Enkele weken geleden verscheen de Financial Stability Review (FSR) van de Europese Centrale Bank[1]. Het boekwerk geeft een beeld van de ontwikkelingen op de wereldwijde financiële markten in de eerste helft van 2009. De nadruk daarbij ligt (uiteraard) op de EU-zone. Het is niet direct literatuur die je voor je plezier op het strand of in de tuin tot je neemt, maar het heeft wel iets indringends. Het FSR biedt een overzicht van de grote problemen waarmee banken te kampen kregen in het laatste kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009.
Het rapport opent met de vaststelling dat het sinds de publicatie van de vorige review in december 2008 de macro-economische omstandigheden niet gunstig zijn geweest voor de financiële markten in de EU-zone. Dat is een open deur, maar in Europa heeft te lang ten onrechte het idee geleefd dat het hier allemaal wel zou meevallen. De tegenvallende groei heeft als consequentie dat banken problemen houden met het op orde brengen van hun balansen. De waardebepaling van een steeds grotere groep activa/bezittingen blijft een probleem van de eerste orde en de kans dat banken in de nabije toekomst opnieuw voor substantiële bedragen moeten afschrijven, neemt toe naarmate de crisis langer voortwoekert. Dat verhoogt niet bepaald het vertrouwen van potentiële investeerders en beleggende partijen en dat vertaalt zich weer in hogere kosten voor de banken om vermogen aan te trekken( de zogeheten funding). De marktwaarde van bankaandelen wil nog weleens dalen tot onder de boekwaarde.
De reactie van de grote banken tot dusverre is er een geweest te pogen de schuldposities en risico’s op hun balansen af te bouwen. Deze strategie is niet erg succesvol geweest, omdat op de onrustige markten hier weinig belangstelling voor was. Een tweede strategie van banken die niet goed uitpakte was de verhoging van de kosten voor kredietverlening. Als de banken al krediet wilden verschaffen. Deze wijze van werken had slechte gevolgen voor sectoren die afhankelijk waren en zijn van kredietverlening. Bedrijven die in de problemen komen, kunnen een nieuwe bedreiging vormen voor de wankele gezondheid van veel banken en daarmee een bedreiging vormen voor de financiële stabiliteit in de EU.
Dat vooruitzicht heeft overheden en centrale bankiers bewogen de financiële sector op verschillende manieren te hulp te schieten door bijvoorbeeld de rente naar een historisch laag niveau te verlagen of door garanties op leningen af te geven en door nieuw vermogen te injecteren.
Het FSR concludeert dat al deze maatregelen effect hebben maar dat het nog veel te vroeg is om hosanna te roepen. Weliswaar lijken de problemen op de geldmarkt grotendeels opgelost, maar heeft het wantrouwen bij kredietverlening zich verplaatst naar de professionele financieringspartijen. Dat is terug te zien aan de korte looptijd van veel nieuwe schulden en dat kan de komende kwartalen voor veel onrust zorgen als deze schulden doorgerold of geherfinancierd moeten worden. Om dit probleem voor te zijn, hebben banken gepoogd meer spaargeld aan trekken. Na aandelen vormen spaartegoeden de meest betrouwbare funding. Nadat in september 2008 de onrust op de financiële markten was losgebarsten, na het omvallen van Lehman Brothers, bleek hoe lichtzinnig banken met deze solide manier van funding waren omgesprongen. In die dagen kwam een zogeheten ‘customer funding gap’ aan het licht; het verschil tussen aangetrokken speergelden en de uitgeleende gelden. Maar het waren ook de dagen van een geldmarkt die niet wilde functioneren. Toen de crisis zich in volle hevigheid openbaarde, zakte ook de winstgevendheid van banken ineen en daarmee de capaciteit om te reserveren en zo het eigen vermogen te verstevigen. Dat was nodig om het wantrouwen bij beleggers en investeerders weg te nemen. Juist in deze moeilijke omstandigheden restte banken weinig anders dan aandelen uitgeven tegen zeer scherpe voorwaarden. Desondanks slaagden de grote banken erin € 46 miljard uit de markt te halen. Het bedrag bleek echter onvoldoende om te compenseren voor de afschrijvingen en opgelopen verliezen. Op dit punt, oktober 2008, intervenieerden overheden met een reeks van maatregelen, waaronder het geleidelijk injecteren van € 64 miljard aan nieuw eigen vermogen.
