woensdag 30 september 2009

Malthus[1] blijft actueel
Het is weer eens zover. Europese boeren protesteren en masse tegen te lage prijzen voor hun producten. Miljoenen liters melk worden uitgereden over Europese akkers en weilanden. De discussie over wereldwijd dreigende voedseltekorten lijkt hiermee afdoende beslist in het voordeel van de sceptici, die meenden dat er van dreigende tekorten geen sprake zou zijn.
Ondanks alles wijdde the Financial Times onlangs een commentaar aan de mogelijke problemen rondom de onzalige combinatie van bevolkingsgroei, klimaatverandering en voedselproductie. Het commentaar nam een voorschot op de komende klimaatconferentie in Kopenhagen in december van dit jaar. De krant wijst er fijntjes op, dat de wereldbevolking tot 2050 in tal en last zal blijven groeien tot minimaal 8 miljard en in het meest ongunstige geval tot 10,5 miljard. Door die aanhoudende bevolkingsgroei zal de voedselproductie moeten blijven stijgen. The Financial Times noemt een groei van 70%. Natuurlijk mag je een slag om de arm houden bij het lezen van dit soort voorspellingen over een zo lange periode. Het neemt echter niet weg, dat wat voor het moment geen probleem is, over een langere periode een probleem kan worden met de omvang van een molensteen.

Hogere productie nodig
Wat moet er gedaan worden? In de eerste plaats moet de productie omhoog van de huidige landbouwgronden. Dat kan door de inzet van meer kunstmest, betere irrigitatietechnieken en verdergaande mechanisatie van de landbouw in alle delen van de wereld. Nodig is ook dat de landbouwinfrastructuur verbeterd wordt en het kennisniveau van de boer moet omhoog. Maar het is nog maar de vraag of dit voldoende is om in 2050m pakweg 10 miljard monden te voeden. Dat probleem groeit in omvang als al die monden niet langer tevreden zijn met een simpel vegetarisch dieet, maar ook graag een stukje vlees of vis willen verorberen. En dan is – zeker voor de kortere termijn – er een complicerende factor en wel de verbouw van landbouwproducten voor biobrandstof. Het lijkt daarom onontkoombaar om ook marginale gronden onder de ploeg te nemen. Dat kan allemaal heel goed op basis van de huidige technologie, maar zonder problemen is dit niet. Op basis van de huidige technologische inzet neemt bij een hogere voedselproductie ook de CO2 uitstoot toe en dat is nu net niet de bedoeling.

Problemen vragen om ……..
Op de wat langere termijn ziet de landbouw zich voor grote problemen gesteld die dringend om een oplossing vragen. De productie moet fors omhoog, maar dat moet het liefst CO2 neutraal. Er mag minder water verkwist worden. Daarnaast moet de landbouw oplossingen zoeken voor het voedsel versus brandstof debat. Er is daarmee veel onderzoek nodig naar alternatieven zoals de productie van algen. Tenslotte is er een groeiende belangstelling voor de mogelijkheid om landbouwgronden te gebruiken voor de opvang en opslag van CO2.
Op de achtergrond speelt het probleem dat de klimaatverandering van invloed kan zijn op de huidige ecosystemen. Temperatuursveranderingen, meer of minder regen, andere of meer insectenvolken, het zijn even zo vele factoren die de kwaliteit van de landbouwgrond kunnen aantasten.

……..een nieuwe benadering
De productie kan in beginsel op twee manieren omhoog. Dat is al gememoreerd: en hogere opbrengst van de bestaande landbouwgronden of een uitbreiding van het bestaande areaal. Een eerste vereiste voor productieverbetering is om precies in kaart te brengen hoe groot wereldwijd het areaal aan landbouwgrond eigenlijk is en hoe deze gronden gebruikt worden voor voedselproductie. Zoiets kan vandaag de dag dankzij zogeheten Geografische Informatie Systemen (GIS). Op basis van deze informatiesystemen kan bijvoorbeeld the Food and Agricultural Organisation vast stellen waar de landbouw suboptimaal presteert en wat een goed alternatief zou zijn al dan niet in samenhang met een verwachte klimaatverandering.

