vrijdag 27 november 2009

De lange weg na Kopenhagen

De aanstaande klimaatconferentie werpt zijn schaduwen nadrukkelijk vooruit. Allerlei non-gouvernementele organisaties (ngo’s) maken van de gelegenheid gebruik om hun standpunten nog eens nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Maar het zijn niet alleen ngo’s. Een financiële boutique als het Zwitserse Sam maakt eveneens gebruik van ‘Kopenhagen’ om zijn boodschap aan potentiële beleggers over te brengen.

Teveel aandacht voor CO2-reductie
Een bijzonder pleidooi komt van de kant van the Center for Global Development[i]. Deze ngo gaat ervan uit dat ‘Kopenhagen wel móet mislukken. De discussie rondom CO2 kan wel eens uitmonden in aanhoudend gekrakeel over financiële bijdragen in de kosten in een sfeer van verwijten over en weer. De kern van de discussie draait immers om het vaststellen van een evenwichtige verdeling van het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen. Dat vraagt waarschijnlijk om revolutionaire veranderingen in de wijze van productie en consumptie op een schaal die historisch gesproken zonder precedent is. Dat is misschien toch wel teveel gevraagd.
Mochten er al resultaten geboekt worden, dan is het niet onwaarschijnlijk dat die ten koste zullen gaan van de positie van de doorsnee burger in de ontwikkelingslanden, aldus de ngo. Het gevaar is reëel dat die burger op of onder het bestaansminimum terechtkomt. Het is daarom misschien beter het accent van de discussie te verschuiven. De vraag is niet welk aandeel ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden moeten leveren om de uitstoot omlaag te brengen. De vraag hoort te zijn hóe de ontwikkelde wereld de burger van ontwikkelingslanden kan helpen toegang te krijgen tot allerlei vormen van energie.
Het mes moet hier aan twee kanten snijden. Energiezekerheid moet helpen de kwaliteit van het leven van de doorsnee burger naar een behoorlijk niveau te tillen. Tegelijkertijd moet dit gebeuren met behulp van nieuwe energiezuinige technieken die passen bij de ontwikkelingsfase van betreffende landen en zodoende snel en gemakkelijk ingepast kunnen worden in de bestaande maatschappelijke organisatie. Juist het stapsgewijs maar stringent invoeren van die nieuwe energiezuinige technologie kan een zeer belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de CO2-emissie in ontwikkelingslanden, zo staat te lezen.

Water, uitdaging en kans[ii]
Een thema dat ongetwijfeld ter sprake zal komen in Kopenhagen is het groeiend gebrek aan betrouwbaar water in steeds meer delen van de wereld. De problemen rondom water en watervoorziening mogen inmiddels genoegzaam bekend zijn. In sommige opkomende landen neemt de waterschaarste toe vanwege de combinatie van bevolkingsgroei, verstedelijking en een streven van de bevolking zich een westerse levenswijze aan te meten. Een gebrek aan water vormt een bedreiging van de economische groei. En als er al voldoende water is, dan kan een gebrek aan infrastructuur een probleem vormen en een niet gering probleem. Volgens berekeningen verhuizen er de komende 20 jaar ongeveer 350 miljoen mensen van het platteland naar de stad. Iedereen kan bedenken dat er gigantische investeringen nodig zijn om bijvoorbeeld behoorlijke sanitaire voorzieningen voor deze stedelijke mensenmassa te scheppen en te onderhouden.

Private investeringen
De vraag is of overheden bereid en geneigd zijn om blijvend voor de kosten op te draaien. Meer dan 90% van de nutsbedrijven in de wereld van vandaag kunnen niet zonder een blijvende bijdrage van de overheid. Hoewel privatisering veel van haar glans verloren heeft, is het te gemakkelijk om deze optie zomaar van tafel te vegen. Ervaringen in de Filippijnen vertellen dat privatisering kan werken tot tevredenheid van alle betrokken partijen. De kwaliteit van het netwerk verbeterde, het niveau van de voorziening ging omhoog en grotere groepen consumenten kregen toegang tot kwalitatief goed water tegen behoorlijke prijzen. Het geprivatiseerde waterleidingbedrijf rendeert.
Er zijn meer terreinen waar privaat kapitaal nuttig werk doet. De Chinese industrie heeft niet de naam erg milieuvriendelijk te werken. Dat heeft geleid tot grootschalige vervuiling van oppervlaktewater en grondwater. De vervuiling is zo groot dat het de economische groei aantast. De overheid heeft daarom een veelomvattend initiatief genomen om de structuur rondom afvalwater te verbeteren. De omvang van dit initiatief bedraagt $ 60 miljard en biedt kansen voor lokale maar ook internationale bedrijven om in afvalwatersystemen te investeren. Trouwens, de Chinese burger maakt zich steeds meer zorgen om de kwaliteit van het water dat uit zijn kraan komt. Dat blijkt uit de groeiende populariteit van hulpmiddelen die de gevraagde kwaliteit moeten garanderen.