Uiteindelijk hebben de gezamenlijke inspanningen van banken (afbouwen van schulden en risico’s op de balans) en van de ECB en overheden geresulteerd in betere vermogensverhoudingen bij banken. De zogeheten mediane Tier-1-ratio verbeterde van 10,5% in 2007 naar 12,2% in 2008. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de koersen van banken geleidelijk omhooggingen. Het neemt echter allemaal niet weg, dat banken nog steeds kampen met in essentie dezelfde problemen als pakweg een jaar geleden. Op de financiële markten leven nog steeds twijfels over de kwaliteit van de vermogensbuffers van banken, over de betrouwbaarheid van Tier-1 als ratio naast vragen over de waardebepaling van veel activa, vragen over de mogelijkheid de kwaliteit van de winst te verbeteren en vragen over de manieren van funden, waarbij de rol van de centrale banken te groot is.
[1] Financial Stability Review, European Central Bank, June 2009. 266 pag.
donderdag 25 juni 2009
maandag 22 juni 2009
Investeren? Beleggen? Oké, maarruh……!?
Is er leven na de dood? Voor de gelovige, maar ook voor de ongelovige is dat een non-issue. Voor de een is het een axioma en voor de andere is het irrelevant. Een heel andere vraag is of er leven is voor de belegger na de kredietcrisis en de daarmee gepaard gaande zware verliezen. Het antwoord op deze vraag is minder klaar dan op de vraag hierboven. Toch begint het erop te lijken dat de geest weer ‘vaardig’ kan worden over de belegger. Na een tamelijk lange comateuze periode begint de markt voor IPO’s weer tekenen van leven te vertonen. In de VS zijn de afgelopen twee maanden weer vier bedrijven met succes naar de markt gebracht. Het gaat hier dan om bedrijven die de stap hebben gemaakt met steun van durfkapitaal. Het klinkt niet erg overtuigend als je bedenkt dat in 2006 en 2007 meer dan 50 bedrijven de stap maakten. Echter over heel 2008 durfden slechts zes bedrijven de beursgang te maken en dan is vier in de eerste helft van 2009 al een hele verbetering. Het belangrijkste nieuws is misschien wel, dat de markt tamelijk positief heeft gereageerd op deze IPO’s. Twee van de vier noteren nog steeds boven de initiële koers. Het kan het begin zijn van iets moois en dat is eigenlijk wel hard nodig. Door de slechte marktomstandigheden is de durfkapitalist op zijn handen gaan zitten. In het eerste kwartaal van 2009 investeerden durfkapitalisten ‘slechts’ drie miljard dollar in meer dan 500 bedrijven. In het eerste kwartaal van 2008 ging het om een bedrag van bijna 7 miljard en in 2007 ging het per kwartaal om een bedrag van bijna acht miljard dollar. Er is dus nog een lange weg te gaan. Dat neemt niet weg, dat tot nu toe in 2009 19 bedrijven met steun van durfkapitaal zich gemeld hebben voor een beursgang, waarvan tien in de laatste twee maanden. De durfkapitalist begint weet te durven.
Voor wie niet wil wachten op een definitief herstel van de markt voor IPO’s, heeft zich in de afgelopen jaren een redelijk alternatief ontwikkeld dat luistert naar de naam Cleantech.. Deze markt heeft de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. Waren er in 2004 nog 30 private equity funds die zich geheel of gedeeltelijk toelegden op Cleantech, in 2008 was dat aantal bijna verviervoudigd. Deze relatief nieuwe markt lijkt zich weinig aan te trekken van de wereldwijde economische malaise, want in 2009 hebben zich weer 78 fondsen aangediend die op zoek zijn naar investeringsmogelijkheden. Driekwart van de fondsen staat te boek als venture capital, 13% van de fondsen legt zich toe op investeren in infrastructuur en ongeveer 7% is op zoek naar buyout mogelijkheden.