Politiek
Een grote sta-in-de-weg is het beleid van de nationale overheden. Dat is er –niet ten onrechte overigens – om de belangen van de eigen bevolking te dienen. Maar soms pakt een eng nationalistische aanpak averechts uit. De afgelopen jaren verboden overheden de export van landbouwproducten, zoals graan en rijst. Andere overheden gaven subsidies om de prijs van producten laag te houden. Al dit overheidsingrijpen leidde tot kunstmatige tekorten en tot nodeloos hoge prijzen.
Overheden zijn ook geneigd om op basis van veel emotie en een gebrek aan zakelijkheid onderzoek naar nieuwe manieren van productie te verbieden. Het bekendste voorbeeld is hier uiteraard het Europese verzet tegen de zogeheten Genetische Modificatie van planten en dieren. De discussie over dit onderwerp is verworden tot een weinig productieve loopgravenoorlog. Het absolute nadeel hiervan is, dat potentieel geïnteresseerde investeerders zich zuchtend afwenden. Dat is vervelend, omdat duidelijk is, dat veel private gelden nodig zijn om veel mooie voornemens en veelbelovend onderzoek te financieren.

Terug naar the Financial Times
In zijn eerder genoemd commentaar komt de krant tot een bijzondere aanbeveling om het voedselprobleem in combinatie met CO2 uitstoot en bevolkingsgroei aan te pakken. De krant pleit voor een moderne vorm van gezinsplanning. Ze baseert dit advies op een onderzoek van the London School of Economics[2], waarin te lezen valt dat minder kinderen tot vijfmaal zo effectief is om de CO2 uitstoot te verminderen dan de huidige technologieën.
[1] Thomas Robert Malthus (1766-1834) was predikant, demograaf en econoom. Hij is bekend geworden om zijn opvatting date r een spanningsveld is en blijft tussen bevolkingsgroei en de productiegroei in de landbouw. Hij legde zijn opvattingen vast in een pamflet uit 1798: An essay on the principles of population.
[2] Cole, M.A. and Eric Neumayer, Examining the impact of demographic factors on air pollution, februari 2006

woensdag 23 september 2009

Cleantech terug in de schijnwerpers

Het is een tijd lang stil geweest op het cleantechfront. Afgelopen maanden was het nieuws niet altijd even gunstig. Investeringen in cleantech of renewable energy bleken niet altijd een even gunstig verloop te kennen als gehoopt door de belegger. Her en der werd tandenknarsend het nodige verlies geïncasseerd. De Barclays Capital Renewables Index daalde in 2008 met meer dan 60%, terwijl de DJ Euro Stoxx50 ‘slecht’ 30% omlaag ging. Met de klimaattop in Kopenhagen in aantocht en de klimaattop georganiseerd door de VN is de media aandacht weer volledig terug.

De oogst van één dag
Ondanks de onvermijdelijke tegenvallers is de cleantechsector volop in beweging. Om maar eens een deel van de oogst van een dag (23 september) op te sommen: het Spaanse Iberdrola Renovables heeft van de Amerikaanse overheid $ 251 miljoen ontvangen voor de bouw van drie windmolenparken in dat land. Deze subsidie is onderdeel van een stimuleringsplan ter waarde van $ 1 miljard voor de bevordering van windenergie. De regering Obama heeft $550 miljoen gereserveerd voor renewable energy projecten. Tot nu toe hebben 25 bedrijven met succes een beroep op dit fonds gedaan. Opnieuw in de VS, het bedrijf Fisker Automotive krijgt een lening van meer dan $ 500 miljoen om een nieuwe generatie hybride auto’s te ontwikkelen. In Silicon Valley komen initiatieven van de grond om bijvoorbeeld de ordinaire baksteen met bijzondere eigenschappen toe te dichten, zoals het ‘opeten’ van CO2. Ook krijgt het kwaliteiten die het isolerend vermogen verbeteren. Kortom groen bouwen is populair in Silicon Valley. Volgens de Cleantech Group is er alleen dit jaar al $ 350 miljoen geïnvesteerd in 45 projecten om ‘groen’ te bouwen.

Toekomst blijft positief
Wie beweert dat er in de VS niets gebeurt op het vlak van cleantech en/of renewable energy, zit gewoon te slapen. Ook daar is een bruisende sector in opkomst. Laten we duidelijk zijn. Het gegeven dat veel energiebronnen in handen zijn van onbetrouwbare regimes is wel de belangrijkste motivator voor een mooie toekomst van deze sector.

