezond is, maar dat er veel onduidelijkheid is over de kwaliteit van de financiële sector. Het probleem dat echter de meeste aandacht vraagt is de kwetsbaarheid van de overheidsfinanciën van een groeiend aantal EU-lidstaten. Die kwetsbaarheid is deels het gevolg van het onvermogen van de Europese politieke elite om over de eigen schaduw van het vermeende nationale belang heen te springen, maar is ook deels het gevolg van weeffouten in de huidige monetaire unie. Het gevolg tot nu toe zijn een schrijnend gebrek aan daadkracht en verlamming in de besluitvorming.

Weeffouten
Volgens Martin Wolf van the Financial Times draagt een monetaire unie het zaad in zich van een kredietcrisis. Dat is voor een deel terug te voeren op de uiteenlopende relatieve kosten die leiden tot structurele onevenwichtigheden in handelsbalansen van de lidstaten. Die onevenwichtigheid leidt op den duur tot tekorten bij de minder competitieve landen. Die moeten kapitaal importeren ter bestrijding van de onevenwichtigheden. Als de externe leningen via het bankenstelsel verlopen, dan zal op den duur een financiële crisis ontstaan zoals in Ierland. Het kan ook de staat zijn die leent en dan groeit er een crisis in de overheidsfinanciën zoals in Griekenland.
En dan is er nog het verschijnsel van de zeer lage rente gecombineerd met een beperkte vraag naar kapitaal in de kernlanden van de eurozone. Dat vertaalde zich in een aantal perifere lidstaten in een bubbel van de prijzen van vermogenstitels en in een kredietbubbel uitmondend in een overspannen huizenmarkt. De gevolgen zijn bekend: het financiële systeem implodeerde, de economie klapte ineen en de overheidsfinanciën veranderden in een puree. De kredietcrisis was een feit.

Een zwevende munt
Gemakkelijke oplossingen, zoals het laten zweven van de nationale munteenheid, zijn er niet meer. De waardedaling van de munt zou voor aanpassingen zorgen in overeenstemming met het competitieve vermogen van het betreffende land. Dat kan niet meer in een muntunie.
Wat kunnen landen nu doen? Ze moeten het vertrouwen van de financiële markten pogen te verbeteren. Hoe kan dat? Door de rente op schatkistpakpapier te verhogen. De paradox is echter dat financiële markten slechts vertrouwen blijken te hebben in landen met een lage rente en niet in landen die hun rente stelselmatig verhogen. Dat zijn immers in de praktijk landen met een lage groei en hoge tekorten. De benodigde stringente bezuinigingen bedreigen het laatste beetje groei en daarmee de zekerheden die een land kan verschaffen om zijn schulden af te lossen.
Hoe kan de Eurozone aan deze vicieuze cirkel ontsnappen? Wolf is radicaal in zijn remedie. In gevallen zoals Ierland meent hij dat het bancaire systeem niet meer te redden is. Het gaat niet aan om de belastingbetaler, laat staan de buitenlandse belastingbetaler, te laten opdraaien voor de fouten van een privaat bancaire systeem. De effectenbezitter moet bloeden voor het falen van de onverantwoorde bankiers.

Vertrouwenwekkend
In geval van overheden die niet meer aan hun verplichtingen dreigen te kunnen voldoen, pleit hij voor een royale funding door de lidstaten in combinatie met duidelijke hervormingen. De funding is nodig om de paniek te bezweren, de voorgenomen hervormingen om te erkennen dat er zoiets als de insolventie van een overheid mogelijk is. En daar schuilt het riskante van de oplossing in. Markten begrijpen, dat onder de huidige omstandigheden de kans groter is dat staten hun schulden gaan herstructureren. Er zijn twee mogelijkheden hieraan te ontkomen: of de Europese centrale bank gaat schulden opkopen of lidstaten staan een deel van hun bevoegdheden af aan Brussel, zodat deze de macht krijgt bij individuele lidstaten financieel in te grijpen. Het is praktisch ondenkbaar dat landen als Duitsland of Nederland hiertoe bereid zijn. En daarmee is een economisch-financieel probleem een politiek probleem geworden. Het is aan zowel overschotlanden als aan tekortlanden om voor zichzelf de rekening op te maken of lid blijven van de unie aantrekkelijker is dan om zich ervan los te maken. Dit politieke proces is nu in volle gang en de uitkomst is dus nog onzeker gelet op het gebruikelijke gebrek aan daadkracht. Wie het gekissebis over de omvang van het reddingsfonds volgt, moet voor het ergste vrezen. Die moet vertrouwenwekkend groot zijn. De vraag of er al veel of weinig uit de pot is, moet als irrelevant terzijde geschoven worden.

maandag 6 december 2010

Beleggen na de crisis van 2008

2008 ? Deze vraag stelde Goldman Sachs zich en gaf de Economist Intelligence Unit de opdracht dit uit te zoeken. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport: Assessing and explaining risk: investors’ expectations after the financial crisis.

Goed voorbereid
Veel enquêtes vragen naar de bekende weg en de antwoorden zijn min of meer voorspelbaar. Dat geldt ook voor het voorliggende onderzoek. Een enkele uitkomst wekt verbazing. Zo blijkt ruim 40% van de ondervraagde beleggers van mening dat de crisis van 2008 weliswaar een bijzondere was maar toch weer niet echt buitengewoon. De adviseurs claimen dat ze hun clientèle goed hadden voorbereid op wat ging gebeuren en wat de consequenties zouden zijn. Dat lijkt mij eerlijk gezegd teveel eer. Eerder is het omgekeerde het geval. Het heeft in Europa wel erg lang geduurd voordat men besef kreeg van de volle omvang van de crisis. Meer realiteits- zin legt Europa aan de dag als het om de nabije toekomst gaat. Ongeveer 75% van de ondervraagden verwacht weinig van de komende jaren en als er al optimisme is dan is dat gebaseerd op het geloof in de kracht van de Opkomende Markten.

Risicoloos beleggen
Het eerste decennium van de 21ste eeuw heeft twee grote crises gekend. Het decennium begon met een crisis en eindigde ermee. Beide crises Is er leven voor de belegger na de crisis van hebben gevolgen gehad voor de wijze waarop beleggers anno 2010 kijken naar risico. Het idee dat er zoiets bestaat als risicoloos beleggen heeft afgedaan. Zelfs aan beleggen in cash of obligaties kleven gevaren. De belegger wil nog wel een uitzondering maken voor beleggen in commodities. Slechts 35% denkt dat negatief over deze beleggingsklasse.
De aanslag op het vermogen in 2008, de magere vooruitzichten en de meer risico-averse opstelling van de belegger heeft uiteraard gevolgen voor het verwachtings- patroon. Een ruime meerderheid denkt dat eerdere doelstellingen, zoals vervroegd pensioen, beter losgelaten kunnen worden. Die lijken voorgoed onhaalbaar.

Het alternatief
Welke lessen trekken beleggers uit de crisis van 2008? Vaststellen dat alle vormen van beleggen risico’s met zich brengen is de eerste les. Voortaan voorzichtiger zijn met de asset allocatie is de tweede. In reactie daarop heeft de professionele belegger besloten meer beleggingsklassen in zijn beschouwingen en beleggingsbeleid mee te nemen en dus meer te diversifiëren. De particuliere belegger is er echter nog niet uit. Hij weet niet goed wat hij moet doen. Volgens zijn adviseur is dat te wijten aan een nog steeds te hoog verwachtings -patroon. Dat is wellicht terug te voeren op een te nonchalante beoordeling van de crisis van 2008. Slechts 10% van de particuliere beleggers beschouwt de crisis van 2008 als iets unieks als iets eenmaligs. Dat is helaas ten onrechte, maar kan wel een verkeerd verwachtingspatroon verklaren. Het lijkt voor een aantal particuliere beleggers nog steeds een stap te ver om te accepteren dat risicoloos beleggen echt niet bestaat. Misschien is het toch beter de kwaliteit van de beleggings- portefeuille professioneel te laten bewaken.

Cor Wijtvliet
Nieuwsbrief De Weygerbergen November 2010

maandag 29 november 2010

BRIC’s blijven een succesverhaal

Als er één economisch succesverhaal op te diepen is uit het afgelopen decennium, dan is dat wel over de onstuitbare opkomst van de BRIC’s. Ze zijn verantwoordelijk geweest voor een derde van de groei van het wereldwijde BNP en ze maken inmiddels 25% van de wereldeconomie uit. Volgens Jim O’Neill van Goldman Sachs Global Asset Management is het gewicht van de BRIC’s in de wereldwijde economie zo groot dat termen als Opkomende Markten niet meer van toepassing zijn. De praktijk geeft hem trouwens gelijk. De financiële markten reageerden uiterst nerveus toen het nieuws naar buiten kwam dat de Chinese inflatie uit de bandbreedte 2%-4% was gebroken en was uitgekomen op 4,4%.

Aanhoudend succes
Aan alle goede dingen komt een einde en de vraag is daarmee gerechtvaardigd of het succesverhaal van de BRIC’s komende jaren de (financiële) pers blijft domineren. Er zijn goede gronden om aan te nemen dat voor pessimisme voorlopig nog geen plaats is. In 2018 zal de gezamenlijke economie van de BRIC’s groter zijn dan die van de VS. De economie van een land als India zal in 2020 groter zijn dan die van Canada of Italië.
De belangrijkste motor voor het aanhoudende succes zal de stormachtige groei zijn van de middenklasse in deze volkenrijke staten. Naar verwachting zullen er in 20210 ongeveer 1,6 miljard mensen zijn met een inkomen tussen USD 6000 – USD 30.000. Deze nieuwe koopkrachtige groep zal voor een explosie zorgen in de vraag naar goederen met een hogere toegevoegde aarde, zoals auto’s en state of the art technologie. Het karakter van de importen zal zodoende dramatisch veranderen.
Het aanhoudende succes zal ook gevolgen hebben voor de financiële markten van die landen. In het afgelopen decennium waren deze markten ondergewaardeerd, omdat het tamelijk lang duurde voordat partijen beseften wat de BRIC’s voor impact hadden. Het suces was gigantisch. In het afgelopen decennium steeg de Russische index met meer dan 880%, terwijl de BSE in India met meer dan 300% de lucht in ging. De Braziliaanse Bovespa was een trage groeier met slechts iets meer290%.
Nu is dat veranderd. De BRIC’s zijn een begrip, het verwachtingspatroon stijgt, de waarderingen zijn aangepast en dat impliceert dat het niet mee zal vallen om een outperformance te laten zien. Dat wil weer niet zeggen dat de resultaten tegenvallend zullen zijn.

Schaduwzijden
De enorme groei van de middenklasse in landen als India en China heeft ook zijn schaduwzijden. De druk om het milieu zal enorm toenemen. Beide landen kampen nu al met een tekort aan betrouwbaar drinkwater. In China is de milieuschade al zo groot dat het land van de weeromstuit druk doende is zijn economie te vergroenen en duurzamer te maken. In de tweede plaats zal deze nieuwe omvangrijke groep middenklassers de druk op de grondstoffenmarkten doen toenemen. Internationaal zal de grondstoffenrace alleen maar intensiveren. Het zal de stabiliteit in de wereld niet vergroten.

