Volgens the National Association of Business Economics (NABE) zal de recessie in de VS officieel eindigen in het derde kwartaal van dit jaar. Dat is goed nieuws, maar eigenlijk houdt het goede nieuws daarmee onmiddellijk op. Uit de enquête van het NABE blijkt immers dat het herstel van weinig gewicht zal zijn. Sterker nog, NABE verwacht dat er voorlopig geen einde zal komen aan de groei van de werkloosheid noch aan de waardedaling van de huizen en evenmin zal de kredietverlening verbeteren. Daarom zal de consument voorzichtig blijven. Het tempo van de verslechtering zal echter in de tweede helft van 2009 afnemen en het NABE verwacht in het derde kwartaal in plaats van een krimp een kleine groei. Die groei zal niet te danken zijn aan een verbeterd investeringsklimaat, maar veeleer aan de omvangrijke overheidsuitgaven en een aanhoudend sterke groei van de arbeidsproductiviteit. Uiteindelijk zal de arbeidsmarkt in 2010 gaan stabiliseren en wellicht een lichte groei laten zien. De economische groei zal in dat jaar uitkomen tussen 2% en 3% en dat is onder het langjarig gemiddelde van 3%. Het is een sprekende indicatie van de zwakte van het herstel.
Volgens Mohamed El-Erian[1], CEO van Pimco, het investeringsvehicle van de succesvolle belegger Bill Gross, zal dit achterblijvende tempo van economische groei de nieuwe werkelijkheid zijn voor de komende drie tot vijf jaar met als resultaat onder meer een aanhoudend hoog niveau van werkloosheid. Volgens Pimco is deze ‘nieuwe werkelijkheid’ te wijten aan een aantal onomkeerbare trends die weer een uitvloeisel zijn van de kredietcrisis. De rol van de overheid zal in diverse sectoren dominant blijven en het tempo van globalisering zal afnemen, misschien wel omkeren, al was het maar omdat het Anglo Amerikaanse model veel van zijn aantrekkingskracht heeft verloren en daarmee ook aan invloed heeft ingeboet. Het belang van de financiële sector zal nooit meer worden wat het geweest is. De sector gaat krimpen en de krimp zal zich niet beperken tot de bancaire sector, maar zal alle segmenten treffen. In de nieuwe werkelijkheid zal de overheid distributeur van goederen worden, die eigenlijk tot de private sector behoren en dat betekent een omkeer van de huidige gang van zaken dat de private sector publieke goederen levert. De dominante rol van de overheid komt ook tot uitdrukking in het onvermogen of misschien wel onwilligheid van centrale banken en ministeries van Financiën om hun beleid – uit nood geboren – op te geven. Zodoende zullen kortetermijnmaatregelen gaan botsten met noodzakelijk stappen voor de langere termijn. Uiteindelijk zullen strengere regelgeving, hogere belastingen en aanhoudende overheidsinterventies een sta-in-de-weg zijn voor een fors herstel van de productie en de productiviteit.
Volgens El-Ehrian zal in de ‘nieuwe werkelijkheid’ de groei amper of niet uitkomen op 2% en dat zou een terugkeer impliceren naar het groeitempo van de jaren dertig. In die periode kwam de gemiddelde groei uit op 1,3% per jaar. In de nieuwe werkelijkheid is ook een andere rol weggelegd voor de consument. Gekweld door het gevaar van werkloosheid en vaak opgezadeld met hoge schulden zal de consument meer dan ooit sparen tot een deugd verklaren. Medestanders van El-Ehrian voorzien zelfs een terugkeer naar de mentaliteit van de jaren vijftig ‘toen geluk nog gewoon was’. In deze wereld van nieuwe soberheid en spaarzaamheid is ook geen plaats meer voor beleggingswinsten van 10% en meer. Ook beleggers zullen een stap terug moeten doen. De nieuwe werkelijkheid zal een rendement van misschien 5% zijn of iets meer.
Natuurlijk zijn er critici van dit model. Een van hen is Barton Biggs, nog niet zo lang geleden de immer optimistische chief economist van Morgan Stanley. Hij voorziet een sterk herstel van de financiële markten en is optimistisch over de nabije toekomst van aandelen. In zijn optiek staan de markten aan de vooravond van een zeer krachtige rally die te danken is aan de wereldwijde massieve steunmaatregelen van overheden en centrale bankiers.
Wie er gelijk zal krijgen? In een land met een traditioneel calvinistisch schuld- en boetebesef zullen we geneigd zijn te kiezen voor El-Ehrian. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat Biggs een verleden heeft als goede voorspeller van wat stond te gebeuren.
[1] Mohamed El-Erian, Secular Outlook. A new normal. May 2009
donderdag 28 mei 2009
woensdag 20 mei 2009
Gewogen en te licht bevonden
De kredietcrisis is alweer een tijdje omgeslagen in een crisis van de reële economie. In Nederland staan we aan de vooravond van een explosie van de werkloosheid nu de vakantiegelden zijn overgemaakt en het gros van de werknemer vol verlangen uitkijkt naar een paar vrije weken. Met een beetje pech kunnen dat wel eens heel veel weken worden. Dat is althans de mening van een leger economen, van wie sommigen lijken te zwelgen in het schilderen van de meest zwarte scenario’s als het om herstel van de economie en zeker als het om het herstel van de werkgelegenheid gaat. Op zich is dat een geruststellende gedachte: hoe meer deskundigen somber tot zeer somber worden, hoe dichter het herstel nabij is en wie weet al handen en voeten krijgt. Want zijn de economen wel die zieners, die ze pretenderen te zijn?
U begrijpt het al, er is een rapport verschenen dat de beschuldigende vinger wijst naar deze beroepsgroep[1]. In dit rapport vragen acht Amerikaanse en Europese economen zich af hoe het komt dat de professie de kredietcrisis en de consequenties ervan niet gezien hebben. Zo moest de aanhoudende stijging van de huizenprijzen wel uitmonden in een heuse bubbel die uiteindelijk gebarsten is. En als er al gewaarschuwd werd voor de bubbel, dan was er toch weinig aandacht voor de consequenties.