a. Windenergie
Tot vandaag de dag ligt het initiatief toch bij de EU. Daarbij trekken vooral de investeringen in windenergie de aandacht. Europa is de onbetwiste koploper in capaciteit. Aan het einde van 2008 bedroeg in Europa de beschikbare capaciteit 65,946 MW en dat was meer dan 50% van de wereldwijde beschikbare capaciteit voor windenergie. Die bedroeg toen 120,706 MW. Hoewel het tempo van groei (uiteraard) geleidelijk afneemt, blijft de Europese voorsprong voorlopig aanmerkelijk. De wereldwijde groei in capaciteit zal de komende jaren meer dan 20% bedragen. Voor Europa zakt de groei terug van 19% naar 16%. Het goede nieuws is verder dat windenergie steeds concurrerender wordt als het gaat om de kosten per kWh. Ter geruststelling voor de belegger, steeds meer bedrijven slagen erin een gunstig resultaat te boeken. Dat komt deels door een gezonde bedrijfsvoering en deels door het besef bij veel overheden, dat een financieel steuntje in de rug geen kwaad kan.

b. Zonne-energie
Als het om zonne-energie gaat, is de voorsprong van Europa bijna duizelingwekkend te noemen, maar dat is het dan wel. In 2008 bedroeg de Europese capaciteit, uitgedrukt in megawatt 3,361 tegen 407 in Noord en Zuid Amerika. Het is echter de verwachting dat ultimo 2011 de Americas hun achterstand ten opzichte van Europa nagenoeg gehalveerd hebben. In 2011 zal de capaciteit voor zonne-energie in de VS die van Duitsland overtreffen. De groeicijfers zijn in dezen veelzeggend. Tot 2011 zal de capaciteit in Duitsland met gemiddeld 11% groeien, voor heel Europa komt de groei uit op 24%, maar aan de overkant van de oceaan komt de groei uit op meer dan 80%. Investeerders in Europa aarzelen, omdat de kans op teleurstellingen groot zijn. De overheid blijft vaak in gebreke als het gaat om accommoderende regelgeving, bijvoorbeeld als het gaat om financiering. Bovendien zijn eindmarkten volatiel, waardoor gemakkelijk overproductie ontstaat. Over dit soort problemen hoort meer duidelijkheid te komen, wil de sector echt interessant worden voor beleggers.

c. biodiesel
Voor de korte termijn ziet de toekomst voor biodiesel er in Europa ongunstig uit. Er gaat vraaguitval optreden. De belangrijkste Europese speler, Duitsland, heeft zijn quota voor biodiesel verlaagd heeft belasting op biodieselproducten verhoogd. Andere landen zijn geneigd het Duitse voorbeeld te volgen. In de markt leeft de vrees, dat de EU zijn biodieselquota voor 2020 gaat halveren. Dat zou een klap zijn voor het Europese segment van de markt voor biobrandstoffen. Alleen als de VS een streep zetten door hun huidig gesubsidieerd exportbeleid, bestaat de kans dat het gevaar van een grote overcapaciteit geweerd zal worden. Voorlopig is het echter voor de Europese biodieselondernemers duimen draaien.

En dan nog…….
Ondanks de nodige problemen en tegenslagen, heeft de EU nog steeds het heft in handen als het om cleantech/renewable energy gaat. Er is echter weinig reden voor zelfgenoegzaamheid. De Amerikaanse denktank het Brookings Institute heeft een scenario uitgewerkt, waarin de VS en China op verschillende terreinen de handen ineen gaan slaan om een aantal serieuze klimaatproblemen met cleantech te gaan bestrijden. Het Brookings Institute ziet als potentiële aandachtsgebieden: de elektrische auto, het opvangen en opslaan van CO2 en nieuwe vormen van zonne-energie. Het wordt goed opletten voor de EU in Kopenhagen. Een combinatie van China en de VS kan de EU buitenspel zetten op een potentieel zeer aantrekkelijke markt.

donderdag 17 september 2009

De kredietcrisis is jarig (3)

Deze maand is het een jaar geleden, dat Lehman Brothers ten onder ging. Het omvallen van deze investment bank had een kettingreactie op de financiële markten tot gevolg. Enkele weken na de val besloot het kabinet Balkende/Bos de top van het Nederlandse bankwezen te nationaliseren om een implosie van het systeem te voorkomen. Van de arrogantie dat Nederland immuun zou blijken voor Amerikaanse kwalen was in een weekeinde tijd niets meer over.
Nu, een jaar later heeft het er de schijn van dat het ergste van de krediet- en economische crisis voorbij is. De noodverbanden hebben het ergste bloeden gestopt. De tijd is dan ook daar om te gaan kijken hoe toekomstige crises voorkomen kunnen worden. Cynici, onder wie deze auteur, geloven dat crises altijd zullen optreden. De wetgeving mag nog zo goed zijn, maar is feitelijk niet meer dan een weergave van een moment in de tijd. Bovendien, de zwakke schakel bij uitstek is de mens, die steeds opnieuw denkt dat hij ‘king of the World’ is en dan, zoals Daedelus, naar de zon vliegt met alle gevolgen van dien. Dat neemt weer niet weg, dat wetgeving voortdurend aanpassing behoeft om nieuwe ontwikkeling te vangen.