Minder irrigatie, meer opbrengst
Een doeltreffend beleid van besparingen kan niet zonder besparingen in de landbouw. Deze sector is met 70% verreweg de grootste waterconsument. Zeker in landen als India met een aanhoudende sterke bevolkingsgroei is het zonder meer nuttig het aandeel van de landbouw (86%) fors te verlagen. De combinatie van een sterke bevolkingsgroei en lukrake irrigatie leidt in meer en meer regio’s tot uitputting van de normale watervoorraden en een sterke daling van het grondwaterpeil. Waterputten met een diepte van 400 meter zijn geen uitzondering meer. Daar komt nog bij dat de verwachte klimaatverandering de traditionele watervoorraden nog verder zullen aantasten en bedreigen. Hoogste tijd voor nieuwe en slimmere irrigatietechnieken die het waterverbruik drastisch omlaag brengen. De druppeltechniek biedt tot nu toe de beste resultaten. De hoeveel gebruikt water gaat met 80% omlaag.

Kopenhagen biedt kansen
Het is vooralsnog onduidelijk hoe Kopenhagen gaat uitpakken. Verregaande beslissingen zijn niet te verwachten. Kopenhagen is slechts een tussenstation op een lange weg. Wel ligt het voor de hand dat er de contouren voor nieuw beleid uitgezet zullen worden. Gelet op de zwakke financiële positie van veel overheden, ligt het voor de hand dat een deel van dit beleid uitbesteed gaat worden aan private bedrijven en investeerders. Zonder private inspanningen geen nieuwe energiezuinige technologie, evenmin als nieuwe waterzuiveringssystemen en irrigatietechnologieën. En het gaat om zeer interessante markten, ook in opkomende markten. De omvang van de Chinese markt bedraagt $ 40 miljard met een jaarlijkse groei van meer dan 10%. Wie wil daar geen graantje van meepikken?

Birdsall N. and Arvind Subramanian, Energy needs and efficiency, not emissions: re-fraiming the climate change narrative. Center for Global development, working paper 187. November 2009.
[ii] Sam Insight, Water Crisis: Challenges and Opportunities in Emerging Markets. November 2009

zaterdag 21 november 2009

Investeren in landbouw, een kwestie van volhouden

Het zal weinigen opgevallen zijn, maar afgelopen week was er in Rome een driedaagse conferentie over voedselveiligheid anno 2009. Misschien heeft een enkeling gehoord dat Jacques Diouf, hoofd van de FAO, in de aanloop naar de top een weekeinde gevast heeft bij wijze van protest tegen de weer groeiende honger in de wereld. Ongeveer één miljard mensen hebben dagelijks te weinig te eten. En dan nog, niemand staat ervan te kijken dat in Nederland dagelijks een handvol boeren het voor gezien houdt, omdat de prijzen voor hun product door de bodem zijn gezakt.