In het zogenoemde Dahlemrapport wijzen de contribuanten op de in hun ogen gebrekkige scholing van de professie. In hun optiek is er de afgelopen 30 jaar een te groot vertrouwen gegroeid in de kracht van mathematische modellen. Die modellen zouden echter uitgaan van de opvatting dat markten en economieën in wezen stabiel zijn. Het model gaat er zodoende aan voorbij dat verschillende actoren binnen het economisch leven op uiteenlopende manieren beslissingen nemen, hier weer op terugkomen onder invloed van bijvoorbeeld sociale factoren. De gestandaardiseerde analyse faalde ook vanwege het gebruik van nieuwe, kunstmatige financiële producten, waarvan de risico’s onvoldoende onderkend werden. Wellicht hadden economen ook te weinig oog voor het proces van globalisering waardoor financiële markten steeds meer in elkaar overvloeiden. De combinatie van onvoldoende begrip voor de innovaties op de financiële markten en het ongeschokte geloof in de homo rationalis heeft zijn weerslag gehad op de bouw van het model. In een model gebaseerd op rationele veronderstellingen kan het niet gebeuren dat bankiers effecten aankopen waar riskante hypotheken aan ten grondslag liggen. Riskant, want gekocht door mensen die niet kredietwaardig waren. Het Dahlem rapport stelt daarom dat de economen ten onrechte te weinig oog hebben voor de uitkomsten van onderzoek, bijvoorbeeld, in de psychologie, die wel oog hebben voor de irrationele kanten in het menselijk gedrag. Een ander verwijt betreft de financiële innovatie. Veel economen begrepen die nieuwe, vaak kunstmatige producten niet en hadden zodoende ook geen oog voor de risico’s verbonden aan deze producten. Gemakshalve gingen ze uit van het adagium dat innovatie per se goed is en dat het bijdraagt aan de verfijning van de marktmechanismes, waardoor het risico meer en meer uitgebannen kon worden. Dat laatste is een misvatting van formaat gebleken. Daar moet weer wel aan toegevoegd worden dat er te weinig historische data waren over al die nieuwe producten om iets over de inherente risico’s te kunnen zeggen. Aan de andere kant van het spectrum kwamen bepaalde prijs- en risicomodellen in zwang, die de markt als het ware uitnodigden dezelfde risico’s te nemen en dezelfde posities in te nemen en dat mondde uiteindelijk uit in een situatie dat banken wereldwijd grote schulden op zich hadden genomen, die voor het merendeel gebouwd waren op assets uit de onroerend goed markt.
De auteurs komen tot de niet verrassende conclusie geen absoluut vertrouwen te stellen in modellen, zeker niet in modellen die van derden zijn overgenomen. Dat leidt tot ongelukken.
Hoe heette dat vroeger alweer? Garbage in, garbage out!
[1] The financial crisis and the systemic failure of academic economics. Kiel, working papers 1489. Februari 2009
U begrijpt het al, er is een rapport verschenen dat de beschuldigende vinger wijst naar deze beroepsgroep[1]. In dit rapport vragen acht Amerikaanse en Europese economen zich af hoe het komt dat de professie de kredietcrisis en de consequenties ervan niet gezien hebben. Zo moest de aanhoudende stijging van de huizenprijzen wel uitmonden in een heuse bubbel die uiteindelijk gebarsten is. En als er al gewaarschuwd werd voor de bubbel, dan was er toch weinig aandacht voor de consequenties.
In het zogenoemde Dahlemrapport wijzen de contribuanten op de in hun ogen gebrekkige scholing van de professie. In hun optiek is er de afgelopen 30 jaar een te groot vertrouwen gegroeid in de kracht van mathematische modellen. Die modellen zouden echter uitgaan van de opvatting dat markten en economieën in wezen stabiel zijn. Het model gaat er zodoende aan voorbij dat verschillende actoren binnen het economisch leven op uiteenlopende manieren beslissingen nemen, hier weer op terugkomen onder invloed van bijvoorbeeld sociale factoren. De gestandaardiseerde analyse faalde ook vanwege het gebruik van nieuwe, kunstmatige financiële producten, waarvan de risico’s onvoldoende onderkend werden. Wellicht hadden economen ook te weinig oog voor het proces van globalisering waardoor financiële markten steeds meer in elkaar overvloeiden. De combinatie van onvoldoende begrip voor de innovaties op de financiële markten en het ongeschokte geloof in de homo rationalis heeft zijn weerslag gehad op de bouw van het model. In een model gebaseerd op rationele veronderstellingen kan het niet gebeuren dat bankiers effecten aankopen waar riskante hypotheken aan ten grondslag liggen. Riskant, want gekocht door mensen die niet kredietwaardig waren. Het Dahlem rapport stelt daarom dat de economen ten onrechte te weinig oog hebben voor de uitkomsten van onderzoek, bijvoorbeeld, in de psychologie, die wel oog hebben voor de irrationele kanten in het menselijk gedrag. Een ander verwijt betreft de financiële innovatie. Veel economen begrepen die nieuwe, vaak kunstmatige producten niet en hadden zodoende ook geen oog voor de risico’s verbonden aan deze producten. Gemakshalve gingen ze uit van het adagium dat innovatie per se goed is en dat het bijdraagt aan de verfijning van de marktmechanismes, waardoor het risico meer en meer uitgebannen kon worden. Dat laatste is een misvatting van formaat gebleken. Daar moet weer wel aan toegevoegd worden dat er te weinig historische data waren over al die nieuwe producten om iets over de inherente risico’s te kunnen zeggen. Aan de andere kant van het spectrum kwamen bepaalde prijs- en risicomodellen in zwang, die de markt als het ware uitnodigden dezelfde risico’s te nemen en dezelfde posities in te nemen en dat mondde uiteindelijk uit in een situatie dat banken wereldwijd grote schulden op zich hadden genomen, die voor het merendeel gebouwd waren op assets uit de onroerend goed markt.
De auteurs komen tot de niet verrassende conclusie geen absoluut vertrouwen te stellen in modellen, zeker niet in modellen die van derden zijn overgenomen. Dat leidt tot ongelukken.
Hoe heette dat vroeger alweer? Garbage in, garbage out!