Voor de milieubewuste Europeanen is het wellicht een verrassing, maar 45% van alle ‘cleantech’funds zijn gevestigd in Noord Amerika. Ondanks alles is de VS nog steeds de bakermarkt voor Venture Capital. Vooral Silicon Valley is geïnteresseerd in Cleantech als object voor investeringen. Los daarvan, bedrijven die van huis uit gespecialiseerd zijn in chiptechnologie, proberen die kennis nu te gebruiken om cleantech producten te ontwikkelen. Applied Materials, bijvoorbeeld, ontwikkelt nu zonnecellen en Cisco gaat zich richten op de markt voor energiedistributie. Maar dit terzijde.
Europa is met een aandeel van 36% een goed tweede als het gaat om cleantech funds. De overige fondsen hebben een Aziatische oorsprong en dat geeft aan dat de cleantechmarkt een wereldomspannende markt is geworden. Echter de interesse om in cleantech te investeren is het grootst in Europa. De groeiende belangstelling om te investeren in cleantech is niet alleen terug te zien aan de groei van het aantal fondsen, maar ook in de omvang van de fondsen. Bedroeg de omvang in 2004 gemiddeld enkele tientallen miljoenen dollars, inmiddels is het gemiddelde uitgedijd naar enkele honderden miljoenen.
Een aantrekkelijk aspect van deze cleantech funds schuilt in het duurzame karakter ervan. De belegger werkt mee aan een betere wereld, maar mag rekenen op een lange termijn waardecreatie. Die is dan te danken aan het wereldwijde groeiende milieubewustzijn van de burger, maar ook aan de toenemende regelgeving door overheden. Een groeiende energieschaarste versterkt alleen nog maar de aandacht voor cleantech. Een meer profaan aspect voor de belegger is, dat cleantech funds meer evenwicht in een portefeuille brengen. Het lijkt erop, dat cleantech niet noodzakelijk dezelfde volatiliteit vertoont als de rest van de private equity markt. Dat is een prettig gegeven in volatiele tijden.
We eindigen onze korte beschouwing over beleggen en investeren met een korte terugblik op het eerste halfjaar. Waar had u als belegger het best uw euro of dollar in kunnen stoppen. In de eerste helft van dit jaar had u het best kunnen kiezen voor de technologiesector. Liet de S&P 500 een groei zien van bijna 5%, de technologiesector stak daar met 18,7% met kop en schouders boven uit. De absolute winnaar is het telecombedrijf Sprint Nextel met een koerswinst van 176%. De absolute verliezer is General Motors met een verlies van 66%. Beleggers hebben duidelijk meer vertrouwen in Ford, want dat sloot het eerste halfjaar af met een winst van 140%. Het is misschien goed te weten, dat historisch gesproken de techsector nog steeds ondergewaardeerd is. Beter laat dan nooit, zou ik zeggen.
Voor wie niet wil wachten op een definitief herstel van de markt voor IPO’s, heeft zich in de afgelopen jaren een redelijk alternatief ontwikkeld dat luistert naar de naam Cleantech.. Deze markt heeft de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. Waren er in 2004 nog 30 private equity funds die zich geheel of gedeeltelijk toelegden op Cleantech, in 2008 was dat aantal bijna verviervoudigd. Deze relatief nieuwe markt lijkt zich weinig aan te trekken van de wereldwijde economische malaise, want in 2009 hebben zich weer 78 fondsen aangediend die op zoek zijn naar investeringsmogelijkheden. Driekwart van de fondsen staat te boek als venture capital, 13% van de fondsen legt zich toe op investeren in infrastructuur en ongeveer 7% is op zoek naar buyout mogelijkheden.