Succes is niet vanzelfsprekend
Het verhaal van de BRIC’s spreekt zeker tot de verbeelding. Het is echter beslist niet zo, dat in die landen alles als vanzelf in goud verandert. Er zijn grote problemen te overwinnen. Neem bijvoorbeeld India. Het land zal volgens Goldman Sachs dit hele decennium met gemiddeld 8% per jaar groeien. Dat percentage kan zelf omhoog gaan naar 10% als de juiste beleidsmaatregelen genomen worden. Dat klinkt versluierend eenvoudig. Er zijn nogal wat problemen die om een oplossing vragen. Het grootste probleem is misschien wel dat van de gewenste governance, de verbetering van het bestuurlijk systeem. Als dat niet lukt, dan is het bijvoorbeeld nog maar zeer de vraag of India de kwaliteit van zijn onderwijs kan verhogen. De toegankelijkheid moet beter en de kwaliteit moet omhoog van alle vormen van onderwijs. Een verbeterde governance kan ook zorg dragen voor een geloofwaardiger belastingstelsel.
India heeft een lange geschiedenis van (over)regulering. Daar moet een einde aankomen, willen bijvoorbeeld financiële markten naar behoren kunnen functioneren. De productiviteit van de landbouw laat zeer te wensen over. Dat is om meerdere redenen slecht voor het land. Ongeveer 60% van de beroepsbevolking is nog actief in de landbouw. De vraag uit industrie en dienstensector naar arbeidskrachten groeit sterk. Er is al een overloop van de landbouw naar deze sectoren op gang gekomen en die zal waarschijnlijk gaan versnellen. De productiviteit moet omhoog wil deze sector mee in de vaart der volkeren. En dan is er nog het probleem van de erbarmelijke infrastructuur. Ook daar moet wat aan veranderen wil het land ten volle kunnen profiteren van de snelle urbanisatie. En Dan is er nog het milieu. Het land zucht onder een tekort aan kwalitatief goed drinkwater en er is gebrek aan schone energie. Het is al gememoreerd
De problemen zijn te groot om in een keer op te lossen. De geïnteresseerde buitenwacht doet er wel goed aan om te controleren of er inderdaad aan gewerkt wordt, te beginnen met bestuurlijke innovatie.

maandag 22 november 2010

BRIC’s doen de Europese belegger goed

De cijfers over het derde kwartaal van 2010 zijn nagenoeg allemaal bekend en dus is het tijd voor een evaluatie. De verwachtingen voor het afgelopen kwartaal waren niet hoog gespannen. De Europese economie was op zijn best kwakkelend, de werkloosheid was en bleef hoog en de meeste bedrijven hadden al driftig gereorganiseerd en in de kosten gesneden. Waar zou de groei vandaan moeten komen?

Meevallend cijfer
Als er zoveel pessimisme heerst, dan kunnen cijfers eigenlijk al niet meer tegenvallen En dat is ook gebeurd. Volgens Plombeer vielen de Europese winstcijfers gemiddeld 2,4% hoger uit dan de consensusschattingen. Bijna de helft van de bedrijven lieten cijfers zien die minmaal 5% hoger uitvielen dan verwacht en ‘slechts’ 30% deed het 5% slechter dan gehoopt. De ‘betere’ winstcijfers waren niet alleen te danken aan margeverbeteringen, maar ook aan een sterker dan verachte omzetgroei. Die viel gemiddeld bijna 2% hoger uit dan de consensusschattingen. Regionaal gesproken deden bedrijven in de VS en in Azië het best. Europa bleef wat achter, maar dat valt deels te verklaren uit de talrijke bijstellingen van de winstverachtingen sinds juli 2010. In de VS waren in die periode opwaartse bijstellingen schaars. Het best presteerden bedrijven met grote belangen in de BRIC’s. 56% van deze bedrijven deden het beter dan de markt en met 12,7% vielen de verrassingen ook aanzienlijk hoger uit dan het marktgemiddelde van 2,4%. Als we over teleurstellingen hebben, dan moeten we naar Europa kijken en in het bijzonder naar de perifere landen. Fors minder dan 47% van de bedrijven kwam met verrassend goede cijfers en meer dan 35% kwam met teleurstellingen naar buiten.

Sectorthema’s
Niet alleen de omzet- en winstcijfers vielen mee over het derde kwartaal, ook het aantal sectoren dat bijdroeg aan de groei was geruststellend groot. Een groter economisch draagvlak stelt gerust voor de uitkomsten over het lopende kwartaal.
Goed presterende sectoren en aansprekende thema’s in het derde kwartaal waren onder meer:
• Cyclicals. Vooral bedrijven die zich richtten op Reizen en Vrije Tijd presteerden goed. Belangrijk in dezen was en is de terugkeer van de zakelijke reiziger.
• Technologie. Bedrijven die software en diensten leveren aan industriële ondernemingen, kenden een goed kwartaal. Ook producenten van telecomapparatuur hadden de wind mee.
• Industriële ondernemingen bleven goed presteren, alhoewel de groei geleidelijk afvlakte.
• De sector telecom zag de groei in lijn met de verwachtingen toenemen, waarbij bedrijven met groei in mobiele data positieve uitschieters waren.
• Banken deden het gemiddeld genomen slecht, maar de uitersten zijn hier groot. Zwak waren vooral banken in Spanje, Italië en Zwitserland, terwijl de Franse en Noordse banken aan de andere kant van het spectrum zaten.
• De Gezondheidszorg deed het op het eerste gezicht redelijk, maar in tweede instantie blijken uitkomsten volledig gebaseerd op het snijden in de kosten.
• De Oliemaatschappijen hadden zonder meer een sterk kwartaal, waarbij de uitschieters te danken waren aan het downstream bedrijf en de gasproductie.
• De verzekeraars hadden het moeilijk en dat was voor een deel te wijten aan onzekerheid over komende regelgeving. De zwakke huizenmarkt smoorde de verkoop van hypotheken.
• De Media deden het redelijk goed en dat was vooral te danken aan het herstel van de advertentiemarkt voor tv.
• De Nutsbedrijven leverden weinig opzienbarende resultaten. Het beste nieuws was, dat de sector de kosten over de kortlopende schulden goed in de hand heeft gehouden.

De eindejaarsverwachtingen
Wat zit er voor beleggers in 2010 nog in het vat? Bij Goldman Sachs hebben ze er wel vertrouwen in. Waar de markt uitgaat van een winstgroei van de Euro STOXX 600 van 34%, zie zij een groei van 38%. Ondanks de geruststellende cijfers over het derde kwartaal, is het aantal opwaartse bijstelling erg beperkt gebleven, vinden de Amerikanen. Daar zal waarschijnlijk wel verandering in komen, denken ze. Waarderingen zijn nog steeds laag met 2011 P/E voor de Euro STOXX 600 van 11X.
De twijfelende belegger raden ze aan zijn geld te steken in bedrijven die in het 3de kwartaal zowel een omzet- als winstgroei lieten zien. Die werden het best beloond door de markt. Het is misschien een open deur, maar het is ook goed om het te weten.

Goldman Sachs, Strategy matters. November 2010

maandag 15 november 2010

Innovatie globaliseert in hoog tempo

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat is een waarheid als een koe, maar tegelijk ook maar een halve waarheid. Veel meer geldt vandaag de dag: wie een goed opgeleide jeugd heeft, die heeft echt de toekomst. Onderwijs en Nederland, het is geen gelukkige combinatie. Hoewel alle politici niet moe worden te benadrukken hoe belangrijk onderwijs is, wordt er al 25 jaar lang op het onderwijs bezuinigd. En met succes. In het HBO onderwijs zijn we nu zo ver dat we de diploma’s gewoon weggeven. Dat is pas kosten besparen. Wat in Nederland gebeurt, geschiedt trouwens in alle westerse landen. Zijn we bezig onszelf in de voet te schieten?

De globalisering van innovatie en R&D
Het is al vaker gezegd. Het economisch evenwicht is aan het verschuiven. De zogeheten BRICs zijn de economische nieuwlichters. Hun macht danken ze vooral aan de verschuiving van veel industriële activiteiten van west naar oost. Tot voor kort maakte veel westerse overheden zich hier niet zo druk over. Dit deel van de wereld zou de hoogwaardige banen in R&D, marketing en dienstverlening behouden. Langzaam sluipt echter twijfel binnen of die veronderstelling wel ergens op berust. Die twijfel is terecht. De verschuiving van het industrieel evenwicht heeft nu ook gevolgen voor het R&D evenwicht in de wereld. Nu nog domineren Japan en vooral de VS de markt voor innovatie, maar het is nog maar de vraag hoe lang dit nog het geval is. Ook hier is China de snel stijgende ster. Dit land heeft de Europese Unie al achter zich gelaten als het gaat om investeringen in R&D en het is de verwachting dat over vijf tot tien jaar China de absolute nummer één in de wereld is .
De cijfers geven een onmiskenbaar signaal af. De afgelopen 10 jaar groeide de R&D bestedingen in China met gemiddeld 20%, in Korea met 8% en in de G7 landen met 3,2%. Het lage groeitempo in veel westerse landen is zorgelijk. De R&D intensiteit in veel westerse landen groeit niet of nauwelijks en blijft in veel gevallen steken op 2,1% van het BNP. Nederland blijft hier weer bij achter met een R&D intensiteit van 1,9%. Nederland blijft wel heel erg ver achter bij een land als Korea dat ongeveer 3,5% van het BNP besteedt aan R&D.

Bedrijfsinspanningen
Een verstandig R&D beleid is gebaseerd op een goed samenspel tussen overheid en bedrijfsleven. De eerste draagt zorg voor kwalitatief goed wetenschappelijk onderzoek en de tweede zorgt voor de omzetting van die kennis naar nieuwe producten en diensten. Nog maar weinig bedrijven doen zelf aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. IBM is zo’n bedrijf. In de VS is het bedrijfsleven goed voor 65% van de R&D bestedingen, in Europa is dat 55%. In Azië ligt het aandeel in veel gevallen al boven 70%. Het leeuwendeel van het R&D door bedrijven geschiedt door het internationaal opererend bedrijfsleven. De meest R&D intensieve sectoren zijn farmacie, IT technologie en de automobielindustrie Bijna alle bedrijven die meer dan 15% van hun omzet besteden aan R&D komen uit de VS, Europa en Japan. Maar ook hier zie je veranderingen. In 2007 sloeg al ongeveer 15% van alle R&D inspanningen van Amerikaanse bedrijven neer in landen als China en India. Een bedrijf als Microsoft heeft 1500 onderzoekers actief in China en nog eens 1500 in India. Die inspanningen hebben de afgelopen 5 jaar 270 patenten opgeleverd. In 2009 opende Applied Materials ’s-werelds grootste onderzoekcentrum naar zonne-energie in China. Van ons eigen Philips is bekend, dat het ook hard bouwt aan onderzoeksafdelingen in China. Het hebben van veel multinationals is daarmee geen geruststellende gedachte meer.

Patenten
De internationalisering van de R&D inspanningen heeft gevolgen op meerdere terreinen. Zo stijgt de wetenschappelijke productie in de Opkomende Markten razendsnel en dat is weer terug te zien in de verdeling van het aantal patenten wereldwijd. Kwam aan het beging van deze eeuw nog 70% van de toegekende patenten uit de VS of Europa, in 2009 was dat nog 62%. Een schamele 13% van de patenten kwam in 2009 uit Europa.
De groei van de R&D inspanningen vergroot nog de slagkracht van de toch al sterke industriële basis in de Opkomende Markten. Dat heeft zich vertaald in een kwalitatieve verbetering van de productie wat weer neer slaat in een verbetering van de handelsbalans. Al in 2004 passeerde China de VS als grootste exporteur van IT goederen. Het mag niet verbazen dat veel Amerikaanse en Europese bedrijven tot de exporteurs behoren.

Stand van Zaken
Het op grote schaal outsourcen van industriële activiteiten van West naar Oost heeft grote onvoorziene consequenties gehad. De overplaatsing van productiefaciliteiten heeft geleid tot het weglekken van steeds meer hoogwaardige R&D activiteiten. Dat heeft geleid tot een afnemende concurrentiekracht van het Westen in zulke uiteenlopende sectoren als farmacie, IT Technologie, elektronica en transport. Nog is het zo, dat grote westerse bedrijven op de internationale markten de eerste viool spelen, maar het is slechts een kwestie van tijd voordat ook zij een stapje terug moeten doen.
Het vreemde is wel, dat Europa en dus ook Nederland amper of niet reageren op al deze veranderingen. Ondanks de twijfel en de groeiende onzekerheid is er geen beleid. Als je niet kijkt, dan zie je het ook niet.