[1] The financial crisis and the systemic failure of academic economics. Kiel, working papers 1489. Februari 2009
dinsdag 12 mei 2009
Balanceren op het smalle koord
In zijn ‘Global Automotive Perspectives 2008’[1] noteert PricewaterhouseCoopers, dat de Europese automobielindustrie voor grote uitdagingen staat. Hoge brandstofprijzen, een stroom aan regelgeving vanuit Brussel en een zwakke dollar zijn problemen die niet zo gemakkelijk weg te poetsen zijn. Gelukkig, zo staat in het rapport te lezen, steunen de producenten op een stabiele West-Europese vervangingsmarkt en is er in Midden en Oost-Europa nog een wereld te winnen. De consultants wijzen er in hun beschouwing over de automarkt op, dat er hier en daar wel enige economische spanningen te zien zijn.
De uitgave over 2009 zal naar alle waarschijnlijkheid heel anders getoonzet zijn met heel veel aandacht voor het hoe en waarom van de huidige kredietcrisis. In het eerste kwartaal van 2009 is nog maar weinig over van die stabiele vervangingsmarkt in het Westen en nog minder van de groeimarkt in het Oosten. Producenten als BMW en Mercedes, maar ook Renault en Peugeot, zagen hun omzetten met minimaal 15% tot 20% dalen en belandden in de rode cijfers. De verwachting is, dat voor heel 2009 de industrie een omzetdaling van gemiddeld 20% mag noteren en dat de bedrijven samen EUR 15 miljard zullen interen op hun kaspositie.
Tot dusverre hebben bedrijven op twee manieren op de problemen gereageerd. In de eerste plaats hebben ze het mes gezet in de bedrijfsvoering. Er vallen ontslagen, bedrijven proberen hun te hoog niveau aan voorraden af te bouwen en ze passen de productie aan aan de geslonken vraag. In de tweede plaats hebben ze de noodklok geluid bij de afzonderlijke overheden. Dat heeft geresulteerd in een lappendeken aan steunmaatregelen. Zo heeft de Franse regering aan Renault en Peugeot steun toegezegd ter waarde van EUR 6 miljard. De Duitse overheid heeft een aantrekkelijke inruilregeling in het leven geroepen voor auto’s ouder dan 9 jaar. Die regeling is een groot succes gebleken, maar het nadeel is wel, dat veel vraag naar voren gehaald wordt. De klap komt dus later. Het grootste nadeel is echter dat de EU weer niet in staat blijkt een gezamenlijk beleid te formuleren. Nationale overheden vallen terug op hun oude reflexen van protectionisme en bescherming van de eigen industrie, daartoe aangemoedigd door bedrijven die niet moe worden te wijzen op het belang van de automobielindustrie als schepper van banen. Met 13 miljoen banen over heel Europa is dat een sterk argument, maar daarbij negeert de bedrijfstak onderliggende problemen als overproductie, hoge kosten en structureel lage marges.
Er is echter een bedrijf, dat in de huidige malaise kansen ziet om in een klap een aantal doelstellingen te bereiken en dat bedrijf is Fiat. De sterke man bij Fiat, Segio Marchionne, ziet kansen om op kosten van belastingbetalers aan beide kanten van de Oceaan het failliete Chrysler over te nemen samen met de Europese dochters van General Motors. De kansen op succes zijn behoorlijk groot. Geen enkele regeringsleider wil te boek staan als een harteloze herstructureerder. Mevrouw Angela Merkel, premier Gordon Brown en zelfs president Barack Obama hebben zich in min of meer lovende bewoordingen over het Italiaanse initiatief uitgelaten. Marchionne heeft zich met succes weten te profileren als een man met visie op de toekomst van de sector.
Als Fiat in zijn opzet slaagt, dan transformeert het bedrijf zich in een klap van een nationale speler tot een speler op wereldniveau met een marktaandeel van ongeveer 10% en een productiecapaciteit van 8 miljoen. Op zich is er niets mis met het streven van Marchionne om Fiat om te bouwen tot een wereldspeler, maar de voortekenen zijn niet gunstig. Bijna tien jaar heeft Daimler hetzelfde doel nagestreefd, maar de Duitsers hebben hun ambitie opgegeven en partner Chrysler met zware verliezen van de hand gedaan. Renault is alweer een tijdje bezig iets moois te scheppen met Nissan, maar er is nog geen resultaat te zien. En dan zijn er nog de Italiaanse banken. Fiat moet in 2009 EUR 6 miljard aflossen. Met EUR 3,6 miljard zijn de Italiaanse banken de grootste schuldeisers. Zullen ze meewerken aan de grootse plannen van Marchionne? Om druk op de ketel te houden heeft deze CEO publiekelijk met het idee gespeeld om het financieel gezonde deel, de auto’s, uit de Groep te halen. Het blijft een strategie van het smalle koord.
[1] PriceWaterHouseCoopers, Will you handle the curve. Global Automotive Perspectives, 2008
De uitgave over 2009 zal naar alle waarschijnlijkheid heel anders getoonzet zijn met heel veel aandacht voor het hoe en waarom van de huidige kredietcrisis. In het eerste kwartaal van 2009 is nog maar weinig over van die stabiele vervangingsmarkt in het Westen en nog minder van de groeimarkt in het Oosten. Producenten als BMW en Mercedes, maar ook Renault en Peugeot, zagen hun omzetten met minimaal 15% tot 20% dalen en belandden in de rode cijfers. De verwachting is, dat voor heel 2009 de industrie een omzetdaling van gemiddeld 20% mag noteren en dat de bedrijven samen EUR 15 miljard zullen interen op hun kaspositie.