De gevolgen van de economische crisis
De geringe belangstelling voor voedselveiligheid staat in schril contrast met de aan hysterie grenzende belangstelling voor dit onderwerp nog maar twee jaar geleden. In 2006 gingen prijzen voor allerlei landbouwproducten in versneld tempo omhoog, variërend van melk tot rijst en gerst. Her en der in de wereld braken voedselrellen uit. Landbouw en alles wat ermee samenhing was hot. Die belangstelling duurde tot medio 2008, toen onzekerheid over de energievoorziening en de financiële crisis de internationale media gingen beheersen.
In diezelfde periode begonnen de landbouwprijzen aan een mars naar beneden. Die daling was niet te danken aan overvloedige oogsten maar was te wijten aan een vraaguitval als gevolg van de wereldwijde crisis. Nu zijn economische crises geen bijzonderheid, maar deze verschilt op drie belangrijke terreinen van eerdere crises. De crisis is daadwerkelijk wereldwijd en dat beperkt het arsenaal van landen om de effecten ervan te bestrijden. Zo is devaluatie van de eigen munt bijna geen optie meer om de macro-economische schokken op te vangen. De breedte en diepte van de crisis beperkt ook de terugstroom van middelen door de internationale arbeidsmigrant. In de tweede plaats zijn prijzen wel gaan dalen, maar blijven ze historisch gesproken op een hoog niveau. Daar komt nog bij dat de prijsdaling op de internationale markten met een behoorlijke vertraging doordringen op de lokale markten. En zo kan het gebeuren dat op lokale markten prijzen in reële termen nu 17% hoger liggen dan twee jaar geleden. Dat is voor veel inwoners van ontwikkelingslanden een ware aanslag op hun koopkracht. Ze besteden gemiddeld toch al meer dan 40% van hun budget aan de voedselvoorziening. Ook nieuw is, dat de meeste ontwikkelingslanden nu onderdeel uitmaken van de internationale economie. Dat is terug te zien aan de instroom van investeringen en de ontwikkeling van de export. Kortom, de gemiddelde inwoner van een gemiddeld ontwikkelingsland ondervindt nu dagelijks de schaduwzijden van de globalisering.

Meer investeren
Goede raad is duur, is een bekend gezegde. In een zeldzaam interview met the Financial Times waarschuwde de topman van Cargill, Paul Conway, voor zelfgenoegzaamheid. Goede oogsten in de afgelopen twee jaren betekende zijns inziens niet, dat de structurele problemen overwonnen waren. Hij wees er – misschien ten overvloede – op dat de wereldbevolking voorlopig blijft groeien. Veel inwoners in de zogeheten opkomende markten zien hun inkomen jaarlijks verbeteren en willen graag meer vlees, vis, eieren en melk. Ten slotte blijft het onduidelijk wat de impact van de zogeheten biobrandstoffen zijn op de landbouwproductie. Investeringen in landbouw zijn en blijven broodnodig. Conway’s waarschuwing is hopelijk niet aan dovemansoren gericht want in tijden van economische crises dalen investeringen in de landbouw. Dat is een historische werkelijkheid. Zonder voortgaande investeringen zullen landbouwprijzen relatief hoog blijven en zullen ze, bij een wegebben van de gevolgen van de crisis, opnieuw gaan stijgen. Dat is althans de mening van bijvoorbeeld de FAO.

Onverwachte problemen
De crisis van de jaren 2006-2008 heeft ook onverwachte en ongewenste effecten gehad, volgens Conway. Veel landen hebben een beleid van zelfvoorziening opgezet en combineren dat vaak met hoge importtarieven. Dat impliceert het verkeerd aanwensen van schaarse middelen in de vorm van subsidies en is een sta-in-de-weg voor een goed en efficiënt internationaal verkeer van landbouwproducten. Het kan ook marktverstorend werken, omdat sommige landen geneigd zijn hun overproductie op te potten en niet te exporteren. Dat werkt nodeloze prijsstijgingen in de hand. En dan is er nog het nieuwe fenomeen van ‘landje pik’. Landen als Saoedi-Arabië en Zuid-Korea proberen hun voedselproductie veilig te stellen door in derde landen landbouwareaal op te kopen voor eigen gebruik. Dat kan voor grote politieke onrust zorgen in tijden van nood.