Falende modellen en regelgeving
In het kielzog van de bijeenkomst van de G20 kwam de Bank for International Settlement (BIS) met voorstellen om in de toekomst een crisis, zoals die van vandaag, te voorkomen.
De bank begint haar aanbevelingen[1]met een schuldbekentenis. De auteurs stellen vast dat er in de laatste 25 jaar geleidelijk een klimaat van zelfgenoegzaamheid was gegroeid. Die zelfgenoegzaamheid viel te bespeuren bij de financiële sector zelf, bij de academici en natuurlijk ook bij de politiek. Er leek een systeem ontwikkeld waarbij de inflatie laag was, de economische groei hoog en dat in een stabiele omgeving. Het mathematische model had uiteindelijk gezegevierd over volatiliteit en onberekenbaarheid van de mens.
Uiteindelijk faalden de modellen. De crisis deed zich voor, het model bood geen antwoord op de systeemcrisis en zelfs de signaalfunctie werkte niet, of in ieder geval niet afdoende.

Lessen uit de crisis
Misschien wel de belangrijkste les sinds 2007 is, dat het monetaire beleid er niet in geslaagd is om de reële economie te vrijwaren voor schokken in het financiële systeem. Een tweede les is dat fiscale politiek wel degelijk een rol kan spelen bij het voeren van beleid. In de derde plaats mogen zich beleidsmakers zich afvragen of het huidige monetaire beleid afdoende geëquipeerd is. Het rentewapen bleek al heel snel bot. Een belangrijk wapenfeit is ook aan het licht gekomen. De omvang en de kwaliteit van de balans van de financiële sector speelt op dit moment geen rol in de macro-economische modellen. Dat is bij de huidige stand van zaken een duidelijk gebrek. Tenslotte, om wat meer greep te krijgen op het wezen van financiële crises kan het geen kwaad om een goede studie van de geschiedenis te maken. Ben Bernanke geeft in dezen het goede voorbeeld.

Aanbevelingen
De belangrijkste conclusie van de aanbevelingen van de BIS luidt, dat het financiële bestel een duidelijke plaats hoort te krijgen in de nieuwe macro-economische modellen. In de nieuwe modellen hoort opgenomen te worden, dat periodes van financiële stress en crisis een onmiskenbaar onderdeel van het economische leven zijn. Op die manier kan een beter macro-economisch beleid ontwikkeld en gevoerd worden om stabiliteit van het economische leven te bevorderen, maar ook in het financiële leven. Dat impliceert dat er nieuwe studies nodig zijn naar het gedrag van de actoren in deze sector, maar ook naar de dynamiek in deze sector. Hoe komen prijzen voor assets tot stand, wat kunnen de gevolgen zijn van kredietgroei, maar ook van de ontwikkeling van schulden binnen de sector en uiteindelijk hoe al deze mechanismes in elkaar grijpen. Is dat duidelijk dan kan er een beter zicht ontstaan hoe deze sector kan ingrijpen op de reële economie. De Bis pleit er ook voor, dat deze nieuw te ontwikkelen macro-economische de financiële sector een bijzondere plaats krijgt, juist omdat een systeemcrisis, zoals de huidige, een verwoestende uitwerking kan hebben op de hele economie. Crises in andere sectoren hebben meestentijds weinig uitstraling op de hele economie.

Conclusie
Het is misschien ontluisterend te moeten lezen, hoezeer kennis van de werking van de financiële markten nog ontbreekt. Het plaatst het optreden van verantwoordelijken beleidsmakers als de toenmalige minister van Financiën van de USA , Henry Paulson, en onze eigen Nout Wellink in een ander daglicht. De kennis van een zogeheten systeemcrisis was en is onvoldoende voor een effectieve bestrijding ervan. Omdat de kennis onvoldoende was, ontbraken ook de juiste handvatten en middelen ter bestrijding. Die zijn al doende ontwikkeld.
Het ontbreken van afoende kennis is ook van belang als het gaat om de hervorming van het systeem. Zonder afdoende kennis zal er weinig veranderen. Die mening is ook Nouriel Roubini toegedaan, in zijn nieuwsbrief, Lehman’s anniversary-What’s different? What’s the same? Ook hij pleit voor een nieuwe manier van economisch denken, die veel gelijkenis vertoont met de standpunten van de BIS. Tussen neus en lippen door verwerpt Roubini de opvatting dat de crisis voorbij is. Hij wijst erop, dat juist de positie van de grote banken nog steeds verslechtert. Dat komt vooral, omdat deze banken gedwongen zijn allerlei zogeheten off-balance vehicles zichtbaar op de balans te maken. Hij schat dat het gaat om een bedrag van USD 900 miljard, dat vooral de westerse banken nog moeten consolideren.
Kortom, de herstelwerkzaamheden zijn nog in volle gang en daarmee is het nog te vroeg voor een ingrijpende hervorming van de financiële sector. Hoe noodzakelijk die hervorming ook moge zijn.