Tot dusverre hebben bedrijven op twee manieren op de problemen gereageerd. In de eerste plaats hebben ze het mes gezet in de bedrijfsvoering. Er vallen ontslagen, bedrijven proberen hun te hoog niveau aan voorraden af te bouwen en ze passen de productie aan aan de geslonken vraag. In de tweede plaats hebben ze de noodklok geluid bij de afzonderlijke overheden. Dat heeft geresulteerd in een lappendeken aan steunmaatregelen. Zo heeft de Franse regering aan Renault en Peugeot steun toegezegd ter waarde van EUR 6 miljard. De Duitse overheid heeft een aantrekkelijke inruilregeling in het leven geroepen voor auto’s ouder dan 9 jaar. Die regeling is een groot succes gebleken, maar het nadeel is wel, dat veel vraag naar voren gehaald wordt. De klap komt dus later. Het grootste nadeel is echter dat de EU weer niet in staat blijkt een gezamenlijk beleid te formuleren. Nationale overheden vallen terug op hun oude reflexen van protectionisme en bescherming van de eigen industrie, daartoe aangemoedigd door bedrijven die niet moe worden te wijzen op het belang van de automobielindustrie als schepper van banen. Met 13 miljoen banen over heel Europa is dat een sterk argument, maar daarbij negeert de bedrijfstak onderliggende problemen als overproductie, hoge kosten en structureel lage marges.
Er is echter een bedrijf, dat in de huidige malaise kansen ziet om in een klap een aantal doelstellingen te bereiken en dat bedrijf is Fiat. De sterke man bij Fiat, Segio Marchionne, ziet kansen om op kosten van belastingbetalers aan beide kanten van de Oceaan het failliete Chrysler over te nemen samen met de Europese dochters van General Motors. De kansen op succes zijn behoorlijk groot. Geen enkele regeringsleider wil te boek staan als een harteloze herstructureerder. Mevrouw Angela Merkel, premier Gordon Brown en zelfs president Barack Obama hebben zich in min of meer lovende bewoordingen over het Italiaanse initiatief uitgelaten. Marchionne heeft zich met succes weten te profileren als een man met visie op de toekomst van de sector.
Als Fiat in zijn opzet slaagt, dan transformeert het bedrijf zich in een klap van een nationale speler tot een speler op wereldniveau met een marktaandeel van ongeveer 10% en een productiecapaciteit van 8 miljoen. Op zich is er niets mis met het streven van Marchionne om Fiat om te bouwen tot een wereldspeler, maar de voortekenen zijn niet gunstig. Bijna tien jaar heeft Daimler hetzelfde doel nagestreefd, maar de Duitsers hebben hun ambitie opgegeven en partner Chrysler met zware verliezen van de hand gedaan. Renault is alweer een tijdje bezig iets moois te scheppen met Nissan, maar er is nog geen resultaat te zien. En dan zijn er nog de Italiaanse banken. Fiat moet in 2009 EUR 6 miljard aflossen. Met EUR 3,6 miljard zijn de Italiaanse banken de grootste schuldeisers. Zullen ze meewerken aan de grootse plannen van Marchionne? Om druk op de ketel te houden heeft deze CEO publiekelijk met het idee gespeeld om het financieel gezonde deel, de auto’s, uit de Groep te halen. Het blijft een strategie van het smalle koord.
[1] PriceWaterHouseCoopers, Will you handle the curve. Global Automotive Perspectives, 2008
woensdag 6 mei 2009
De Mexicaanse griep
In het vroege voorjaar van 1918 werd Europa getroffen door een griepgolf. Eén stad in het bijzonder raakte in de ban van deze griep en dat was San Sebastian. Het bijzondere was dat de griep heel erg besmettelijk was en dat de besmetting gemiddeld drie dagen duurde. Opvallend was ook dat vooral jonge, gezonde volwassenen het slachtoffer werden in plaats van de ouderen en de kinderen, zoals gebruikelijk. In de maanden maart en april stak de ‘Spaanse griep’ in alle delen van de wereld de kop op en de ‘drie dagen griep’ maakte miljoenen slachtoffers. Aan het begin van de zomer van 1918 verdween de griep even snel als hij had rondgewaard. In augustus/september was de griep echter terug, even besmettelijk als in het voorjaar maar ditmaal met een dodelijke uitwerking. Het waren opnieuw de jongvolwassenen die onevenredig zwaar getroffen werden[1]. De verklaring voor dit verschijnsel kan zijn, dat juist gezonde jonge volwassenen een sterk immuunsysteem hebben. Dat immuunsysteem raakt in de war, omdat het aangevallen wordt door een onbekende en ook lichaamsvreemde ziekte. De jongvolwassene sterft, juist omdat hij een immuunsysteem heeft dat dapper weerstand biedt. De Spaanse Griep heeft volgens onbetrouwbare schatting minimaal aan 50 miljoen mensen het leven gekost en dat waren er aanzienlijk meer dan de Eerste Wereldoorlog aan levens eiste.
De wereldwijde verspreiding van de ziekte maakt dat we de Spaanse griep definiëren als een pandemie.De bron van de Spaanse Griep is decennia lang onduidelijk gebleven. Pas in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam er meer duidelijkheid over. Er moet sprake zijn geweest van de vermenging van zogeheten influenzagenomen, waarbij virussen uit de vogelwereld als donor optraden. Die vogelgriepvirussen kunnen echter niet van vogel op mens overgaan. Daar is een ‘tussenpersoon’ voor nodig en de meest ideale drager is dan het varken[2]. De code voor het Spaanse griepvirus is H1N1.
In de twintigste eeuw hebben nog twee grieppandemieën de wereld bezocht maar de omvang en intensiteit waren niet te vergelijken met die van 1918. Volgens sommige optimisten was een pandemische dreiging iets van het verleden. In 2003 maakte Sars echter zijn opwachting en sedertdien staat het vogelgriepvirus weer hoog op de agenda van bezorgde virologen. Het griezelige van Sars was dat er geen geneesmiddel voorhanden was om de griep te bestrijden. Sars verspreide zich in 24 uur vanuit China over vijf landen en had een maand later voet aan de grond in 24 landen. Zowel in termen van mensenlevens als economische schade zijn de effecten van Sars zeer beperkt gebleven. In de loop van 2005 raakte de wereld in de ban van het vogelgriepvirus H5N1, verwant aan het oude virus H1N1. Wat virologen en autoriteiten bijzonder verontrustte was dat het H5N1-virus met succes de overstap maakte naar het varken en daarmee groeide de dreiging dat H5N1 zou overslaan naar de mens. Op zichzelf hoeft dat geen drama te zijn. Dat kan het worden als het virus zich zo muteert dat het van mens naar mens kan overstappen. Dat is de wereld tot nu toe bespaard gebleven
Evenals in het geval van Sars is er voor H5N1 geen geneesmiddel voorhanden. Autoriteiten schermen vaak met Tamiflu geproduceerd door het Zwitserse Roche en Relenza van het Britse GlaxoSmithkline. Maar het gaat in beide gevallen om zogeheten virusremmers. Daadwerkelijke bescherming bieden ze niet.