Goldman Sachs, the new geography of global innovation. September 2010

dinsdag 9 november 2010

Na de BRICs de Afrikaanse leeuwen

In 2000 kwam er met een luide knal een einde aan de IT-hype. De Internetbubbel spatte uiteen. Alras groeide bij investmentbankers overal ter wereld de vrees, dat het voorlopig weleens uit kon zijn met de pret op de financiële markten. Er moesten nieuwe grazige beleggersweiden gevonden worden. Het is de tijd dat Goldman Sachs met succes het begrip de BRICs introduceerde. Het is echter ook de tijd, dat beleggers zich vergisten in de mogelijkheden van landen als Vietnam, Turkije, maar ook Afrika. Financieel zeer was hun lot.

Afrika, het verloren continent
We zijn nu bijna tien jaar verder en beleggers hebben hun wonden kunnen likken. Het ergste van de wereldomspannende kredietcrisis lijkt achter ons te liggen en dus is het tijd om de balans op te maken. Evenals aan het begin van dit decennium lijkt er de komende jaren voor de belegger op de traditionele financiële markten weinig vreugde te beleven. De AEX stuitert alweer twee jaar heen en weer tussen het niveau van 320 punten en 350 punten. Het ziet er niet naar uit dat hier op korte termijn verandering in komt. Tijd voor het wenden van de steven op zoek naar nieuwe grazige weiden. Zijn die er, los van de BRICs?
Hoe staat het anno 2010 met Afrika, het verloren continent?
Laten we enkele cijfers op een rij zetten. Dit continent omvat 20% van het landoppervlak in de wereld en 15% van de bevolking. Dat is aanzienlijk, maar het continent produceert slechts 4% van het wereldwijde BNP. Dat klinkt weer niet imponerend.

Een nieuwe werkelijkheid
Het is ook slechts een deel van het verhaal. Tussen 2000 en 2008 groeide het Afrikaans BNP met gemiddeld 5,3% en in de jaren van de kredietcrisis was er een (bescheiden) groei van 2%. De economische opleving is vooral te danken aan de stijgende prijzen voor een reeks van grondstoffen, aantrekkende exporten en niet te vergeten stijgende binnenlandse koopkracht.
Dit goede nieuws verbergt aanzienlijke onevenwichtigheden op het continent. Algerije, Egypte, Marokko, Nigeria en Zuid Afrika zijn samen goed voor 60% van het Afrikaanse BNP. Sommige landen groeien niet, zoals Kongo en Ivoorkust, terwijl in een land als Angola de groei explodeert. De oorzaken voor de grote verschillen laten zich gemakkelijk benoemen: politieke instabiliteit, burgeroorlog en daarmee gepaard gaande armoede.

De Afrikaanse Leeuwen
De problemen voor het continent zijn nog steeds groot en omvangrijk, maar het is niet langer mogelijk alle landen over een kam te scheren. Er is duidelijk een economische voorhoede aan te wijzen, de Afrikaanse Leeuwen: Algerije, Botswana, Egypte, Libië, Marokko, Mauritanië, Tunesië en Zuid Afrika. Wat maakt deze landen tot Leeuwen? Eerst en vooral zijn het de omstandigheden thuis. Er heerst een redelijke politieke stabiliteit, er heerst de kracht van de wet, bezit wordt gerespecteerd. Er is toegang tot vreemd vermogen, er zijn publieke investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen. Het voorzieningenpeil ligt uiteraard lager dan in Europa, maar dat zou het vergelijken van appels en peren zijn. Het neemt ook niet weg, dat het BNP per hoofd van deze landen zich laat vergelijken met de BRIC landen. En datzelfde geldt voor geletterdheid, levensverwachting en niveau van onderwijs. Volgens the Economist kun je in de ‘Leeuwenlanden’ net zo gemakkelijk en veilig zaken doen als in de BRIC landen


Het Afrikaans bedrijfsleven
Het succes van de Afrikaanse Leeuwen weerspiegelt zich in het succes van het Afrikaans bedrijfsleven. In de jaren negentig van de vorige eeuw steeg de omzet van de top 500 (geen financiële instellingen) met gemiddeld 3%, maar na 2000 komt de stijging uit op 18%. Dat zijn groeicijfers die er toe doen! De slagkracht van de top 500 is zo groot, dat deze bedrijven sinds 2002 ook over de grens investeren. De omvang van die investeringen is bijvoorbeeld groter dan in Latijns Amerika.
De Afrikaanse Leeuwen kennen bedrijven die gemakkelijk op het wereldtoneel meekunnen. De top 40 bedrijven (inclusief financials) hebben een omzet die loopt van $ 80 miljard tot
$ 350 miljard. Zuid Afrika is de grootste leverancier met 18 bedrijven in de tot 40. Niet alleen de omzet mag verbazing wekken, maar een operationele marge van 20% is ook niet te versmaden

De Sleutel tot het succes
In Afrika is nog veel mis, maar het is niet langer een verloren continent. Het continent biedt veel voordelen. Het heeft veel grondstoffen, arbeid is er goedkoop en de bevolking groeit snel. Die jonge bevolking draagt niet de erfenis van gisteren met zich. Daarnaast zijn overheden de afgelopen jaren druk geweest om het economisch klimaat te verbeteren. De markt kan er nu zijn werk doen. En tenslotte ontstaat er een ondernemende klasse die niet alleen risico’s bespeurt maar eerst en vooral kansen.
Er kan veel gebeuren in tien jaar.










The Boston Consulting Group, The African Challengers. Global competitors emerge from the overlooked continent. 2010

dinsdag 2 november 2010

Nieuwe spelen, nieuwe kansen

Dat er iets verstrekkends stond te gebeuren in de wereldeconomie, wisten we al sinds 2001. In dat jaar introduceerde het roemruchte Goldman Sachs het begrip BRIC (Brazilië, Rusland, India en China). Deze landen zouden in de visie van Goldman Sachs de nieuwe economische heersers worden van de wereld. Indachtig het motto: Yes we’re greedy, but we’re longterm greedy, blijft Goldman Sachs de ontwikkelingen op de voet volgen.

De winnaars van morgen
De kredietcrisis van 2008 en de langdurige nasleep ervan zal volgens de trendwatchers van Goldman de transformatie van de wereldeconomie alleen maar versnellen. Sinds 2008 is de groei in de ontwikkelde wereld sterk vertraagd en is er weinig uitzicht op een spoedige versnelling. Na een aanvankelijke terugval is de groei in de Opkomende Markten weer in de hoogste versnelling gegaan. Die groei in deze markten begint zich te vertalen in een aantrekken van binnenlandse investeringen en de groei van een kapitaalkrachtige middenklasse. Hoe belangrijk de opkomende Markten zijn bewijst het voorbeeld van Duitsland. Dit land kent een sterk economisch herstel (2010, + 3,4%), maar dat is vooral te danken aan een sterke vraag naar goederen uit bijvoorbeeld China en in mindere mate India. Beleggers doen er daarom goed aan welke mogelijkheden deze nieuwe markten bieden en wat de interessante sectoren zijn.

BRIC’s, een bron van nieuwe consumptie
Waren de BRIC's tot voor kort importeurs van vooral commodities, het succes van Duitsland bewijst dat ook dat beeld aan correctie toe is. Het gaat nu om hoogwaardige kapitaalgoederen maar ook om consumptiegoederen. Het belang van de consumptie in de opkomende markten laat zich moeilijk onderschatten. Volgens Goldman was de stijging in de consumptieve vraag in China voldoende om de krimp in de vraag in de VS te compenseren. Bedroeg de groei in de consumptieve bestedingen in de BRIC landen in 2009 nog ‘slechts’2,8%, in 2010 zullen die bestedingen met meer dan 6% stijgen. Die bestedingen zullen de komende decennia (!) alleen maar blijven groeien. Dat is het gevolg van de groei van een kapitaalkrachtige middenklasse in genoemde landen. Tussen 2010 en 2030 zullen naar schatting twee miljard inwoners van de Opkomende Markten tot de middenklasse toetreden ofwel 30% van de wereldbevolking . De groei betekent nieuwe kansen voor zowel het lokale bedrijfsleven als voor het internationaal georiënteerde bedrijfsleven. Kansrijke sectoren zijn uiteraard luxe goederen, onroerend goed, vrijetijdsbesteding, gezondheidzorg en de automobielsector. De Chinese markt voorauto’s is sinds 2009 groter dan die in de VS.

Een nieuwe infrastructuur
De consumptieboom in de opkomende markten is nu al een van de pijlers waarop de aarzelende wereldeconomie steunt. Infrastructurele investeringen zullen naar alle waarschijnlijkheid een tweede pijler gaan vormen. Eigenlijk gaan die twee hand in hand. Het is bijna onmogelijk dat de private consumptie zal stijgen zonder dat er fors geïnvesteerd gaat worden in wegen, spoorwegen, elektriciteitsvoorzieningen, waterleidingen en sanitaire voorzieningen. Al die voorzieningen zijn nodig, omdat we hier uiteraard praten over een stedelijke middenklasse. Volgens de VN zal de stedelijke bevolking tot 2020 met ruim één miljard mensen toenemen. Slechts 10% van die groei komt op het conto van de ontwikkelde landen.
De infrastructurele investeringen in landen als China en India, waar de groei van de middenklasse in aantallen het grootst is zullen enorm zijn. Een land als India moet naar schatting de komende jaren USD 1,7 triljoen investeren om het publieke voorzieningenniveau in de pas te laten lopen met de verstedelijking .

Welbeschouwd
De wereld staat aan de vooravond van enorme economische verschuivingen, zoveel moge duidelijk zijn uit het voorafgaande. Die verschuivingen bieden internationaal opererende bedrijven nieuwe kansen. Dat is al terug te zien in de cijfers. Het aandeel in het operationele inkomen uit de Opkomende Markten van Europese bedrijven verdubbelde in 10 jaar tijd van 9% naar 19%. Kapitaalsinvesteringen laten hetzelfde beeld zien . Het beeld uit Europa zien we bevestigd in de VS. Bedrijven met veel aandacht voor de opkomende markten laten een snellere omzetgroei zien.
Dat is allemaal goed nieuws, maar een waarschuwing is op zijn plaats. Het competitief vermogen van bedrijven in de opkomende markten neemt snel toe. Lokale bedrijven investeren fors in R&D én in goede banden met lokale overheden. Nu al is het zo, dat marges van lokale bedrijven aantrekkelijker zijn dan die van internationale bedrijven. Dat is veelal nog te danken aan een betere kostenstructuur, maar het is nog maar een kwestie van tijd of het is te danken aan de kwaliteit van het product of de dienst. Ook voor de internationale belegger wordt de wereld een stuk groter en interessanter.



Dominic Wilson and Raluca Dragusanu, The Expanding Middle: The Exploding World Middle Class and Falling Global Inequality. July 7, 2008

Thushar Poddar, India Can Afford Its Massive Infrastructure Needs, September, 2009.