[1] Cecchetti, S.G. Piti Disayat and Marion Kohler, Integrating Financial Stability:new models for a new challenge. Bank for International Settlement, September 2009

donderdag 10 september 2009

De kredietcrisis is jarig(2)

(In deel 1 is het hoe en waarom van de kredietcrisis behandeld. In deel 2 komt de ontwikkeling van het financiële bestel aan bod, die uiteindelijk leidde tot de kredietcrisis)

De afgelopen twee jaar hebben we mogen toezien hoe het globale financiële systeem aan zijn eigen gewicht bezweek. Met dit ineenstorten is een voorlopig einde gekomen aan een stelsel dat zijn oorsprong vindt in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In 1973 maakten de Amerikanen noodgedwongen een einde aan het toenmalige financiële stelsel, dat gebaseerd was op de Overeenkomst van Bretton Woods uit 1944.
Het is niet te verwachten dat het globale systeem nog in zijn oude vorm zal terugkomen. Een van de kernpunten van dit systeem was zoals Greenspan het noemde het welbegrepen eigenbelang van de deelnemers aan. Dat eigenbelang zou er garant voor staan, dat bankiers geen domme dingen zouden doen en desnoods elkaar zouden corrigeren. Greenspan schatte het rationeel vermogen van de partijen te hoog in en nog onlangs wees hij op de hoogmoed van de mens als bron van falen. Overigens, het idee van het welbegrepen eigenbelang is niet van Greenspan. Hij grijpt hiervoor terug op discussies in de 19de eeuw over de plaats en rol van de centrale bank in het toenmalige financiële bestel

De post Bretton Woods wereld
Hoe zag de wereld na het ophouden van Bretton Woods er eigenlijk uit? Wat waren de kenmerken van het nieuwe systeem Het eerste kenmerk is dat van de deregulering. Het systeem van Bretton Woods had het (nationale) financiële bestel ingekapseld in een keurslijf aan regels. Daar kwam een einde aan. In samenhang met de deregulering kwam een wereldwijde integratie van financiële markten op gang, de globalisering. Een belangrijk onderdeel van het nieuwe bestel was, dat er een einde kwam aan de traditionele rol van banken. Zij trekken spaargelden aan en zetten die weer uit in de vorm van leningen. De bank was en bleef verantwoordelijk voor alle risico’s. Het nieuwe systeem knipte deze traditionele band door. De partij die de spaartegoeden aantrok, was niet langer verantwoordelijk voor het uitzetten ervan en voor de risico’s die daarmee gepaard gingen. Eigenlijk is het fout te speken van een nieuw systeem. Het oude bleef min of meer bestaan, maar daarnaast bloeide een alternatief systeem op dat ten volle profiteerde van de nieuwe mogelijkheden van veranderende regelgeving en nieuwe technologieën en vormen van communicatie.
Binnen het alternatieve, globaliserende bestel traden nieuwe partijen toe, op zoek naar nieuwe markten om daar nieuwe producten op af te zetten. Partijen als pensioenfondsen en verzekeraars zagen onverwachte en nieuwe mogelijkheden om hun overschotten te investeren. Dankzij de deregulering waren deze instellingen niet langer aan de landsgrenzen gebonden. Uiteindelijk is dat slechts op beperkte schaal gebeurt. Er kwam veel eer een ontwikkeling op gang, waarbij de deelnemers risico’s, verbonden aan leningen en investeringen, op zich namen zonder dat ze over de tegoeden beschikten waarmee deze investeringen gefinancierd werden