En dan ziet de wereld van 2009 zich geconfronteerd met de Mexicaanse Griep. De naam verwijst naar de eerste vindplaats van de griep, hoewel er nu tekenen zijn dat de griep al eerder is opgedoken in Californië. Het griepvirus is een variant op het H1N1-virus uit 1918. Er vallen enkele overeenkomsten op. Evenals in 1918 hebben de patiënten last van hoofdpijn, hoestbuien en koorts en net als toen heeft de patiënt er drie of hooguit vier dagen last van. Opvallend is ook het gemak waarmee het virus van mens op mens overgaat en de snelheid waarmee het zich verspreidt. In een maand tijd zijn er meer dan 1.500 geregistreerde gevallen in meer dan 20 landen. In die zin is er sprake van een pandemie. De samenstelling van het virus is echter anders. Het bevat sporen van vogels, varkens en mensen. Dat maakt het een bijzondere variant, waar de virologen in medische zin het antwoord voorlopig schuldig op blijven[3]. Tot dusverre is het een erg milde variant die weinig kwaad heef aangericht en de kans is groot dat deze variant verdwijnt met het aanbreken van de zomer, zoals normaal het geval is. Dat wil weer niet zeggen, dat zodoende alle gevaar geweken is. In het zuidelijke deel van de wereld is het griepseizoen aangebroken en het is nog maar afwachten of de Mexicaanse griep daar ook de kop gaat opsteken. Als het zich in het zuiden openbaart dan is het nog maar de vraag of dat het de noordelijke milde variant is of een agressieve mutatie[4]. Gelet op 1918 is dat beslist geen waanidee. Het is dan ook hierom dat autoriteiten overal ter wereld het doen en laten van het H1N1-virus met argusogen volgen.
Zoals in alle omstandigheden zijn er bedrijven die profijt trekken uit het leed van mensen. In het geval van de Mexicaanse griep is het duidelijk dat bedrijven als Roche en GlaxoSmithKline dankzij de griep hun omzet en winst behoorlijk zien stijgen. Maar er zijn er nog meer die profiteren. Wat te denken van de producenten van mondkapjes en plastic handschoenen, zoals 3M en Kimberly Clark. Och, de één zijn dood...
Cor Wijtvliet
[1] Gina Kolata, FLU. The story of the great influenza pandemic of 1918 and the search for the virus that caused it. New York, 1999
[2] Cor Wijtvliet, Middeleeuwse angsten in de 21ste eeuw, Van Lanschot, 2005
[3] Center for disease control and prevention, 24 april 2009. Atlanta
[4] World Heath Organisation, 4 mei 2009
De wereldwijde verspreiding van de ziekte maakt dat we de Spaanse griep definiëren als een pandemie.De bron van de Spaanse Griep is decennia lang onduidelijk gebleven. Pas in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam er meer duidelijkheid over. Er moet sprake zijn geweest van de vermenging van zogeheten influenzagenomen, waarbij virussen uit de vogelwereld als donor optraden. Die vogelgriepvirussen kunnen echter niet van vogel op mens overgaan. Daar is een ‘tussenpersoon’ voor nodig en de meest ideale drager is dan het varken[2]. De code voor het Spaanse griepvirus is H1N1.
In de twintigste eeuw hebben nog twee grieppandemieën de wereld bezocht maar de omvang en intensiteit waren niet te vergelijken met die van 1918. Volgens sommige optimisten was een pandemische dreiging iets van het verleden. In 2003 maakte Sars echter zijn opwachting en sedertdien staat het vogelgriepvirus weer hoog op de agenda van bezorgde virologen. Het griezelige van Sars was dat er geen geneesmiddel voorhanden was om de griep te bestrijden. Sars verspreide zich in 24 uur vanuit China over vijf landen en had een maand later voet aan de grond in 24 landen. Zowel in termen van mensenlevens als economische schade zijn de effecten van Sars zeer beperkt gebleven. In de loop van 2005 raakte de wereld in de ban van het vogelgriepvirus H5N1, verwant aan het oude virus H1N1. Wat virologen en autoriteiten bijzonder verontrustte was dat het H5N1-virus met succes de overstap maakte naar het varken en daarmee groeide de dreiging dat H5N1 zou overslaan naar de mens. Op zichzelf hoeft dat geen drama te zijn. Dat kan het worden als het virus zich zo muteert dat het van mens naar mens kan overstappen. Dat is de wereld tot nu toe bespaard gebleven
Evenals in het geval van Sars is er voor H5N1 geen geneesmiddel voorhanden. Autoriteiten schermen vaak met Tamiflu geproduceerd door het Zwitserse Roche en Relenza van het Britse GlaxoSmithkline. Maar het gaat in beide gevallen om zogeheten virusremmers. Daadwerkelijke bescherming bieden ze niet.