The Goldman Sachs Group, The BRICs Nifty Fifty: The EM & DM Winners, November 2009

dinsdag 26 oktober 2010

Vakmanschap is meesterschap

Een van de wezenlijke kenmerken van de vroege 21ste eeuw is de komeetachtige opkomst van Azië als een nieuw centrum van economische macht. De schijnbaar onstuitbare opmars van dat werelddeel is voor de US Council on Competitiveness aanleiding geweest om een Global Manufacturing Competitiveness Index te laten samen stellen. Bij the Council leeft de overtuiging dat industrie en industriële activiteiten van levensbelang zijn om investeringen aan te trekken, om te innoveren en om hoogwaardige banen te scheppen. De industrie fungeert derhalve als een vliegwiel, dat economische groei aanjaagt en daarmee dé bron is voor welvaart en welzijn. Industriële activiteiten omspannen in de 21ste eeuw meer dan het louter produceren van goederen. Het draait om ideeën, kennis, producten en diensten. Het mag dan ook geen wonder heten dat niet langer industriële sectoren uit verschillende landen met elkaar concurreren, maar dat meer en meer landen gaan concurreren. Het bezit van een dynamische industriële sector is een nationale prioriteit geworden. Zonder industrie geen bloeiende dienstensector is een uitkomst voor overheden om rekening mee te houden

Winnaars en verliezers
Zoals bij alle onderzoeken bevat ook dit onderzoek een lijstje van voorwaarden waar landen aan moeten voldoen om mee te kunnen in de industriële vaart der volkeren. De meeste voorwaarden zijn al wel bekend, maar het kan geen kwaad om de belangrijkste nog eens op te sommen. De belangrijkste voorwaarde is volgens de deelnemers aan het onderzoek het voorhanden zijn van voldoende talent. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Nederland telt weliswaar veel hoogopgeleiden, maar er is een schreeuwend tekort aan hoogopgeleide technici en ingenieurs. Bovendien wordt allengs duidelijker dat de kwaliteit van bijvoorbeeld het HBO onderwijs in Nederland zorgwekkend genoemd mag worden. En dan is er natuurlijk het kostenaspect. Dat strekt verder dan de kosten voor arbeid, grondstoffen en energie. Minstens zo belangrijk zijn zaken als wetgeving, belastingklimaat, milieu en gezondheidszorg. Landen met de laagste kosten houden een streepje voor bij ondernemers, maar dan moet het innovatieve klimaat in een land ook in orde zijn. Lage kosten alleen zijn echt niet voldoende meer. Dat heeft alles te maken met de gewijzigde opvatting over wat industrie is, waar het voor staat. Hierboven hebben we gesproken over industrie als vliegwiel, als aanjager van allerhande activiteiten. De opstellers van het rapport spreken dan ook niet louter over industrie, maar over een postindustrieel ecosysteem. Een industriële activiteit is geen op zichzelf staande activiteit maar past in een groter geheel. Het is het samenspel van bedrijven, toeleveranciers, kennisinstituten en overheden.

De rol van de overheid
Het zal weinigen verrassen dat het onderzoek concludeert dat de industriële hegemonie langzaam aan het verhuizen is naar Azië. De dominante machten in de 21ste eeuw zullen China, India maar ook Zuid-Korea zijn. Tot nu toe onderscheiden ze zich van landen als bijvoorbeeld Mexico, maar ook van bijvoorbeeld Rusland en Brazilië. De winnaars zijn in eerste instantie op basis van loonkosten de strijd aangegaan om een industriële basis te vestigen. Ze hebben echter al heel snel begrepen, dat op basis van kosten alleen het spel niet te winnen is. Al heel snel zijn ze daarom gaan investeren in mensen en middelen om in de industriële waardeketen te stijgen. Anno 2010 hebben deze landen nog steeds een gematigde kostenstructuur, terwijl ze in de waardeketen naar de technologische top zijn opgeschoven.
Er is nog een aandachtspunt waar de winnaars van de 21ste eeuw zich onderscheiden van de grootmachten van de 20ste eeuw. We doelen hier op de rol van de overheid. In de visie van de 20ste eeuw moest de overheid zich onthouden van actieve bemoeienis. Bedrijven en sectoren concurreerden op de internationale markten. Overheden mochten hooguit op de achtergrond een ondersteunende rol spelen. De winnaars van vandaag kenmerken zich door een overheid, die actief en sturend optreedt. Hier en daar valt de term commando-economie te beluisteren. Dat klinkt negatief maar dat ontslaat Westerse overheden en beleidsmakers niet van de verplichting goed te kijken naar wat in Azië aan nieuwe opvattingen leeft. Voor zelfgenoegzaamheid is weinig reden meer.

Dalers
De winnaars van gisteren zijn de verliezers van vandaag. Dat is bijna een wetmatigheid. De verliezers van vandaag zijn de VS en de West-Europese landen. In de top 10 van competitief vermogen staat de VS op de vierde plaats en is Duitsland met een achtste plaats Het enige land uit het oude Europa dat in de top tien te vinden is, heet Duitsland. Zonder meer opvallend is de tiende plaats van Polen. Dit land heeft volgens de onderzoekers veel mogelijkheden om tot de winnaars van morgen te behoren. Voor de meeste Westerse landen voorziet het onderzoek een geleidelijk afglijden. Nederland staat nu zestiende maar zal deze positie onder de huidige omstandigheden zeker niet kunnen behouden, laat staan een plaatsje stijgen.
De wellicht meest tragische conclusie van het onderzoek is wel, dat het allengs verminderen van het concurrerend vermogen te wijten is aan state of the art opvattingen over verstandig beleid. Het gaat hier om het proces van outsourcen van industriële productie naar lage lonen landen. Het overplaatsten van de productie blijkt in de praktijk onherstelbare schade toe te brengen aan de waardeketen: research-design-productie-after sales. Door de productie weg te snijden uit de keten raken synergetische processen hopeloos verstoord. Te veel vormen van kennis, kunde en vaardigheden gaan verloren met het wegsijpelen van industriële activiteiten. De VS vormen hier een mooi en afschrikwekkend voorbeeld van. Is de productie eenmaal verdwenen, dan is het wachten op het vertrek van andere hoogwaardige activiteiten zoals research. In het afgelopen jaar heeft het hightech bedrijf Applied Materials zijn research naar China overgebracht. Het bleek in de praktijk beter om research en productie te koppelen. Volgens het blad Manufacturing and Technology News moeten de VS steeds meer hoogwaardige spullen als IT-technologie en vliegtuigmotoren importeren uit landen als China en Brazilië, terwijl het meer en meer laagwaardige spullen als papier en zaadolie exporteert.
Gaat het in Nederland beter? Niet als we kijken naar de exportstatistieken. Het aandeel van in Nederland geproduceerde industriële producten daal sinds jaar en dag. Als we al producten exporteren dan gaat het in zeven van de tien gevallen om wederexport ofwel doorvoer.

Wat resteert
Het rapport is een groot pleidooi voor het herstel van de industriële kracht in de VS en West Europa. Dat is volgens de onderzoekers noodzakelijk om op termijn welvaart en welzijn te garanderen. Zonder een gezonde industriële basis is er geen bloeiende diensteneconomie mogelijk en ook geen kenniseconomie. Het rapport pleit voor herindustrialisering, maar constateert tevens dat door het outsourcingproces van de laatste jaren er tegelijkertijd heel veel kennis is verloren gegaan. Werknemers zijn ontslagen en hebben hun kennis meegenomen, maar houden die meestentijds niet op peil.
Is dan alles hopeloos en reddeloos? Nee, natuurlijk niet. Ondanks de neergang blijven de VS en West Europa relatief industriële zwaargewichten. Willen ze werkelijk herindustrialiseren, dan biedt de groene economie kansen. Die staat immers nog in de kinderschoenen en zodoende is er nog een ‘level playing field’.



Deloitte, 2010 Global Manufacturing Competitiveness Index. June 2010

vrijdag 15 oktober 2010

Dit keer is het anders

Volgens ingewijden zou het zomaar kunnen dat de Duitse economie over het jaar 2010 een groei laat zien van 3%. Dat is bijna het dubbele van eerdere prognoses. Een groei van 1,5% leek maximaal haalbaar. De Duitse voorspoed is vooral te danken aan de export van hoogwaardige kapitaalgoederen naar de Opkomende Markten. Dit exportsucces heeft Duitsland weer tot de locomotief gemaakt van Europa, dat nu met meer vertrouwen naar de nabije toekomst durft te kijken. Wie waagt nog te beweren, dat industrie niet meer van belang is voor de westerse economieën?!

De VS blijven verkouden
Wat het Duitse succes zo bijzonder maakt is dat het indruist tegen de overheersende logica. Het kan in Europa alleen maar goed gaan als het de VS economisch voor de wind gaan en daar is momenteel allerminst sprake van. Sterker nog, in de VS blijven de zorgen over een mogelijke double dip prominent. De centrale bank van de VS, de FED overweegt om nogmaals enkele honderden miljarden dollars in de economie te injecteren om een serieuze terugval te voorkomen. Dat beleid staat in schril contrast met het voorgenomen beleid in Europa, waar het accent op bezuinigen ligt. De Europeanen zijn van mening dat de bezuinigingen weliswaar de groei enigszins zullen afremmen, maar niet noemenswaardig.
Het ziet er naar uit, dat het in deze economische cyclus anders is. Weliswaar niezen de VS, maar Europa en de rest van de wereld lijken minder bevattelijk voor een verkoudheid.

Typische problemen
Het minder bevattelijk zijn wil weer niet zeggen, dat Europa en de Opkomende Markten immuun zijn voor de economische teruggang in de VS. Van een werkelijke economische ontkoppeling is geen sprake. Heel de wereld zal last hebben van een double dip in de VS, maar niet zoveel. De VS hebben te kampen met een reeks problemen, die niet een op een te vertalen zijn naar Europa, en nog minder naar de Opkomende Markten.
Er zijn drie terreinen aan te wijzen waarop de problemen in de VS uniek voor het land zijn of van veel grotere omvang dan elders en die direct van invloed zijn op de economische ontwikkeling.
Het eerste en misschien wel het grootste probleem is dat van de zwakke huizenmarkt. Die laat maar geen tekenen van stabilisatie, laat staan van verbetering zien. Dat tast het vertrouwen en de bestedingskracht van de Amerikaanse consument aan. Die consument zit sowieso op zijn handen, omdat hij druk doende is zijn schulden naar een aanvaardbaar niveau terug te brengen. In de EU kennen landen als Spanje en Ierland ook een zwakke huizenmarkt, maar die landen zijn eerder uitzonderingen. In de meeste Opkomende Markten speelt het huizenprobleem niet of nauwelijks.
Een tweede probleem is, dat van het positief effect van het herstel van de voorraden weinig meer over is. Dat herstel was stormachtig, maar was ook in enkele maanden voltooid. Ook in dit opzicht staan de ontwikkelingen in de VS in meerdere of mindere mate los van de rest van de wereld, uitzonderingen daar gelaten zoals Australië en Noorwegen. In die landen laat de voorraadcyclus een bijna identiek beeld zien als in de VS. Niet alleen het effect van de voorraadcyclus is uitgewerkt, maar ook dat van de stimuleringsmaatregelen van de FED. In de eerste helft van 2010 droegen stimuleringsmaatregelen naar schatting 1% punt bij aan de economische groei. Nu de effecten weggeëbd zijn, slaat het positief effect ervan om in een negatief van ongeveer 1,5% punt in de eerste helft van komend jaar . De FED probeert dit negatieve effect tegen te gaan door een hernieuwde stimuleringsronde ter waarde van misschien wel USD 500 miljard. Het is echter twijfelachtig of de maatregelen het gewenste effect zullen hebben. De rente is al bijna nul. Zal het bedrijfsleven of de consument meer gaan lenen als de rente helemaal 0% is? Ervaringen in Japan wijzen in een andere richting. Daar komt nog bij, dat de openstaande rekening in de VS in snel tempo groter wordt. Het heeft er de schijn van dat de FED stimuleert om te voorkomen dat de VS wegzakken in een deflatoire omgeving. Japan geldt hier opnieuw als onheilspellend voorbeeld. Deflatie werkt op den duur maatschappij ontwrichtend

Tenslotte
Welbeschouwd hebben de VS op korte termijn weinig middelen om de economie uit het moeras te trekken. Het beleid blijft echter gericht op verder stimulering, ook al zullen de positieve effecten minimaal zijn. De handen van Europa en zeker van de Opkomende Markten zijn beleidsmatig veel minder gebonden. Er is in veel landen de mogelijkheid om meer of minder te bezuinigen om de groei niet teveel geweld aan te doen. Europa moet wel serieus rekening houden met een ongunstige ontwikkeling van de dollar-euroverhouding. Als Europa verstandig bezuinigt, dan zijn de vooruitzichten op de middellange termijn beter dan die voor de VS. Want, zoals eerder opgemerkt wordt daar de openstaande rekening voorlopig alleen maar groter.
De Opkomende Markten zijn op dit moment vergelijkenderwijs de beste plaatsen om te vertoeven.
De wereld van gisteren bestaat niet meer en de wereld van morgen is nog onbekend. De wereld van vandaag is een overgangswereld met alle onduidelijkheden en onzekerheden van dien. Alles wat vandaag als waar en waarschijnlijk geldt, kan morgen gelogenstraft worden.