Nieuwe producten en nieuwe diensten
Welke risico’s lopen banken in het traditionele bestel bij het uitzetten van leningen? Dat zijn er drie: a. het kredietrisico ( de lener betaalt niet terug) b. het renterisico (de bank ontvangt minder rente dan zij betaalt) en c. liquiditeitsrisico (de bank moet onverwacht extra tegoeden aantrekken).
In het nieuwe, zeg maar alternatieve bestel groeide dankzij productvernieuwing de mogelijkheid voor banken om deze risico’s geheel of gedeeltelijk door te schuiven naar derde partijen. Het middel daartoe heette securitisatie ofwel de bank verkoopt de leningen door aan een partij die de aankoop van leningen financiert met de uitgifte ven effecten, vaak obligaties, die verhandelbaar zijn op de financiële markten. De bank is nu van zijn risico af en maakt ook nog een marge die hoger ligt dan de kosten. De derde partij, bijvoorbeeld een investmentbank, draagt nu het risico van de financiering. De eerste vormen voor securitisatie kwamen op in de jaren zeventig. Bekende producten zijn de zogeheten Asset Backed Securities, de onderliggende waarde van de obligatie vormen consumentenkrediet of zakelijke leningen, en Mortgage Backed Securities, waarbij hypotheken het onderpand vormen. In de jaren tachtig zagen nieuwe vormen van securitisatie het licht die we kennen onder de verzamelnaam Collateralized Debt Obligations ofwel CDO’s. Het principe is hetzelfde, spreiding van risico en inkomen. Kenmerkend voor een CDO is, dat binnen zo’n product de inkomsten en risico’s ook gespreid zijn. Sommige van de samenstellende waardepapieren dragen meer risico en andere dragen minder.
In de loop der decennia is de omvang van de markt voor deze gesecuritiseerde waarden uitgegroeid tot vele honderden miljarden dollars en euro’s. Naast deze markt groeide nog een tweede, die voor derivate producten. In wezen zijn deze producten ontwikkeld om de overdracht van risico’s mogelijk te maken, zonder dat financiering daarbij een rol speelde. De belangrijkste risico’s die overgedragen worden zijn het renterisico, het wisselkoersrisico en het kredietrisico.

Het alternatieve bancaire systeem
Hierboven hebben we gesteld, dat de verregaande deregulering, de liberalisering van de kapitaalmarkten, de globalisering en de integratie van de wereldwijde kapitaalmarkten de basis legde voor een heus alternatief bancair systeem. Het systeem dankte zijn bestaan verder aan financiële innovaties, zoals securitisatie van schuldpapier en van derivatie producten. Het alternatieve systeem kenmerkte zich doordat bankleningen kunnen nu gefinancierd worden door besparingen die niet langer alleen aangetrokken worden door depositobanken. De risico’s die aan deze leningen verbonden zijn in dit systeem de zorg voor ‘risicodragers’ die zelf geen spaartegoeden aantrekken.
In de jaren negentig zijn op de westerse financiële markten drie vooraanstaande risicodragende partijen actief: de zogeheten investment banks, de hedgefunds en de zogeheten off balance verhicles.
De investmentbank is van oorsprong een klassieke intermediair. Deze financiële instelling verzorgt de uitgifte en plaatsing van waardepapieren. Ze onderhouden hiermee de liquiditeit van de markt. Vanaf de jaren negentig hebben ze hun werkterrein verplaatst naar de alternatieve markt voor gesecuritiseerde en derivate producten. Ze ontwikkelden zich al snel als een spin in het web voor de circulatie en distributie van risico’s. Dat is terug te zien aan de ontwikkeling van de gezamenlijk portefeuille van de vijf grootste investmentbanks van voor de crash. In 1987 bedroeg de totale waarde van de portefeuille met claims en securities voor eigen rekening en risico USD 40 miljard. Twintig jaar later beliep dat bedrag meer dan USD 800 miljard. De hedgefunds zijn pure risicodragers. Ze zijn ervoor in het leven geroepen. Ze zijn actief in de meest volatiele markten en gaan vaak hoge schulden aan in verhouding tot hun eigen vermogen (leveraging). Om hun liquiditeitsrisico te verminderen, staan ze niet toe dat hun klanten op elk moment kunnen uitstappen. Ze opereren vaak off shore om zodoende de nationale regelgeving te ontlopen. Naast de hedgefunds en de investmentbanks zijn er nog de off-balance vehicles. Die zijn populair geworden aan het begin van deze eeuw. Ze zijn een uitvinding van de banken die zo bepaalde belastingvoordelen konden behalen en bepaalde regelgeving ontlopen. ABN AMRO heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van deze off-balance vehicles. Geleidelijk aan zijn het vehicles geworden voor producten waar de banken niet langer risico voor droegen of voor de financiering ervan moesten zorgen.
Het belang van hedgefunds en van de off-balance vehicles laat zich moeilijk raden. Ze zijn er immers in geslaagd buiten het reguliere toezicht te blijven. Schattingen gaan er echter vanuit dat de omvang van het alternatieve systeem niet veel afwijkt van het reguliere bancaire systeem. Het grote verschil is, dat het regulier systeem toezicht kent, het alternatieve systeem amper of niet. Dat is in retrospect een even ongelooflijk als beangstigend gegeven. Het gaat immers om onvoorstelbaar grote bedragen. Het gebrek aan toezicht heeft uiteindelijk een cruciale rol gespeeld bij het losbarsten van de kredietcrisis.