En dan ziet de wereld van 2009 zich geconfronteerd met de Mexicaanse Griep. De naam verwijst naar de eerste vindplaats van de griep, hoewel er nu tekenen zijn dat de griep al eerder is opgedoken in Californië. Het griepvirus is een variant op het H1N1-virus uit 1918. Er vallen enkele overeenkomsten op. Evenals in 1918 hebben de patiënten last van hoofdpijn, hoestbuien en koorts en net als toen heeft de patiënt er drie of hooguit vier dagen last van. Opvallend is ook het gemak waarmee het virus van mens op mens overgaat en de snelheid waarmee het zich verspreidt. In een maand tijd zijn er meer dan 1.500 geregistreerde gevallen in meer dan 20 landen. In die zin is er sprake van een pandemie. De samenstelling van het virus is echter anders. Het bevat sporen van vogels, varkens en mensen. Dat maakt het een bijzondere variant, waar de virologen in medische zin het antwoord voorlopig schuldig op blijven[3]. Tot dusverre is het een erg milde variant die weinig kwaad heef aangericht en de kans is groot dat deze variant verdwijnt met het aanbreken van de zomer, zoals normaal het geval is. Dat wil weer niet zeggen, dat zodoende alle gevaar geweken is. In het zuidelijke deel van de wereld is het griepseizoen aangebroken en het is nog maar afwachten of de Mexicaanse griep daar ook de kop gaat opsteken. Als het zich in het zuiden openbaart dan is het nog maar de vraag of dat het de noordelijke milde variant is of een agressieve mutatie[4]. Gelet op 1918 is dat beslist geen waanidee. Het is dan ook hierom dat autoriteiten overal ter wereld het doen en laten van het H1N1-virus met argusogen volgen.
Zoals in alle omstandigheden zijn er bedrijven die profijt trekken uit het leed van mensen. In het geval van de Mexicaanse griep is het duidelijk dat bedrijven als Roche en GlaxoSmithKline dankzij de griep hun omzet en winst behoorlijk zien stijgen. Maar er zijn er nog meer die profiteren. Wat te denken van de producenten van mondkapjes en plastic handschoenen, zoals 3M en Kimberly Clark. Och, de één zijn dood...
Cor Wijtvliet
[1] Gina Kolata, FLU. The story of the great influenza pandemic of 1918 and the search for the virus that caused it. New York, 1999
[2] Cor Wijtvliet, Middeleeuwse angsten in de 21ste eeuw, Van Lanschot, 2005
[3] Center for disease control and prevention, 24 april 2009. Atlanta
[4] World Heath Organisation, 4 mei 2009
Innoveren is overleven
Aan het begin van deze eeuw, ten tijde van de dot.com crisis verlaagde het Amerikaanse Motorola, een producent van handsets, in 2002 zijn Research budget met 13%. Toch kwam het bedrijf in 2004 met een zeer succesvolle mobieltje, de RAZR op de markt. Niks aan de hand, zo leek het. Maar de verlaging van het budget bleek een dure misvatting. Motorola is er niet in geslaagd een kansrijke opvolger op de markt te brengen. Een aanwijsbare oorzaak voor dit falen was, dat het jaren duurde voordat het Research budget weer op het niveau van 2001 was en zodoende kon Motorola de achterstand op bijvoorbeeld Nokia niet meer goedmaken. In diezelfde periode, in de jaren tussen 1999 en 2002 verhoogde Apple zijn Research budget met meer dan 40% hoewel de omzet zakte met ruim 6%. Het resultaat? In 2001 introduceerde het bedrijf van Steven Jobs de iPod en in 2003 volgde iTunes. In een klap bevestigde Apple zijn imago als een creatief en innovatief bedrijf, dat van moeilijke economische omstandigheden gebruik maakte om weg te lopen bij de concurrentie.
Apple was 10 jaar geleden de uitzondering op de regel. Weliswaar onderstreepten bedrijven met de mond het belang van R&D, maar in de praktijk was het te verleidelijk om het mes te zetten in de onderzoeksinspanningen met als belangrijkste argument dat het niet onmiddellijk bijdroeg aan de winst van het moment. Is het anno 2009 anders? Zijn bedrijven nu werkelijk doordrongen van het nut van Research als onontbeerliijk wapen in de concurrentiestrijd. The Wallstreet Journal beweert van wel. Uit eigen onderzoek van de krant blijkt, dat onderzoeksintensieve bedrijven als Microsoft en Intel amper of niet bezuinigen op hun Research and development inspanningen. Sterker nog, Microsoft laat zijn budget ondanks de zware tijden met meer dan 20% stijgen. Een bedrijf als 3M dat fors heeft gesneden in zijn personeelsbestand en zijn investeringen laat zijn Research budget ongemoeid in de overtuiging dat zware tijden kansen bieden voor overmorgen.
Andere onderzoeken, zoals van McKinsey, laten zien dat bedrijven er wel verstandig aan doen om van de gelegenheid gebruik te maken om de onderzoeks infrastructuur eens kritisch tegen het licht te houden. In goede tijden wil Research and Development nog wel eens een wildgroei aan initiatieven laten zien. Dankzij een dergelijke kritische review kan een streep gezet worden door tot wel 25% van alle lopende onderzoeken Zo komen er mensen en middelen vrij voor werkelijk kansrijke projecten. Daarnaast vormen de moeilijke tijden een goed excuus om de researchorganisatie opnieuw te stroomlijnen. Het mes kan in de bureaucratische processen die vooral de onderzoekers vaak nodeloos frustreren, de voortgang blokkeren en zo de kosten verhogen.
Hoewel meer bedrijven dan vroeger het belang van OenO daadwerkelijk onderschrijven en de budgetten op niveau houden zijn er toch belangrijke verschillen tussen bedrijven onderling aan te wijzen. Vooral wat grotere bedrijven in klassieke sectoren verleggen in een neergang het accent naar risicoloos korte termijn onderzoek of concentreren zich op het verbeteren van bestaande producten. Hoewel begrijpelijk kunnen ook in dit opzicht de consequenties groot zijn. Vraag dat maar aan GE, dat tijdens de vorige neergang niet meedeed aan het ontwikkelen van de LED technologie voor verlichting. De divisie Verlichting staat nu te koop en GE wacht er zich dit keer wel voor om dezelfde fouten te maken. Het zijn juist de van oudsher Research intensieve bedrijven of kleinere bedrijven die in tijden van neergang de focus van het onderzoek juist verleggen naar de lange termijn. Het gaat hier wel om een (groeiende) minderheid. Een nog kleinere groep bedrijven ziet de recessie als een mogelijkheid extra toptalent aan te trekken dat op momenten van crisis royaal voor handen is.
De hamvraag is uiteraard of deze focus op Research and Development met een lange termijn insteek daadwerkelijk het bedrijf vooruit helpt. Volgens McKinsey is dit inderdaad het geval. Bij onderzoeksintensieve bedrijven is de organische groei hoger en is er een duidelijke link met die inspanningen in de vorm van nieuwe producten en diensten.