Groep van Acht
Conway staat niet alleen met zijn zorgen. Militaire strategen van het Pentagon nodigen vandaag de dag landbouwexperts uit om over voedselveiligheid te praten. Het is communis opinio dat onvrede over voedselprijzen een voedingsbodem is voor extremisme in landen als Afghanistan en Pakistan. Volgens insiders staat door hoge voedselprijzen de politieke stabiliteit van zeker dertig landen op het spel. Washington heeft daarom het initiatief voor een zogeheten Groep van Acht voor voedselveilig beleid genomen. Het doel is om de komende drie jaren $ 20 miljard te investeren in een landbouwplan voor de lange termijn. Die investeringen zijn bitter nodig, al was het maar om de landbouwstructuur in veel ontwikkelingslanden voor te bereiden op de effecten van de klimaatverandering. Gebeurt dit niet dan is de kans heel groot dat de komende decennia de productiviteit in de landbouw omlaag gaat, terwijl de wereldbevolking stijgt van 6,5 miljard nu naar ongeveer 9 miljard in 2050. Tel uit je winst, of liever gezegd: je verlies.
We sluiten af met een beetje goed nieuws. In Rome was er een onmiskenbare toenadering tussen het kamp dat voorstander is van de inzet van gentechnologie en de voorstanders van organische landbouw. Er is de erkenning dat technologie een grote rol kan spelen bij de verhoging van de productiviteit in de landbouw. Het is allemaal een kwestie van volhouden.



Bronnen:

FAO, The state of agricultural commodity markets, 2009
The state of food insecurity in the world, 2009
IFPRI, The impact of climate change on agriculture, 2009
www.ft.com/foodsecurity

woensdag 11 november 2009

Waar blijft de nieuwe werkgelegenheid?

Wat is voor de gemiddelde man in de straat hét bewijs dat een recessie ten einde loopt? Dat is niet het herstel van de productiviteit of van de export, maar het herstel van de arbeidsmarkt. Als dat niet gebeurt, is er geen herstel in zijn ogen en dat heeft weer verschillende consequenties. Het consumptief vertrouwen herstelt niet en de neiging om eens flink de portemonnee te trekken blijft beperkt. Om maar eens een voorbeeld te noemen. In de VS steeg de arbeidsproductiviteit in het derde kwartaal met een verbluffende 9,5%. Tegelijkertijd steeg de werkloosheid tot boven 10%. In totaal zijn nu bijna 16miljoen Amerikanen op zoek naar werk, maar in september waren er maar 2,5 miljoen vacatures.

Productiviteit en consumentenvertrouwen
Hoe groot is eigenlijk de kans dat de arbeidsmarkt in de VS, maar ook in de EU sterk verbetert? Die kansen zijn op de korte termijn niet zo groot. In de VS groeit de productiviteit sterk, maar het aantal gewerkte uren blijft afnemen. Werkgevers hebben voorlopig nog voldoende ruimte om de productiviteit en de productie op te voeren zonder dat daarvoor extra handjes nog zijn. In de EU is de situatie niet veel beter. Ook hier is er nog veel onbenutte capaciteit. Denktanks als The Lissabon Council menen dat het wel tot 2012 kan duren voordat de onderbenutting omslaat in een gebrek aan capaciteit. Voeg daar aan toe dat de groei van de productiviteit in de EU stagneert en het is duidelijk dat ook in dit werelddeel werkgevers nog een wereld te winnen hebben. Kortom, als het om de arbeidsmarkt gaat, heeft de consument weinig reden om optimistisch de toekomst in te turen.

Vermogenspositie en huizenmarkt
Je hoeft trouwens niet werkeloos te zijn om toch streng op je uitgavenpatroon te letten. De financiële crisis heeft de waarde van traditionele spaarpotjes als het eigen huis en de effectenportefeuille ernstig aangevreten. In de VS is de vermogenspositie van het doorsnee gezin terug gevallen naar een niveau vergelijkbaar met dat van 1960. Er is veel herstelwerk nodig, temeer omdat veel Amerikanen zich diep in de schulden hadden gestoken in de veronderstelling dat diepe crises definitief tot het verleden behoorden en vervangen waren door ‘guirlandes’ van de groei. Sparen is het nieuwe toverwoord, sparen voor de onzekere dag van morgen. Hoe zwaar de vermogenspositie van het gemiddelde Europese gezin is aangetast, is onduidelijk. Wel is duidelijk dat de huizenmarkt Europa breed in een impasse verkeert. De vraag naar huizen en hypotheken is gekelderd en huizenprijzen staan onder druk. Hoe groot de stille armoede is achter de voordeur, laat zich maar moeilijk raden! Een ding is zeker: de Nederlander steekt traditiegetrouw heel veel geld in zijn huis. Als we de hypotheek meetellen is de Nederlander de grootste schuldenaar van de EU.