Goldman Sachs Global Economics, If the US sneezes…., pag. 5. September 2010

vrijdag 8 oktober 2010

Het tekort van de demografie

Veel mensen voelen bijna intuïtief aan wat de life-cycle theorie inhoudt. Het uitgaven- en consumptiepatroon van de doorsnee burger wordt grotendeels bepaald door zijn levensfase. Iemand die aan het begin van zijn carrière staat en bovendien doende is een gezin te stichten, spaart weinig maar bouwt eerder schulden op. Als hij/zij gesetteld raakt, dan begint het sparen. Stopt de burger met werken dan begint geleidelijk het definitieve ontsparen. De demografische opbouw van een land is zodoende medebepalend voor het feit of een bevolking al dan niet veel oppot of schulden maakt. In het eerste geval kan een land een overschot opbouwen in het tweede geval gebeurt het tegenovergestelde.

Bij GoldmanSachs hebben ze nu bedacht dat een demografisch profiel van een land van invloed kan zijn, niet alleen op de besparingen van een land maar ook op de internationale kapitaalstromen. Overschotlanden lenen immers uit aan tekortlanden.

Demografisch profiel
Een verandering in het demografisch profiel is van invloed op het niveau van economische groei, op het niveau van besparingen en op de omvang van de overschotten, zo denken ze bij Goldman. Doorslaggevend in dezen is de omvang van de leeftijdsklasse 35 – 69 jaar. Deze groep spaart meer dan zij besteedt. Hoe meer mensen sparen hoe groter de netto besparingen en derhalve hoe groter de mogelijke kapitaalsstromen. De uitkomsten kunnen van land tot land verschillen, afhankelijk van het demografisch profiel. Het demografisch profiel kan dus ook een zekere voorspellende waarde hebben. Het maakt aannemelijk of een land op termijn een netto-spaarder wordt of blijft of zich ontwikkelt tot een tekortenland. Een profiel van een reeks van landen kan derhalve ook iets zeggen over de verwachte internationale kapitaalstromen, zo is de redenering.

Goldman Sachs heeft een model gebouwd en daarin de benodigde gegevens van 44 landen over een periode van 30 jaar gestopt. Het model levert interessante inkijkjes. Het bevestigt bijvoorbeeld wat al redelijkerwijs vermoed werd. De crisis van 2008 was mede te wijten aan een extreme onbalans tussen tekortlanden (VS/EU-laden) en overschotlanden (China, Azië en EU-landen). In beide gevallen waren de uitslagen groter dan op basis van het model had verwacht mogen worden. Vanaf 2008 is er aan beide zijden een proces van rebalancing op gang gekomen maar de uitslagen blijven te groot. Dat laat het model ook zien.

Ontwikkelde markten versus opkomende markten
Het model levert volgens de auteurs nog meer inzichten op. Tussen 1950 en 1990 was de omvang van de groep spaarders in de leeftijdsklasse 35 – 69 jaar in de ontwikkelde markten groter dan in de opkomende markten. De ontwikkelde landen kenden toen nog overschotten en de opkomende markten kampten met grote, zorgwekkende tekorten. Dat is in de loop van de jaren negentig veranderd en hoe! Het onderliggende spaarsurplus was in de opkomende markten in de periode 1998-2008 ruim 2,5% van het GDP te groot, terwijl de tekorten van de ontwikkelde landen bijna 1% van het GDP hoger uitvielen, dan modelmatig had moeten geschieden. Die grote onbalans kan een verklaring zijn voor de vraag waarom een zo groot bedrag aan netto besparingen van de opkomende markten naar de ontwikkelde markten is gestroomd. Die laatste moesten op die manier hun tekorten dekken
Die trend van aanzwellende kapitaalsstromen naar de ontwikkelde markten zal de komende jaren eerder verder versterken dan afzwakken. In de ontwikkelde markten en in olieproducerende landen zal het aantal spaarders in de leeftijdsklasse 35 – 69 jaar pieken in 2016, terwijl de opkomende markten in 2032 pieken. China zal trouwens de piek eerder bereiken. Naar bevolkingsopbouw lijkt dit land meer op de ontwikkelde markten, maar naar spaargedrag meer op opkomende markten. Op basis van het demografisch profiel komen de auteurs tot de conclusie dat de zogeheten BRIC landen en de N-11 landen voortdurende grotere overschotten zullen genereren, terwijl landen als de VS, Japan en Frankrijk met steeds grotere tekorten te kampen zullen hebben.
Juist de huidige extreme gang van zaken geeft tegelijkertijd een impuls aan tegenkrachten die er op termijn voor moeten zorgen, dat aan beide zijden de ergste uitwassen zullen verdwijnen.

Dat aanpassingproces gaat jaren duren en kan verrassende uitkomsten hebben. Tot 2025 zullen bijvoorbeeld OPEC-landen, maar ook traditionele overschotlanden als Duitsland, Japan, Zweden maar ook China hun overschotten snel kleiner zien worden. Duitsland en Japan moeten er serieus rekening mee houden uiteindelijk tekortlanden te worden. Beruchte tekortlanden zoals Griekenland, Spanje en Portugal een omgekeerd proces gaan doormaken, hoewel het tekortlanden blijven. Voor de VS zullen de tekorten minder snel afnemen.
Het aanpassingsproces tot 2025 zal er volgens de mensen van Goldman Sachs ertoe leiden, dat het beeld wat uniformer wordt. Grosso modo zullen alle belangrijke ontwikkelde economieën een tekort laten zien en de opkomende markten als geheel blijven overschotten scheppen. Als gevolg daarvan blijven de kapitaalsstromen lopen van zuid naar noord.

Demografie en rente
Zoals gezegd genereerden de ontwikkelde markt tot pakweg 1990 een surplus aan besparingen en de opkomende markten een fors tekort. De balans sloeg negatief uit. Er was in 1988 wereldwijd een spaartekort ter grootte van 1,7% van het GDP. In 2009 was het tekort omgeslagen in een spaaroverschot van 2,1% van het GDP. Deze omslag valt samen met de groei van het aantal spaarders in de leeftijd 35-69 jaar .
In dezelfde periode van oplopende besparingen en groei in de omvang van het aantal spaarders, zien we een daling inzetten van de lange rente. Is de conclusie gerechtvaardigd dat er een samenhang is tussen het demografisch profiel van landen en het niveau van de lange rente? De auteurs durven het verband niet absoluut te stellen, maar veronderstellen een economische logica.
Als er een verband is tussen het profiel, besparingen en niveau van de rente, dan zijn hier voor de komende tijd consequenties aan te verbinden. De auteurs veronderstellen dat de spaaroverschotten de komende decennia blijven groeien, zij het langzamer. Dat impliceert dat de neerwaartse druk op het niveau van de lange rente voorlopig ook aanwezig blijft. Die neerwaartse druk zal het grootst zijn in de Opkomende markten waar de meeste overschotten geproduceerd worden. Tekortlanden, zeker die landen die eerder overschotlanden waren, moeten rekening houden met een relatieve stijging van hun rente.

Conclusies
De auteurs laten bij voortduring weten, dat het vooral om aannames gaat en dat het model verre van perfect is. Toch is de verleiding groot om enkele conclusies te trekken. De eerste luidt dat de huidige onbalans mede het gevolg was van het doorschieten van trends die zich geleidelijk ontwikkelden maar die een bijna niet te stoppen invloed hadden op de richting van de internationale kapitaalstromen. Weliswaar zijn de ergste uitwassen sinds 2008 verdwenen, het zou toch prettig zijn als er meer gebeurde. Dat zou vooral op het vlak van de internationale wisselkoersverhoudingen kunnen, maar vooral zou de vraagzijde in de opkomende markten gestimuleerd kunnen worden.
Het is echter in de tweede plaats onmiskenbaar dat het wereldwijde demografische profiel de netto besparingen eerder zullen doen groeien dan dat het omgekeerde gaat gebeuren. Dat in combinatie met grote internationale verschillen in economische groei zal er voor zorg dragen dat de export van kapitaal uit de Opkomende markten blijft groeien. Dat impliceert tegelijkertijd dat een aantal ontwikkelde landen op korte of langere termijn onder zijn schuldenlast gaat bezwijken. Een gevolg van de aanhoudende groei in besparingen kan zijn, dat vooral in de Opkomende markten de rente laag blijft of zelfs nog verder zal dalen. Financiële beleidsmakers moeten er misschien maar rekening mee gaan houden dat de huidige situatie geen uitzondering zal zijn maar eerder regel. Een voordeel van al dat oppotten zal kunnen zijn dat zulks een dam opwerpt tegen het gevreesde grootschalige ontsparen van de Westerse babyboomgeneratie. Die ontsparingen zouden kunnen leiden tot druk op de waarde van allerlei assets, zo is een veelgehoorde angst.
Tenslotte, als het demografisch profiel van de ontwikkelde landen wijst op steeds grotere tekorten, dan zal dat politieke gevolgen hebben. Overheden zullen proberen de omvang van de groep spaarders te laten groeien. Dat kan door het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd, maar ook door gedwongen besparingen. Om met Reagan te spreken: you ain’t seen nothing yet!

dinsdag 21 september 2010

Sparen voor je pensioen, zinvol of onzinnig?

Alweer voor de derde keer in dit decennium laait de discussie over de houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel op. De lopende discussie is het gevolg van het hernieuwde falen van 14 kleine en grote pensioenfondsen om boven de nominale dekkingsgraad van 105% te blijven. Die veertien zijn waarschijnlijk het topje van de welbekende ijsberg. De vijf grootste pensioenfondsen dringen er bij de minister op aan om de spelregels te veranderen om zodoende de uitkering aan de huidige en toekomstige pensionado’s veilig te stellen.

De belangrijkste redenering hierbij is dat het speelveld voor de pensioenfondsen veranderd is. De gemiddelde levensduur stijgt veel sneller dan verwacht. Dat betekent langer lopende verplichtingen voor de fondsen. En die verplichtingen stijgen nog verder, omdat de lange rente al jaren de neiging heeft te dalen tot ver beneden de eertijds gewenste rekenrente van 4%. Het is maar zeer de vraag of de rente op korte termijn weer gaat stijgen.

De wens is de vader van de gedachte
Is het pensioenprobleem de wereld uit, als we de spelregels aanpassen? Misschien wel, maar is het niet zinvol de discussie op een iets andere leest te schoeien. Is ons onvolprezen pensioensysteem wel zo fantastisch? Is het grootschalig sparen voor de dag van morgen wel een zinvolle activiteit? Laten we beginnen met de vaststelling dat het nemen van een reeks van besluiten op micro niveau niet noodzakelijk een macro uitkomst geeft. Laten we tevens vaststellen, dat geld in feite een sluier is waarachter zich economische processen voltrekken.

Arbeidsmarkt
Ons unieke stelsel van kapitaaldekking leverde macro een hoge (gedwongen) spaarquote op, resulterend in decennia lang overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Is dat macro gesproken een afdoende voorwaarde voor een zekere oude dag? Kennelijk niet, en dat heeft niets te maken met rekenrentes of andere regelgeving. In Nederland en in de rest van de Westerse wereld woedt momenteel de discussie over het al dan niet verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Het niet verhogen van die leeftijd heeft macroconsequenties. Het aantal toetreders tot de arbeidsmarkt is vanaf 2010 structureel kleiner dan het aantal uittreders. In geval van niet langer werken zullen we als gemeenschap moeten accepteren dat ons bestedingspatroon omlaag moet. Sparen voor de oude dag is micro, maar macro zal iedere leeftijdscohort het moeten doen met de productie van zijn cohort.