Kunnen bedrijven het zich wel veroorloven te beknibbelen op hun OenO. Het antwoord is simpel: steeds minder, omdat in een globaliserende wereld het speelveld steeds kleiner wordt en het aantal spelers groeit. Innoveren is overleven! Namen in 2008 de onderzoeks inspanningen in Noord Amerika met 4% toe, bij nieuwe spelers als China en India was die groei 7%. In de EU namen de inspanning met 1% af. Als het om Research and Development gaat vormt de EU al jaren de staart van het peloton, ondanks alle mooie voornemens verwoord in de Lissabonstrategie.
Bronnen:
MicKinsey: Upgrading R&D in a downturn. Februari 2009
R&D in a downturn: McKinsey Global Survey Results. Maart 2009
Wall Street Journal: R&D spending holds steady in a slump. 6 April 2009
Apple was 10 jaar geleden de uitzondering op de regel. Weliswaar onderstreepten bedrijven met de mond het belang van R&D, maar in de praktijk was het te verleidelijk om het mes te zetten in de onderzoeksinspanningen met als belangrijkste argument dat het niet onmiddellijk bijdroeg aan de winst van het moment. Is het anno 2009 anders? Zijn bedrijven nu werkelijk doordrongen van het nut van Research als onontbeerliijk wapen in de concurrentiestrijd. The Wallstreet Journal beweert van wel. Uit eigen onderzoek van de krant blijkt, dat onderzoeksintensieve bedrijven als Microsoft en Intel amper of niet bezuinigen op hun Research and development inspanningen. Sterker nog, Microsoft laat zijn budget ondanks de zware tijden met meer dan 20% stijgen. Een bedrijf als 3M dat fors heeft gesneden in zijn personeelsbestand en zijn investeringen laat zijn Research budget ongemoeid in de overtuiging dat zware tijden kansen bieden voor overmorgen.
Andere onderzoeken, zoals van McKinsey, laten zien dat bedrijven er wel verstandig aan doen om van de gelegenheid gebruik te maken om de onderzoeks infrastructuur eens kritisch tegen het licht te houden. In goede tijden wil Research and Development nog wel eens een wildgroei aan initiatieven laten zien. Dankzij een dergelijke kritische review kan een streep gezet worden door tot wel 25% van alle lopende onderzoeken Zo komen er mensen en middelen vrij voor werkelijk kansrijke projecten. Daarnaast vormen de moeilijke tijden een goed excuus om de researchorganisatie opnieuw te stroomlijnen. Het mes kan in de bureaucratische processen die vooral de onderzoekers vaak nodeloos frustreren, de voortgang blokkeren en zo de kosten verhogen.
Hoewel meer bedrijven dan vroeger het belang van OenO daadwerkelijk onderschrijven en de budgetten op niveau houden zijn er toch belangrijke verschillen tussen bedrijven onderling aan te wijzen. Vooral wat grotere bedrijven in klassieke sectoren verleggen in een neergang het accent naar risicoloos korte termijn onderzoek of concentreren zich op het verbeteren van bestaande producten. Hoewel begrijpelijk kunnen ook in dit opzicht de consequenties groot zijn. Vraag dat maar aan GE, dat tijdens de vorige neergang niet meedeed aan het ontwikkelen van de LED technologie voor verlichting. De divisie Verlichting staat nu te koop en GE wacht er zich dit keer wel voor om dezelfde fouten te maken. Het zijn juist de van oudsher Research intensieve bedrijven of kleinere bedrijven die in tijden van neergang de focus van het onderzoek juist verleggen naar de lange termijn. Het gaat hier wel om een (groeiende) minderheid. Een nog kleinere groep bedrijven ziet de recessie als een mogelijkheid extra toptalent aan te trekken dat op momenten van crisis royaal voor handen is.
De hamvraag is uiteraard of deze focus op Research and Development met een lange termijn insteek daadwerkelijk het bedrijf vooruit helpt. Volgens McKinsey is dit inderdaad het geval. Bij onderzoeksintensieve bedrijven is de organische groei hoger en is er een duidelijke link met die inspanningen in de vorm van nieuwe producten en diensten.
Kunnen bedrijven het zich wel veroorloven te beknibbelen op hun OenO. Het antwoord is simpel: steeds minder, omdat in een globaliserende wereld het speelveld steeds kleiner wordt en het aantal spelers groeit. Innoveren is overleven! Namen in 2008 de onderzoeks inspanningen in Noord Amerika met 4% toe, bij nieuwe spelers als China en India was die groei 7%. In de EU namen de inspanning met 1% af. Als het om Research and Development gaat vormt de EU al jaren de staart van het peloton, ondanks alle mooie voornemens verwoord in de Lissabonstrategie.