Internationale financiële integratie
De ontwikkeling van het alternatieve bancaire systeem ging gepaard met het vervagen van de grenzen tussen de nationale financiële systemen. Westerse landen deden dat als eerste gevolgd door de zogeheten opkomende markten. Kapitaal kon zich steeds vrijer gaan bewegen over de wereld.
Vrije stromen, jawel, maar toch niet volledig vrij, want er bestaan wel zoiets als wisselkoersen tussen de verschillende valuta’s. Met andere woorden aan de keten van risico’s in het alternatieve circuit voegde zich een nieuw risico en wel het wisselkoersrisico. Gelet op het bovenstaande lag het in de lijn der verwachtingen dat er een systeem groeide van internationale verdeling van het financiële risico. Voor de goede orde, er groeide niet allen risico’s, maar de verlenging van de risicoketen maakte het natuurlijk ook mogelijk dat besparingen internationaal aangewend konden worden. De vraag die nog om een antwoord vraagt is of deze internationale financiële integratie werkelijk bijgedragen hebben aan de snelle ontwikkeling van de opkomende markten. De vraag over het succes van de globalisering en liberalisering komt in deel 3 aan bod.

(wordt vervolgd)

woensdag 2 september 2009

De kredietcrisis is jarig

Deze maand is het een jaar geleden, dat Nederland overvallen werd door de kredietcrisis. Overvallen is wel het juiste woord. Hoewel de kredietcrisis al een jaar in de VS woedde, overheerste hier te lande de opvatting dat wij wel verschoond zouden blijven van die kredietellende. Onze bankiers waren immers verstandige mensen. Die moesten niets hebben van die rare producten. En ook ons toezicht was superieur aan het Amerikaanse. De Miljoenennota van vorig jaar straalde nog optimisme uit. Wie wees op de donkere wolken die zich samenpakten boven ons land en de rest van Europa werd uitgelachen. Aan het einde van de maand september bleek al, dat de inhoud van de Miljoenennota evenveel waard was, als het papier waarop de tekst gedrukt was. Nederland was in zeer zwaar weer terecht gekomen.

Hoe zat het ook al weer
Aan het einde van 2006 groeide in de VS de onrust over het aantal incidenten waarbij burgers hun aflossingsverplichtingen voor hun hypotheek niet meer konden nakomen. Het betrof hier het inmiddels beruchte segment van de ‘subprime loans’, een categorie hypotheekleningen die niet gegarandeerd was door de daarvoor bestemde instellingen, Fanny Mae en Freddy Mack. De afnemers van deze leningen waren Amerikanen die voor een gegarandeerde hypotheek niet in aanmerking kwamen. De subprime markt was desondanks een omvangrijke markt. In 2006 bedroeg de waarde ervan $ 1,300 miljard.
Goocheme bankiers hadden deze hypotheekleningen gesecuritiseerd, ofwel omgebouwd naar een soort obligatie. Het aantrekkelijke van dit product was zijn hoog rendement. Het rendement lag 2% tot 3% hoger dan van andere obligaties. Dat moest ook wel, want de koper van het waardepapier droeg alle risico’s. Ondanks deze risico’s vond het nieuwe subprime product wereldwijd gretig aftrek, juist om zijn hoog rendement.
De enorme vraag in de markt naar hoogrenderende waardepapieren in combinatie met het geleidelijk laten vieren van de kwaliteitseisen door de zogeheten ratingagencies, opende in feite de doos van Pandora. Slimme investmentbankiers van Goldman Sachs, Morgan Stanley en noem maar op knutselden het ene hoogrenderende beleggingsproduct na het andere in elkaar en zetten die met groot succes in de markt, hoewel er veel onduidelijk was over de onderliggende waarde. De kopers sloegen echter geen acht op de duidelijk aanwezige risico’s. Roependen in de woestijn wezen erop dat dit systeem alleen kon bestaan als alle spelers de risico’s zouden accepteren of beter nog domweg negeerden. Er mocht geen kink in de kabel komen, die de bereidheid risico’s te dragen zou kunnen ondergraven.