Vandaag de dag wordt vaak geschermd met intergenerationele solidariteit als antwoord op het dreigende tekortschieten van ons pensioenstelsel. Maar is zoiets als ‘intergenerationeel’ wel mogelijk? Hoe zou intergenerationele voorraadvorming van producten en diensten er uit moeten zien? Kun je intergenerationeel ‘sparen voor handjes aan het bed’?

Buitenland
Als Nederland een verlaging van het bestedingspatroon weigert te accepteren, dan kan een oplossing zijn om meer producten en diensten te gaan importeren. Dat betekent interen op ons buitenlands actief. Gelukkig dus dat we daartoe decennialang dat spaaroverschot hebben geforceerd? Tja, de Rabo-econoom Wim Boomsma heeft in zijn dissertatie aangetoond dat we ons suf hebben gespaard, maar slechts rijk hebben gerekend. Het netto-buitenlands actief is verdwenen door directe misinvesteringen van Nederlandse bedrijven en ongunstige koersontwikkelingen op de valuta-, rente- en aandelenmarkten. En toen moest de financiële crisis nog komen. Trouwens pensioenfondsen hebben dezelfde fouten gemaakt. Met het oog op de lange termijn hebben ze geld gestopt in langlopende projecten, bijvoorbeeld in de infrastructuur. Dat klinkt heel nobel, maar dat is het niet. Je zou het met meer recht twijfel-achtige beleggingen kunnen noemen. Beleggen is natuurlijk iets anders dan je premies investeren in langlopende projecten. Zeker overheidsprojecten garanderen bijna per definitie verlies op je financiële inspanningen. Kortom, de weg vanuit het buitenland voor handhaving van de welvaart is definitief afgesloten.

Productiviteit
We kunnen natuurlijk ook proberen onze gezamenlijke productiviteit voortdurend omhoog jagen om ons aan te passen aan de nieuwe macrosituatie. Om onze (welvaarts)positie te handhaven zullen we wel beter moeten presteren dan de overige hoogontwikkelde landen.

Hoe reëel is dit uitgangspunt? De productiviteitsontwikkeling laat in dit land al jaren te wensen over. Vooral de dienstensector laat het afweten. Het is dus maar zeer de vraag of de Nederlandse kapitaalgoederenvoorraad van een betere kwaliteit is dan bijvoorbeeld die van Duitsland of Zwitserland? Natuurlijk is de Nederlandse publieke infrastructuur ook van behoorlijke kwaliteit. Maar ook in dit opzicht is er ruimte voor twijfel. Is die infrastructuur beter dan bijvoorbeeld de Franse. Dat die infrastructuur nog steeds van behoorlijke kwaliteit is, heeft Nederland mede te danken aan de investeringen door pensioenfondsen. Het mag misschien allemaal wel weinig rendement opleveren, maar het draagt wel bij aan de productiviteit.

En tenslotte, goed onderwijs heet de basis voor de welvaart van morgen. De kenniseconomie, zo heet dat officieel. Maar hoe goed is ons onderwijs? Er groeien meer en meer twijfels. De uitkomsten van het OESO-onderzoek ‘education at a glance’ zijn wat dat betreft weinig bemoedigend.

Conclusie
Wat heeft een halve eeuw van grootschalige pensioenbesparingen Nederland de facto opgeleverd? Verrassend weinig. Het kapitaaldekkingssysteem werkt deflatoir uit. De welvaart had aanmerkelijk hoger kunnen zijn, als de premies minder hoog waren geweest. Nu het uur U daar is en de brede babyboom- generatie meldt zich bij de pensioenfondsen, nu blijkt dat al die besparingen deze generatie waarschijnlijk niet of slechts ten dele brengen wat verwacht was. Teveel besparingen zijn simpelweg verdampt. Alleen al in 2008 verdween voor meer dan EUR 200 miljard aan papieren besparingen en beleggingen. Is er hier een uitweg of een oplossing mogelijk. Jawel, geld is een sluier waarachter economische processen zich voltrekken. Nederland moet investeren in beter human capital, public capital en bedrijfskapitaal. Hier kunnen pensioenfondsen een rol van belang spelen. Een hogere productiviteit smoort trouwens een mogelijke oplaaien van de inflatie als de babyboomgeneratie massaal gaat ontsparen.

Cor Wijtvliet dankt zijn oud-collega Jan Schipper voor zijn inspiratie en zijn opbouwend commentaar

maandag 20 september 2010

Nederland Kennisland

Nederland heeft er de mond van vol. Ons land moet een kenniseconomie ontwikkelen. Alleen op deze manier kunnen we de concurrentieslag aan met de nieuwe, aanstormende economische grootmachten als China, India, Brazilië en Rusland. Deze overduidelijke strategische overweging werpt de vraag op hoe Nederland er in dat opzicht voorstaat . Gelukkig doet de OECD onderzoek naar de ontwikkeling van het onderwijs bij de aangesloten landen. De resultaten worden geboekstaafd in het zogeheten Education at a glance, dat jaarlijks verschijnt.

Middenmoter
Een kenniseconomie veronderstelt een groeiende deelname aan het hoger onderwijs. In Nederland is dat beslist het geval. Een vergelijking tussen leeftijdsklassen maakt dat duidelijk. Van de leeftijdsklasse 55-64 heeft iets minder dan 30% een hogere opleiding, van de leeftijdsklasse 25-34 heeft 40% een hogere opleiding genoten. Een behoorlijke verbetering zou je zeggen, maar dat valt tegen in de internationale vergelijking. Met die 40% is Nederland een middenmoter in de internationale vergelijking. In een land als Korea heeft 60% een hogere opleiding genoten. Van de leeftijdsklasse 55-64% heeft in Korea slechts 10% een hogere opleiding genoten. In Europa valt vooral de prestatie van Ierland op. De prestatie van het cohort 55-64 blijft onder het OECD gemiddelde van 20% steken, maar het jongere cohort komt royaal boven 40% uit. In Duitsland stagneert de groei in aantallen van het hogere onderwijs. Het percentage blijft steken rond 25%.
Een oorzaak voor de weinig uitbundige groei van het hoger onderwijs kunnen de relatief hoge kosten voor de gemiddelde student zijn. Die bedragen volgens de OECD in dit land $ 60.000. Daar staat tegenover dat dezelfde student $ 119000 meer verdient tijdens zijn werkzame leven dan zijn leeftijdgenoot die niet gestudeerd heeft. Maar de Nederlandse student doet het in dat opzicht slechter dan het OECD gemiddelde van iets meer dan
$ 200.000.

Het economisch nut van hoger onderwijs
Is het wel de moeite waard om je als land grote inspanningen te getroosten om meer jongeren naar het hoger onderwijs te sturen? Op het eerste gezicht is dat niet zo voor Nederland. Iemand met een hogere opleiding kost in dit land een werkgever $ 20.000 meer dan het OECD gemiddelde. Dat verschil is grotendeels te verklaren uit verschillen in productiviteit en hogere sociale lasten, maar voor een deel is het ook een kwestie van vraag en aanbod. Boven beschreven combinatie van factoren maakt dat Nederland niet erg aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerder. In de OECD-vergelijking bungelt Nederland troosteloos onderaan. Natuurlijk vormen de arbeidskosten voor de hoogopgeleide werknemer niet de enige belemmering voor een aantrekkelijk investeringsklimaat, maar het speelt wel een rol.
Moeten we nu gas terug nemen en minder in het hoger onderwijs investeren of juist meer? Als we New Zeeland als voorbeeld nemen, dan is het beter flink te blijven investeren in hoger onderwijs. Dat land heeft meer hoger opgeleiden in de aanbieding en derhalve daalt de premie die een werkgever bereid is te betalen voor zijn vaardigheden. Dezelfde ontwikkeling zien we in België. Toch gaat dit niet in alle gevallen op. In landen als Korea en de VS, waar meer werknemers een hogere opleiding hebben, daalt de premie voor de werkgever niet. Waarschijnlijk is de vraag naar hoger opgeleiden nog steeds groter dan het aanbod.

Kosten en Baten
Investeren in onderwijs loont. Over de duim genomen is een land met een groot aanbod van hoger geschoolden aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Ze krijgen zo de beschikking over voldoende vaardigheden tegen een lagere premie. Is Nederland bereid om extra te investeren in zijn onderwijs? Het antwoord is nee, als het gaat om het lager en middelbaar onderwijs. Dan scoort dit land gemiddeld. Het antwoord is ja als het gaat om het hoger onderwijs. De gemiddelde investering in het hoger onderwijs in de OECD landen bedraagt $ 10.000 per jaar. Nederland besteedt jaarlijks $ 16.000.-.
Blijkbaar is dit voor de overheid reden tot tevredenheid, want in de periode 2000-2007 stegen de bestedingen niet, hoewel het aantal studenten fors toenam. De concurrentie liet zijn investeringen in diezelfde periode met gemiddeld 14% stijgen.
Dat is een op zich zorgelijke ontwikkeling, want stilstand is achteruitgang zoals het cliché beweert. De relatieve achteruitgang mag niet verbazen. De 27 OECD landen stoppen gemiddeld 6,2% van het Bruto Nationaal Product in ‘het onderwijs’. Met 5,5% blijft Nederland daar royaal bij achter. Daar staat tegenover, dat de uitgaven voor onderwijs meegegroeid zijn met de groei van het Bruto Nationaal Product. In 1995 was het percentage 5,5%, evenals in 2000.

Tenslotte
Education at a Gance is een omvangrijke studie met talloze invalshoeken. Daar kan in kort bestek onmogelijk recht aan gedaan worden. De eerste indruk is echter wel, dat Nederland in zijn onderwijsbeleid weinig ambitie uitstraalt. ‘We ‘ tenderen sterk naar het gemiddelden naar de middelmaat. Eigenlijk mag dat niet verrassen, want we leven in een land van doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Dat is nou niet de mentaliteit om een dynamische kenniseconomie op te bouwen. Gelukkig doen we het niet slechter dan de meeste Europese landen, maar of dat nu een geruststelling voor de toekomst is?!

vrijdag 17 september 2010

breuklijnen

De VS zijn een sterk gepolariseerd land. De tegenstellingen tussen rood (conservatief) en blauw (liberaal) zijn zo groot geworden, dat het land eigenlijk onregeerbaar is. De rode en blauwe bevolkingsgroepen leven meer en meer met de rug naar elkaar toe en willen minder en minder met elkaar te maken hebben.
Er is een beperkt voordeel aan deze intense polarisatie. Beide kampen hebben talloze denktanks in het leven geroepen om het eigen gelijk te onderstrepen. Dat resulteert in een waterval aan rapporten die allemaal te vinden zijn op de diverse websites en in de meeste gevallen gratis zijn te downloaden. Voor wie geduld heeft om in deze zee van wetenswaardige rapporten te wroeten is er altijd wel wat te vinden. Zo heeft de liberale denktank the Institute for Policy Studies onlangs een onderzoek gepubliceerd met de intrigerende titel: CEO Pay and the Great Recession. Dit rapport past in een reeks van jaarlijkse onderzoeken naar het inkomen van de Amerikaanse CEO.

Zelfverrijking
In een liberaal rapport naar de inkomensontwikkeling van ‘de baas’ hoef je weinig subtiliteiten te verwachten. Het rapport trekt vanaf pagina 1 ten strijde. Het gemiddeld inkomen van de CEO van de 50 grootste bedrijven is in een halve eeuw tijd verachtvoudigd en bedraagt anno 2010 ongeveer $ 9 miljoen. Het reële inkomen van de doorsnee Amerikaanse werknemer stagneert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het is de stelling van het rapport dat deze uitzinnige salarisontwikkeling van de top van het Amerikaanse bedrijfsleven mede ten grondslag ligt aan de recessie.