Bronnen:
MicKinsey: Upgrading R&D in a downturn. Februari 2009
R&D in a downturn: McKinsey Global Survey Results. Maart 2009
Wall Street Journal: R&D spending holds steady in a slump. 6 April 2009
Betere tijden in aantocht
Aan de vooravond van het cijferseizoen over het eerste kwartaal van 2009 heerste er weinig optimisme op de financiële markten. Integendeel, er was sprake van een zwartgallige sfeer en analisten tuimelden over elkaar heen in hun haast om schattingen neerwaarts bij te stellen. Op zich zou dat al een indicator moeten zijn. Doorgaans is deze beroepsgroep traag met neerwaartse bijstellingen en als ze eenmaal zover zijn dan mag je ervan uitgaan dat het ergste alweer voorbij is. De ironie van het lot: de analist als goede contra-indicator. Het begint erop te lijken dat het dit keer ook zo gaat uitpakken. De uitkomsten over het eerste kwartaal stellen tot dusverre niet tegen. Daar moet wel bij bedenken, dat de daling in omzet en winst nog steeds fors is. United Technologies noteerde een winstdaling van maar liefst 25%, terwijl de omzet bij Intel 26% prijsgaf en de winst halveerde. Het zijn desastreuze cijfers, die in veel gevallen toch weer beter waren dan de afschuwelijke uitkomsten van het kwartaal ervoor. Daarmee vormen ze in ieder geval een strohalm om aan vast te klampen. Het is echter onvoldoende om de stijgende beurskoersen over de afgelopen weken te rechtvaardigen. Die schuilt in de ‘guidance’ van veel ondernemingen. Bedrijven uit uiteenlopende sectoren als die van Dupont de Nemours, General Electric, IBM of Intel verwachten in de loop van 2009 een stabilisatie van de markt. Bestuursvoorzitter Paul Otellini van Intel, gaat ervan uit dat het ergste voorbij is en dat de bodem in de hardwaremarkt bereikt is. Op zich is dat een belangrijk gegeven. Intel, IBM en Microsoft - marktleiders in sleutelindustrieën als semiconductortechnologie, software en IT-dienstverlening - merken als eerste dat er iets ten goede aan het veranderen is in de economie. Bedrijven die weer gaan investeren, starten met ICT. Dat is de beste manier om het productieproces verder te stroomlijnen, waardoor de productiviteit kan stijgen. Als we daarnaar kijken, dan is het herstel nog zeer teer en kwetsbaar. Otellini omschrijft de economische omgeving wereldwijd nog als ‘zeer broos’ en bij IBM tonen ze zich zeer terughoudend over de rest van 2009. Nokia merkt op dat de volatiliteit in de markt is afgenomen wat de voorspelbaarheid ten goede komt. Volgens Nokia is het echter te vroeg om van een duidelijk herstel te spreken.
Het herstel laat dus nog op zich wachten. Waar komt dan het optimisme op de financiële markten vandaan? Die zijn vooral ingenomen met de mededeling van een reeks van bedrijven dat het niet nodig is de omzet- en/of winstverwachting over 2009 te verlagen. In die zin is er wel sprake van herstel. Bedrijven als Intel en Nokia hebben afgelopen maanden hun verwachtingen steeds verder moeten temperen. Daar is nu blijkbaar een einde aangekomen. Hoewel de markt niet fundamenteel verbetert, kunnen ze hun doelstellingen waarmaken door fors in de kosten te snijden. Dat kan door medewerkers te ontslaan, slecht renderende onderdelen af te stoten, fors af te slanken of door versneld voorraden af te bouwen. Bij IBM daalden de kosten afgelopen kwartaal met bijna 10% door bijvoorbeeld meer activiteiten vanuit de VS naar India over te brengen en bij United Technologies gaat het mes in de carrierdivisie (airconditioning en verwarming). Bij Intel zijn ze van mening dat het uitbodemen van de markt goeddeels is toe te schrijven aan het wegwerken van voorraden bij producenten van hardware. De hardwaresector begint zodoende weer tekenen van leven te vertonen. De crisis van 2000-2002 leert dat kostenbesparingen en het afbouwen van voorraden toen de opmaat tot verder herstel waren. Dat zou nu ook het geval kunnen zijn, maar misschien ook niet. Bij Dupont wijzen ze erop, dat in sommige sectoren, zoals in de huizenbouw en de auto-industrie, de afgelopen kwartalen wel heel erg hard op de rem is getrapt. Ze denken in eerste instantie aan een inhaalslag, maar vrezen tegelijkertijd dat het herstel niet veel verder zal reiken.
Ondanks de huidige hosannastemming op de beurzen, blijft de onzekerheid groot en wordt de wereld er voor de belegger niet gemakkelijker op. Maar toch lijken er voor hem betere tijden in aantocht. Nu het ergste achter de rug lijkt, richten bedrijven zich weer op de toekomst, zeker bedrijven met een goed gevulde schatkist. Nu waarderingen in de meeste sectoren nog steeds historisch laag zijn, zeggen sommige bedrijven dat de tijd van overnames is aangebroken. Een gewaarschuwd man telt voor twee.
Cor Wijtvliet
Het herstel laat dus nog op zich wachten. Waar komt dan het optimisme op de financiële markten vandaan? Die zijn vooral ingenomen met de mededeling van een reeks van bedrijven dat het niet nodig is de omzet- en/of winstverwachting over 2009 te verlagen. In die zin is er wel sprake van herstel. Bedrijven als Intel en Nokia hebben afgelopen maanden hun verwachtingen steeds verder moeten temperen. Daar is nu blijkbaar een einde aangekomen. Hoewel de markt niet fundamenteel verbetert, kunnen ze hun doelstellingen waarmaken door fors in de kosten te snijden. Dat kan door medewerkers te ontslaan, slecht renderende onderdelen af te stoten, fors af te slanken of door versneld voorraden af te bouwen. Bij IBM daalden de kosten afgelopen kwartaal met bijna 10% door bijvoorbeeld meer activiteiten vanuit de VS naar India over te brengen en bij United Technologies gaat het mes in de carrierdivisie (airconditioning en verwarming). Bij Intel zijn ze van mening dat het uitbodemen van de markt goeddeels is toe te schrijven aan het wegwerken van voorraden bij producenten van hardware. De hardwaresector begint zodoende weer tekenen van leven te vertonen. De crisis van 2000-2002 leert dat kostenbesparingen en het afbouwen van voorraden toen de opmaat tot verder herstel waren. Dat zou nu ook het geval kunnen zijn, maar misschien ook niet. Bij Dupont wijzen ze erop, dat in sommige sectoren, zoals in de huizenbouw en de auto-industrie, de afgelopen kwartalen wel heel erg hard op de rem is getrapt. Ze denken in eerste instantie aan een inhaalslag, maar vrezen tegelijkertijd dat het herstel niet veel verder zal reiken.
Ondanks de huidige hosannastemming op de beurzen, blijft de onzekerheid groot en wordt de wereld er voor de belegger niet gemakkelijker op. Maar toch lijken er voor hem betere tijden in aantocht. Nu het ergste achter de rug lijkt, richten bedrijven zich weer op de toekomst, zeker bedrijven met een goed gevulde schatkist. Nu waarderingen in de meeste sectoren nog steeds historisch laag zijn, zeggen sommige bedrijven dat de tijd van overnames is aangebroken. Een gewaarschuwd man telt voor twee.
Cor Wijtvliet
Abonneren op:
Posts (Atom)