Investeringen en inventarissen
Als de arbeidsmarkt voor zijn herstel alleen afhankelijk zou zijn van het herstel van het consumentenvertrouwen en consumentenbestedingen dan zag de toekomst er verre van rooskleurig uit. Dan ligt het gevaar van een neerwaartse spiraal op de loer. Gelukkig spelen het niveau van investeringen en het herstel van de export een belangrijke rol bij het herstel van de werkgelegenheid.
Hoe staat het bijvoorbeeld met het niveau van investeringen in bedrijfsuitrusting en infrastructuur? Voor beide zijden van de oceaan geldt hetzelfde antwoord: niet echt goed. Er is aan beide zijden nog veel overcapaciteit. Dat hebben we eerder al vastgesteld voor de EU, maar het beeld is niet anders voor de VS. In de industrie steeg in het derde kwartaal de productiviteit met meer dan 13% ondanks een aanhoudende forse krimp in het aantal gewerkte uren. Van de industrie is weinig te verwachten en hetzelfde geldt voor de financiële sector, waar traditiegetrouw investeringen sterk oplopen aan het einde van een recessie, vooral in nieuwe technologie. Een lichtpuntje vormen de sterk teruggelopen voorraden. Bedrijven hebben afgelopen kwartalen hun voorraden tot een dieptepunt afgebouwd uit kostenoverwegingen en het uitblijven van de vraag. Aan dat afbouwen komt een einde of is al een einde gekomen. Dat zal een stimulans voor de vraag zijn, maar geeft het herstel van de voorraden een blijvende impuls aan de vraag of is er slechts sprake van een tijdelijke opleving?
En ja, de export leeft weer op, zowel in de EU als in de VS en dat met dank aan Azië. Een opleving van de importen doet het positieve effect van het herstel weer deels teniet.

Tenslotte
Zowel in de VS als in de EU zijn er onmiskenbare tekenen van economisch herstel, maar er zijn evenveel tekenen die nopen vraagtekens te zetten bij de kracht van het herstel. Zoals het er nu naar uit ziet, zal het herstel op zijn best een matig voortsudderend herstel zijn. In ieder geval zal het onvoldoende zijn om voor een krachtig herstel op de arbeidsmarkt te zorgen. In dit soort omstandigheden is het gemeengoed te vragen: en wat doet de overheid? Jammer genoeg lijken de mogelijkheden voor de overheid beperkt. Er zijn afgelopen kwartalen vele honderden miljarden euro’s besteed om de financiële sector te stutten en om de zwaarste klappen van de economische recessie op te vangen en te dempen. Overheden zitten tot in hun nek in de schulden en dat beperkt hun bewegingsvrijheid om de komende jaren nog eens extra steunmaatregelen te nemen bijvoorbeeld in de vorm van belastingverlagingen voor consumenten, steunmaatregelen voor huiseigenaren en subsidies voor starters op de huizenmarkt.
Alles overziende staat de EU er toch iets beter voor dan de VS. In dit deel van de wereld zijn door de crisis ‘slechts’ 3 miljoen banen verloren gegaan en lijkt de motor van de Europese economie, Duitsland, weer echt op gang te komen. De omvang van de steunmaatregelen is hier ook veel geringer. Maar dat geluk is het wel voor het ogenblik.

Bronnen:

Allianz and the Lisbon Council: the European 2009 growth and Job monitor. Autumn update

Karen E. Dynan, the outlook for consumer spending and the broader economic recovery. Testimony before the US Congress Joint Economic Committee. 29 oktober 2009

zaterdag 7 november 2009

Magere boetedoening in het bankwezen

Gaat het er dan toch van komen? Komen internationale topbankiers eindelijk met een welgemeend ‘mea culpa’? Je zou het bijna gaan denken. Enkele weken geleden ‘bekende’ Ken Costa van Lazard International, een investmentbank in Londen, dat de City relaties obligaties aanbod met een AAA rating die helemaal geen AAA rating hadden. Anders gezegd, de City verkocht knollen voor citroenen. Costa stelde vast dat bankiers weliswaar hard werkten maar eigenlijk maar één oogmerk hadden: ze wilden zo snel mogelijk rijk worden en dan zo snel mogelijk het vak uitgaan. Hij vergeleek dit gedrag met een one-night stand. Zoiets is niet de basis voor een langdurige relatie. Trouwens ongeduld, dat ontaardt in heb- en schraapzucht, tast de maatschappij in haar wortels aan.