En toen ging het mis
Het moest eigenlijk wel misgaan. Er waren teveel losse eindjes. De schrik sloeg de wereldwijde financiële markten eerst goed in de benen, toen in maart 2007 HSBC bekend maakte dat beleggingsfondsen van deze bank zware verliezen leden op de subprime loans in hun portfolio’s. Zou de keizer dan toch geen kleren aanhebben?
Sommige partijen begonnen zich achter de oren te krabben, vooral die partijen die met geleend geld deze obligatieproducten hadden gekocht. Deze partijen wilden hun risico’s verminderen en besloten daarom hun posities in deze producten te verkleinen. Een logische reactie, maar er was een klein probleem. Op het ultieme moment bleek de vraag naar deze producten op te drogen. Als een partij wilde verkopen, dan kon dat alleen tegen een lagere prijs dan de oorspronkelijke. Het effect was, dat partijen meer te koop moesten aanbieden om het gewenste niveau van verlaging van het risicoprofiel te bereiken. Het gevolg was, dat er een neerwaartse prijsspiraal groeide. Steeds meer financiële instellingen keken met groeiende bezorgdheid naar hun balansen en moesten vaststellen dat het steeds moeilijker werd om de waarde van die producten te bepalen. Er was immers geen markt meer voor. In de zomer van 2007 liet BNP Paribas beleggers in drie van zijn fondsen weten dat het onmogelijk was om de waarde van die fondsen te bepalen. Ze werden ‘gesloten. De beleggers bleven verbijsterd en heel veel euro’s armer achter.

De val van Lehman Brothers
In razend tempo maakte de risicobereidheid plaats voor angst en risico-aversie. Een van de grootste slachtoffers van die aversie was de interbancaire markt. Het is een goed gebruik dat banken hun tijdelijke liquide overschotten uitlenen aan collega banken die met tijdelijke tekorten kampen. Die markt stokte, omdat banken wantrouwig werden over de kredietwaardigheid van de tegenpartij. Het leek bovendien een goed idee die middelen in eigen hand te houden. Je weet maar nooit of je ze morgen zelf niet nodig hebt.
Het systeem raakte door angst en aversie in een vrije val. In razend tempo werden steeds meer segmenten van vooral de kredietmarkten aangetast. Instellingen zagen zich gedwongen ‘solide schuldpapier’ van de hand te doen om aan hun verplichtingen te voldoen tegen afbraakprijzen. Niemand wilde het op zich solide papier meer. Er was geen markt meer. Medio september 2008 bereikte de onrust op de wereldwijde financiële markten een hoogtepunt of zo u wilt een dieptepunt met het omvallen van Lehman Brothers. Lehman was niet zo maar een investmentbank. Nee, Lehman was een spin in het web. Het was een kruispunt, waar talloze financiële wegen samen kwamen. Het omvallen joeg zodoende schokgolven door de hele wereld.

Wat deden de autoriteiten
Vanaf augustus 2007 tot aan het omvallen van Lehman Brothers en de daarop volgende wereldwijde commotie hadden de financiële autoriteiten zich beperkt tot symptoom bestrijding Meer en meer namen ze de rol op zich van intermediair tussen private partijen die aarzelden om elkaar liquiditeiten te lenen. De centrale bankiers pompten allengs meer en meer liquide middelen het systeem in om het draaiende te houden. Door het omvallen van Lehman Brothers sloeg wat ooit een subprime loan crisis was over naar alle geledingen van de kredietmarkt. Lehman Brothers was, zoals eerder gememoreerd, een spin in het web, een kruispunt van vele wegen. Het was ook niet langer uit te sluiten, dat de financiële bosbrand de reële economie zou gaan bereiken. Pas toen drong het besef door, dat het systeem niet meer instaat om de risico’s te dragen, waarmee het zich eerder zelf had opgezadeld. De centrale bankiers en andere financiële autoriteiten beseften dat langs de lijn blijven staan en liquiditeiten inpompen niet langer voldoende was. Wereldwijd dreigde het systeem in te storten. Centrale bankiers en ministers van financiën sloegen noodgedwongen de handen ineen om het systeem te redden, maar het was eigenlijk al te laat. De wereld gleed weg in een diepe recessie.

(Wordt vervolgd)