Kampioenen van het ontslag
Ter staving van de stelling verwijzen de auteurs ondermeer naar een onderzoek van het blad Forbes. Dit blad heeft becijferd, dat de 500 grootste bedrijven tussen november 2008 en april 2010 bijna 700 000 medewerkers de laan uit stuurden. Meer dan 75% van alle ontslagen kwamen voor rekening van vijftig bedrijven. De kampioenen van het ontslag verdienden in 2009 gemiddeld $ 12 miljoen en dat was ruim 40% meer dan de collega’s uit de S&P500 mee naar huis mocht nemen. Vijf van de bedrijven die hun top zo royaal beloonden in 2009, ontvingen in dat jaar miljarden aan overheidssteun.
De hamvraag in deze omstandigheden is natuurlijk wat het opleverde voor het bedrijf? En hier gaat het mis. De auteurs claimen op basis van eerder onderzoek, dat na ingrijpende herstructureringen slechts een derde van de bedrijven hun winst ziet toenemen en dan nog voor de korte termijn. De auteurs blijven echter een overtuigend antwoord schuldig op hun eigen stelling dat CEO’s een bewust beleid voerden om zoveel mogelijk mensen de laan uit te sturen. De ontslaggolf moest de beurskoers doen stijgen en op die manier de grote bonus veilig stellen. Beweren dat de meeste bedrijven nog steeds mooie zwarte cijfers schreven ten tijde van de ontslaggolf, is geen afdoende bewijs.
Dat neemt niet weg, dat beleggers zich best eens achter de oren mogen krabben. Het is immers nog steeds çommon wisdom in beleggersland, dat ontslaggolven de winstgevendheid van een bedrijf en daarmee de koersontwikkeling ten goede komen. Dat blijkt allemaal van uiterst tijdelijke aard.

Ontwortelde elites
Het onderzoek blijft teveel hangen op het niveau van de morele verontwaardiging. Het is uiteraard meer dan ergerniswekkend dat de top vijftig kampioenen van het ontslag in 2009 samen bijna $ 600 miljoen incasseerden, terwijl de gemiddelde ex-werknemer op een uitkering van $ 15,860 mag rekenen.
Misschien hadden de auteurs een voorbeeld moeten nemen aan Robert Reich, voormalig minister van Arbeid. In zijn boek Aftershock wijst hij erop, dat de economische elite zich geleidelijk volledig los gezongen heeft van de rest van de maatschappij. Zij wortelen niet meer in de Amerikaanse samenleving en dat maakt hen doof en blind voor hun eigen verantwoordelijkheid en voor wat ze aanrichten. De Amerikaanse middenklasse worstelt al enkele decennia met de negatieve gevolgen van de globalisering en snelle technologische vernieuwingen waardoor veel traditionele banen verdwenen zijn en de koopkracht steeds verder wordt aangetast. De economische elite blijft er blind en doof voor. Reich is een representant van een groeiende groep economen die bang is dat er een einde gekomen is aan een stilzwijgende afspraak tussen werkgever en werknemer. De een betaalt een behoorlijk salaris en de ander zet dat salaris om in consumptie. Als dat inderdaad het geval zal blijken, dan voorspelt dat volgens deze groep economen weinig goeds voor de VS. Een verarmende en wraakroepende middenklasse kan zich woedend keren tegen de elites. Dat kan op een breed terrein negatieve gevolgen hebben.

Amerikaanse toestanden
In Europa wil men nogal eens denigrerend spreken over ‘Amerikaanse toestanden’ als dit soort alarmerende verhalen de plas komen overgewaaid. Echter, ook in Europa komt in snel tempo een einde aan een lange stilzwijgende afspraak. Onder druk van dezelfde globalisering en technologische vernieuwing is het Europese sociale systeem van de welvaartsstaat onder steeds zwaardere druk komen staan. Dat heeft erin in Italië bijvoorbeeld in geresulteerd dat er een zogeheten 1000 euro generatie is gegroeid. Jongelui kunnen geen vaste baan meer vinden en komen niet veel verder dan wat losse baantjes die maximaal Eur 1000 per maand opleveren. Frankrijk kent sinds jaar en dag een exodus van hoogopgeleide jongeren die hun heil in het Verenigd Koninkrijk zoeken of in de VS. In Nederland hebben jongeren tot 27 jaar geen recht meer op een uitkering’. In de recessiejaren 2008/09 is een hele grote groep 50 plussers gedachteloos aan de kant gezet. Dus ook in ons werelddeel heersen ‘Amerikaanse toestanden’ en dan moeten de grote bezuinigingsgolven nog komen.

Tenslotte
Zal de grote recessie van 2008/09 een breuklijn in de geschiedenis blijken, zoals sombermansen beweren? Zullen deze jaren symbool worden voor de veranderende verhoudingen in de wereld? Het machtsevenwicht verschuift definitief naar Azië, wat onder meer tot uitdrukking komt in een verarmende bevolking in Europa en de VS. Het klinkt misschien overdreven, maar het is een scenario waar ‘we’ beslist rekening moeten houden.

Breuklijnen

De VS zijn een sterk gepolariseerd land. De tegenstellingen tussen rood (conservatief) en blauw (liberaal) zijn zo groot geworden, dat het land eigenlijk onregeerbaar is. De rode en blauwe bevolkingsgroepen leven meer en meer met de rug naar elkaar toe en willen minder en minder met elkaar te maken hebben.
Er is een beperkt voordeel aan deze intense polarisatie. Beide kampen hebben talloze denktanks in het leven geroepen om het eigen gelijk te onderstrepen. Dat resulteert in een waterval aan rapporten die allemaal te vinden zijn op de diverse websites en in de meeste gevallen gratis zijn te downloaden. Voor wie geduld heeft om in deze zee van wetenswaardige rapporten te wroeten is er altijd wel wat te vinden. Zo heeft de liberale denktank the Institute for Policy Studies onlangs een onderzoek gepubliceerd met de intrigerende titel: CEO Pay and the Great Recession. Dit rapport past in een reeks van jaarlijkse onderzoeken naar het inkomen van de Amerikaanse CEO.

Zelfverrijking
In een liberaal rapport naar de inkomensontwikkeling van ‘de baas’ hoef je weinig subtiliteiten te verwachten. Het rapport trekt vanaf pagina 1 ten strijde. Het gemiddeld inkomen van de CEO van de 50 grootste bedrijven is in een halve eeuw tijd verachtvoudigd en bedraagt anno 2010 ongeveer $ 9 miljoen. Het reële inkomen van de doorsnee Amerikaanse werknemer stagneert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het is de stelling van het rapport dat deze uitzinnige salarisontwikkeling van de top van het Amerikaanse bedrijfsleven mede ten grondslag ligt aan de recessie.

Kampioenen van het ontslag
Ter staving van de stelling verwijzen de auteurs ondermeer naar een onderzoek van het blad Forbes. Dit blad heeft becijferd, dat de 500 grootste bedrijven tussen november 2008 en april 2010 bijna 700 000 medewerkers de laan uit stuurden. Meer dan 75% van alle ontslagen kwamen voor rekening van vijftig bedrijven. De kampioenen van het ontslag verdienden in 2009 gemiddeld $ 12 miljoen en dat was ruim 40% meer dan de collega’s uit de S&P500 mee naar huis mocht nemen. Vijf van de bedrijven die hun top zo royaal beloonden in 2009, ontvingen in dat jaar miljarden aan overheidssteun.
De hamvraag in deze omstandigheden is natuurlijk wat het opleverde voor het bedrijf? En hier gaat het mis. De auteurs claimen op basis van eerder onderzoek, dat na ingrijpende herstructureringen slechts een derde van de bedrijven hun winst ziet toenemen en dan nog voor de korte termijn. De auteurs blijven echter een overtuigend antwoord schuldig op hun eigen stelling dat CEO’s een bewust beleid voerden om zoveel mogelijk mensen de laan uit te sturen. De ontslaggolf moest de beurskoers doen stijgen en op die manier de grote bonus veilig stellen. Beweren dat de meeste bedrijven nog steeds mooie zwarte cijfers schreven ten tijde van de ontslaggolf, is geen afdoende bewijs.
Dat neemt niet weg, dat beleggers zich best eens achter de oren mogen krabben. Het is immers nog steeds çommon wisdom in beleggersland, dat ontslaggolven de winstgevendheid van een bedrijf en daarmee de koersontwikkeling ten goede komen. Dat blijkt allemaal van uiterst tijdelijke aard.

Ontwortelde elites
Het onderzoek blijft teveel hangen op het niveau van de morele verontwaardiging. Het is uiteraard meer dan ergerniswekkend dat de top vijftig kampioenen van het ontslag in 2009 samen bijna $ 600 miljoen incasseerden, terwijl de gemiddelde ex-werknemer op een uitkering van $ 15,860 mag rekenen.
Misschien hadden de auteurs een voorbeeld moeten nemen aan Robert Reich, voormalig minister van Arbeid. In zijn boek Aftershock wijst hij erop, dat de economische elite zich geleidelijk volledig los gezongen heeft van de rest van de maatschappij. Zij wortelen niet meer in de Amerikaanse samenleving en dat maakt hen doof en blind voor hun eigen verantwoordelijkheid en voor wat ze aanrichten. De Amerikaanse middenklasse worstelt al enkele decennia met de negatieve gevolgen van de globalisering en snelle technologische vernieuwingen waardoor veel traditionele banen verdwenen zijn en de koopkracht steeds verder wordt aangetast. De economische elite blijft er blind en doof voor. Reich is een representant van een groeiende groep economen die bang is dat er een einde gekomen is aan een stilzwijgende afspraak tussen werkgever en werknemer. De een betaalt een behoorlijk salaris en de ander zet dat salaris om in consumptie. Als dat inderdaad het geval zal blijken, dan voorspelt dat volgens deze groep economen weinig goeds voor de VS. Een verarmende en wraakroepende middenklasse kan zich woedend keren tegen de elites. Dat kan op een breed terrein negatieve gevolgen hebben.

Amerikaanse toestanden
In Europa wil men nogal eens denigrerend spreken over ‘Amerikaanse toestanden’ als dit soort alarmerende verhalen de plas komen overgewaaid. Echter, ook in Europa komt in snel tempo een einde aan een lange stilzwijgende afspraak. Onder druk van dezelfde globalisering en technologische vernieuwing is het Europese sociale systeem van de welvaartsstaat onder steeds zwaardere druk komen staan. Dat heeft erin in Italië bijvoorbeeld in geresulteerd dat er een zogeheten 1000 euro generatie is gegroeid. Jongelui kunnen geen vaste baan meer vinden en komen niet veel verder dan wat losse baantjes die maximaal Eur 1000 per maand opleveren. Frankrijk kent sinds jaar en dag een exodus van hoogopgeleide jongeren die hun heil in het Verenigd Koninkrijk zoeken of in de VS. In Nederland hebben jongeren tot 27 jaar geen recht meer op een uitkering’. In de recessiejaren 2008/09 is een hele grote groep 50 plussers gedachteloos aan de kant gezet. Dus ook in ons werelddeel heersen ‘Amerikaanse toestanden’ en dan moeten de grote bezuinigingsgolven nog komen.