Mooie woorden
Enkele dagen na de ontboezemingen van Ken Costa trok Brian Griffith, adviseur van Goldman Sachs, ook het boetekleed aan. Hij erkende dat er in de City veel lieden werkzaam waren die veel commissie binnen brachten maar die geen duidelijk moreel kompas hadden. Daar zou toch verandering in moeten komen. Het zijn mooie woorden, maar worden ze in de City breed gevoeld en gedragen? Dat lijkt er niet echt op, zeker niet als je hoort wat de adviseur verder te berde bracht. Met verve verdedigde Griffith de enorme inkomensongelijkheid in de City. Hij zag dat als voorwaarde voor een toename van de algehele welvaart. Met andere woorden, forse bonussen stuwen de consumptie van enkelen tot profijt van velen. Die bewering snijdt zonder meer hout, maar dient tegelijkertijd genuanceerd te worden. De opmerkingen van Griffith moeten gezien worden tegen de achtergrond van geruchten als zouden bonussen in de City over 2009 met ongeveer 50% stijgen en weer op een ouderwets niveau belanden. Goldman Sachs had toen ook bekend gemaakt al ruim $ 16 miljard gereserveerd te hebben voor de bonuspot over 2009. Zeker Griffith laadt de verdenking op zich om goed te praten wat in het oog van de buitenstaander volstrekt krom en onverdedigbaar is. Hij maakte het nog bonter door te beweren dat de aanwijzing van Jezus om van een ander even veel te houden als van jezelf in feite een aanmoediging was voor het dienen van het eigenbelang. De adviseur van Goldman Sachs deed zijn uitspraken in Saint Paul’s Cathedral.

Moreel kompas
Als je goed luistert naar de woorden van Ken Costa en zeker naar die van Brian Griffith, dan moet je een zeer onaangenaam gevoel bekruipen. Beide beweren zonder blikken of blozen dat de City bevolkt is door lieden zonder moreel kompas. Dat is een zeer boude bewering. En het zijn de Kosta’s en Griffith’s die deze lieden hebben aangetrokken. De samenstelling van de werkvloer mag een weerspiegeling heten van de top van het bedrijf. Wat zegt dat over de top van het (internationale) bankwezen?
Hoe heeft het zover kunnen komen? Die vraag is gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Pakweg 20 jaar geleden schreef een hoogleraar een alarmerend artikel in the Harvard Business Review. Het was hem meer en meer gaan opvallen dat zijn studenten anders in elkaar staken dan eerdere lichtingen. Velen onder hen hadden de ambitie om snel rijk te worden en waren bereid om daar veel te doen. Ze waren echter ook zeer op zichzelf georiënteerd, hadden weinig belangstelling voor onderwerpen die buiten hun zakelijke interesse vielen. Die houding kwam ook terug in de benadering van zakelijke omgeving. De studenten waren slecht geïnteresseerd in financiële ratio’s en kengetallen. In hun benadering van problemen was geen plaats voor de menselijke maat. De hoogleraar oordeelde indertijd dat deze mentaliteit tot grote rampen zou kunnen leiden als deze generatie eenmaal aan de touwtjes trok. De man heeft meer gelijk gekregen dan hij zelf ooit heeft kunnen bevroeden.

Moraalridder
Heeft de financiële sector geleerd van de diepe crisis van de afgelopen twee jaren en zal de heersende mentaliteit werkelijk iets veranderen? Je hoeft geen moraalridder te zijn om te concluderen dat hier de wens de vader van de gedachte is. De sector is nog steeds door dezelfde mannen bevolkt die enkele jaren geleden aan de wieg van de grote crisis stonden. Er zal nog heel wat water naar de zee gestroomd zijn voordat een suggestie van Brian Griffith werkelijkheid wordt. Misschien is het niet onverstandig om mensen in te huren die niet alleen door commissie en bonus geobsedeerd zijn. Dat zijn vrome wensen en dat blijven het!