Tenslotte
Zal de grote recessie van 2008/09 een breuklijn in de geschiedenis blijken, zoals sombermansen beweren? Zullen deze jaren symbool worden voor de veranderende verhoudingen in de wereld? Het machtsevenwicht verschuift definitief naar Azië, wat onder meer tot uitdrukking komt in een verarmende bevolking in Europa en de VS. Het klinkt misschien overdreven, maar het is een scenario waar ‘we’ beslist rekening moeten houden.

woensdag 8 september 2010

water is al schaars

Op het moment dat deze column in statu nascendi is, gutst het regenwater uit de hemel. De maand augustus was in grote delen van Europa de natste sinds mensenheugenis. En toch heeft de schaarste aan water ook Europa bereikt. Het gaat dan om kwalitatief goed drinkwater. Landen als Spanje, Italië, maar ook Engeland kampen vooral in de zomer met een gebrek aan water.
De voornaamste oorzaak van de groeiende schaarste wereldwijd is het exploderend gebruik ervan. In 1900 lag het gebruik op 770 km3, in het midden van de vorige eeuw verdubbelde het gebruik naar 1480 km3 om weer 50 jaar later te stijgen naar 4500 km3. Rond 2030 zal bij ongewijzigd beleid de totale consumptie naar verwachting 6500 km3 bedragen. De totale voorraad aan water bedraagt jaarlijks tussen 9000km3 en 12000km3. Met dat volume moet de wereld alles doen: consumeren, irrigeren en industrieel gebruik. De voorraden zijn ook nog onevenwichtig over de wereld verdeeld. Een land als Israel verbruikt nu al meer water dan de voorraden toelaten en voor delen van China, India en de VS geldt hetzelfde. De doorsnee Zwitser heeft ongeveer 7000 km3 ter beschikking. De belangrijkste factoren die deze explosie veroorzaken zijn de aanhoudende bevolkingsgroei en de stijgende welvaart in grote delen van de wereld.

Vier mega trends
Dankzij de groeiende schaarste heeft zich in de afgelopen periode een heuse watermarkt ontwikkeld. De waarde van deze markt bedraagt in 2010 naar schatting USD 480 miljard. Dat bedrag kan onderverdeeld worden in USD 175 miljard voor bestedingen aan drinkwater, industrieel water en afvalwater. De rest gaat op aan allerlei vormen van diensterlening, zoals onderhoud. Door de financiële crisis is de groei in de uitgaven geremd, maar vanaf 2010 zal naar verwachting de watermarkt zijn gebruikelijke groeitempo van pakweg 6% per jaar weer hervatten.
Dat kan ook moeilijk anders, want crisis of geen crisis de onderliggende factoren gaan niet weg en winnen hooguit aan gewicht. Er zijn vier megatrends aan te wijzen die van belang zijn voor de groeiende schaarste en daarmee voor de aanhoudende groei van de watermarkt.
De eerste megatrend is demografie. De wereldbevolking groeit nog steeds, maar dat is niet alles. Die groei vraagt al om meer water. De groei van de consumptie ligt op een hoger niveau dan de bevolkingsgroei. Dat is vooral een gevolg van een gemiddeld hogere levensstandaard, vooral in de stad. De bevolkingsgroei gaat gepaard met een aanhoudende trek van de bevolking van het platteland naar de stad. Nu al woont meer dan 50% van de wereldbevolking in steden. De trek naar de stad vertaalt zich vooral in de opkomende markten in de groei van zogeheten megasteden. Deze trend vraagt om enorme investeringen om de noodzakelijke voorzieningen aan te leggen. Tenslotte, het groeiend aantal monden vraagt om een hogere voedselproductie. De enorme verstedelijking in alle delen van de wereld heeft gevolgen voor het aanwezige areaal aan landbouwgrond. De oplossing is een intensivering van de landbouwproductie, waar irrigatie een onmisbaar onderdeel van is.
Al deze factoren in combinatie met een ongelijke verdeling van de watervoorraden over de wereld hebben nu al tot gevolg dat voorraden uitgeput raken door overexploitatie.
Een tweede trend die invloed heeft op de groei van de watermarkt heet infrastructuur. Veel ontwikkelingslanden staan aan de vooravond van gigantische investeringen om alleen al de basisbehoefte te dekken aan sanitaire voorzieningen en aan drinkwatervoorzieningen. Maar hetzelfde geldt voor de ontwikkelde wereld. Ook hier zijn komende jaren grote investeringen nodig. Veel systemen dateren van ver voor de Tweede Wereldoorlog en zijn inmiddels verouderd en min of meer in staat van ontbinding. Dat leidt tot nodeloos verlies aan goed drinkwater. In de VS gaan dagelijks 23 miljoen m3 verloren, een hoeveelheid die voldoende is om de tien grootste steden van water te voorzien. Om alles up to date te brengen zijn enorme investeringen nodig en daar schieten de VS in tekort. Bij ongewijzigd beleid zal over 20 jaar de achterstand en de tekorten meer dan USD 500 miljard belopen.
Uit het voorafgaande mag ook naar voren komen, dat we niet alleen een kwantitatief probleem hebben, maar ook een kwaliteitsprobleem. In veel delen van de wereld zijn investeringen in infrastructuur royaal onvoldoende om de burger zelfs maar basisvoorzieningen te garanderen. In veel landen wordt dit probleem nog verergerd omdat de overheid weinig moeite doet de burger te beschermen tegen uitwassen in industrie en landbouw. Het is een bekend gegeven, dat in China ruim 75% van alle rivieren zo vervuild zijn door industrieel en landbouwafval, dat het water niet meer geschikt is voor consumptie of zelfs voor visserij. In landen waar de welvaart van de bevolking toeneemt zijn dit onhoudbare situaties die overheden nopen tot noodzakelijke investeringen. En als vierde megatrend is er klimaatverandering. Hoewel werkwijze en een aantal uitkomsten van IPPC onderzoeken terecht onder vuur liggen, lijken een aantal algemene conclusies overeind te blijven. Sommige regio’s zullen met langdurige droogteperiodes te maken krijgen met als uiterste consequentie verwoestijning. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in de Mediterrane landen Andere regio’s zullen meer neerslag te verwerken krijgen, soms in heel korte tijd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld Nederland.

Investeren in water
De vier hierboven beschreven trends zijn de voornaamste aanjagers van de groei van de wereldmark voor water. De verwachte groei zou de markt interessant moeten maken voor beleggers. Als dat zo is, welke deelgebieden zijn dan interessant.
Het eerste deelgebeid is dat van distributie en beheer. Er is meer water nodig en dal leidt tot een zoektocht naar voorraden. De eisen voor een behoorlijke exploratie gaan echter omhoog. Het vinden alleen is niet voldoende. Van belang is ook het onderhoud en de instandhouding. Bevolkingsgroei en groei van de stedelijke bevolking vraagt om aanhoudende investeringen in investeringen voor infrastructuur, zowel voor drinkwater als voor afvalwater. Maar ook de upgrading van de oude infrastructuur in de ontwikkelde landen vraagt om veel geld. Het is ondenkbaar dat het centrum van een stad als Londen voor langere tijd onbereikbaar is, omdat er een nieuwe waterleiding wordt aangelegd.

woensdag 18 augustus 2010

De een zijn dood…..

De prijs voor graan is in de afgelopen maanden omhoog geschoten. Tussen eind juni en begin augustus bedroeg de stijging meer dan 50%. De oorzaak is duidelijk. In landen als Rusland, Oekraïne en Kazachstan heeft een aanhoudende droogte de oogst op het veld doen verpieteren. Genoemde landen behoren tot de top tien graanexporteurs in de wereld. The Institute for Agricultural Market Studies in Moskou gaat ervan uit dat de graanoogst in de drie landen in 2010/11 behoorlijk lager gaat uitvallen, misschien wel 25% of meer. De overheden in de drie landen hebben in reactie op dit soort berichten in de loop van augustus een exportstop afgekondigd met als voornaamste argument dat de eigen bevolking geen gebrek mag lijden.

Dovemansoren
Ze gingen hiermee in tegen de wens van bijvoorbeeld de FAO. De voedselcrisis van 2007/08 heeft immers geleerd, dat een verbod op de export van voedsel catastrofaal kan uitpakken. Voedselimporterende landen krijgen de neiging om te gaan hamsteren, terwijl exporterende landen van andere producten ook de neiging krijgen minder te gaan exporteren, hoewel daar geen aanleiding voor is. De combinatie van hamstergedrag en exportverbod jaagt de prijs van verschillende producten onnodig op en het schept een kunstmatige schaarste in verschillende delen van de wereld.
Het dringende advies van de FAO bleek aan dovemansoren gericht. Een andere partij, die van de verwerkers van deze grondstoffen, had moeite om haar enthousiasme over deze gang van zaken te verbergen. Woordvoerders van bijvoorbeeld bierbrouwerijen lieten gedragen weten, dat ze wel gedwongen zouden worden eventuele forse prijsstijgingen door te berekenen aan de afnemer, in casu de consument.

Geen bijzondere prijsschommelingen
Loopt het werkelijk zo’n vaart? Laat de situatie van 2010/11 zich vergelijken met die van toen, van 2007/08. Bij the International Food PolicyResearch Institute (IFPRI) zijn ze van mening dat er weinig reden voor paniek is. Het instituut wijst erop, dat er weliswaar sprake is van forse prijsstijgingen in de zomer van 2010, maar dat die zich goed laten vergelijken met eerdere prijsschommelingen in 2009 en voorjaar 2010. Toen was er geen sprake van enige paniek en de prijzen zakten naar eerdere niveaus.
De ontwikkeling van de futures levert hetzelfde gematigde beeld op, aldus het IFPRI. De futures prijzen met levering tussen september en december 2010 lieten een forse stijging zien in augustus. Futures die wat verder in de tijd aflopen vertoonden in augustus geen opzienbarende schommelingen. Drie jaar geleden was dat wel anders, toen alle futures een aaneen geschakelde stijging lieten zien. De markt is op termijn niet pessimistisch over de wereldwijde graanoogsten. De markt gelooft ook niet dat het exportverbod lang zal standhouden. Na de initiële schok namen de prijsbewegingen van de futures snel af.


Voorraden
Optimisme over toekomstige graanoogsten zegt natuurlijk weinig over de graanoogsten en graanvoorraden voor de korte termijn. Ook daar is het IFPRI geruststellend over. Weliswaar is Rusland een belangrijke producent en exporteur. Het land is echter slechts verantwoordelijk voor 8% van de graanproductie in de wereld. Rusland exporteert ongeveer 30% van zijn productie en dat is goed voor 11% van de wereldmarkt.
Natuurlijk traditionele afnemers van Russisch graan zoals het Midden Oosten en Noord Afrika zien zich voor de vraag geplaatst waar ze snel een alternatieve leverancier kunnen vinden voor de 6 tot 8 miljoen metrische tonnen die er minder uit Rusland komen. Dat zal echter geen groot probleem zijn. De Amerikaanse voorraden zijn 26 miljoen metrische tonnen groot. Dat is omvangrijker dan de totale Russische export van 21 miljoen metrische tonnen in 2009.
De grootste geruststelling is, dat de oogst van 2010/11 evenals de oogst over 2009/10 wereldwijd weer omvangrijk en van goede kwaliteit zal zijn. De voedselcrisis van 2007/08 was de culminatie van een reeks van tegenvallende oogstjaren. Dat is een belangrijk verschil.

Tenslotte
De heftige schommelingen in vooral juli 2010 waren een vorm van overreactie als gevolg van herinneringen aan 2007/08. Toen was er schaarste, waren er snel oplopende prijzen en waren er voedselrellen. Toen gingen er ook geruchten over prijsmanipulaties op de grote commoditymarkten. Het is aanlokkelijk om te stellen, dat de Russen hebben willen profiteren van de paniek op de markt over een mogelijke schaarste. Het exportverbod had dan de prijzen nog verder de lucht in moeten jagen, zoals de woordvoerders van verschillende westerse bedrijven niet moe werden te voorspellen.
De paniek is echter verdwenen. Als er al sprake is geweest van voorop gezette bedoelingen, dan zijn die op niets uitgelopen. De enige winnaars zijn voorlopig de Amerikaanse en Australische graanboeren en de bedrijven die hun oogsten opkopen en over de wereld distribueren.

Bronnen:
a. FT.com/foodprices
b. IFPRI, Fires in Russia, Wheat Production, and Volatile Markets: Reasons to Panic? Augustus 2010