Voor de milieubewuste Europeanen is het wellicht een verrassing, maar 45% van alle ‘cleantech’funds zijn gevestigd in Noord Amerika. Ondanks alles is de VS nog steeds de bakermarkt voor Venture Capital. Vooral Silicon Valley is geïnteresseerd in Cleantech als object voor investeringen. Los daarvan, bedrijven die van huis uit gespecialiseerd zijn in chiptechnologie, proberen die kennis nu te gebruiken om cleantech producten te ontwikkelen. Applied Materials, bijvoorbeeld, ontwikkelt nu zonnecellen en Cisco gaat zich richten op de markt voor energiedistributie. Maar dit terzijde.
Europa is met een aandeel van 36% een goed tweede als het gaat om cleantech funds. De overige fondsen hebben een Aziatische oorsprong en dat geeft aan dat de cleantechmarkt een wereldomspannende markt is geworden. Echter de interesse om in cleantech te investeren is het grootst in Europa. De groeiende belangstelling om te investeren in cleantech is niet alleen terug te zien aan de groei van het aantal fondsen, maar ook in de omvang van de fondsen. Bedroeg de omvang in 2004 gemiddeld enkele tientallen miljoenen dollars, inmiddels is het gemiddelde uitgedijd naar enkele honderden miljoenen.
Een aantrekkelijk aspect van deze cleantech funds schuilt in het duurzame karakter ervan. De belegger werkt mee aan een betere wereld, maar mag rekenen op een lange termijn waardecreatie. Die is dan te danken aan het wereldwijde groeiende milieubewustzijn van de burger, maar ook aan de toenemende regelgeving door overheden. Een groeiende energieschaarste versterkt alleen nog maar de aandacht voor cleantech. Een meer profaan aspect voor de belegger is, dat cleantech funds meer evenwicht in een portefeuille brengen. Het lijkt erop, dat cleantech niet noodzakelijk dezelfde volatiliteit vertoont als de rest van de private equity markt. Dat is een prettig gegeven in volatiele tijden.
We eindigen onze korte beschouwing over beleggen en investeren met een korte terugblik op het eerste halfjaar. Waar had u als belegger het best uw euro of dollar in kunnen stoppen. In de eerste helft van dit jaar had u het best kunnen kiezen voor de technologiesector. Liet de S&P 500 een groei zien van bijna 5%, de technologiesector stak daar met 18,7% met kop en schouders boven uit. De absolute winnaar is het telecombedrijf Sprint Nextel met een koerswinst van 176%. De absolute verliezer is General Motors met een verlies van 66%. Beleggers hebben duidelijk meer vertrouwen in Ford, want dat sloot het eerste halfjaar af met een winst van 140%. Het is misschien goed te weten, dat historisch gesproken de techsector nog steeds ondergewaardeerd is. Beter laat dan nooit, zou ik zeggen.
donderdag 18 juni 2009
Groene scheuten
Het toverwoord in deze crisis heet groene scheuten of loten. Ik geloof dat het Ben Bernanke was, de eerste man van de Fed, die dit begrip nog niet zo lang geleden introduceerde. Hij wilde er mee aangeven dat het er de schijn van had dat de economie weer tekenen van leven begon te vertonen. Die uitspraken droegen bij aan het sterk herstel op de financiële markten. Inmiddels is het begrip ‘green shoots’ of groene scheuten gemeengoed geworden en wordt het te pas en te onpas gebruikt om een meer optimistische boodschap te verkondigen. Een fraai staaltje was in het weekeinde van de 12de en 13de juni te horen bij een bijeenkomst van de G-8. De aanwezige ministers van Financiën bespraken er de noodzaak om plannen te maken hoe de tekorten terug te brengen als het economisch herstel eenmaal meer handen en voeten zou krijgen. Het IMF kreeg daar ook het verzoek om plannen op te stellen, zodat overheden in de verschillende westerse landen gecoördineerd hun deelnemingen in private bedrijven kunnen afbouwen. Regeren is vooruitzien, dat spreekt uit deze G-8-bijeenkomst.
Dan rest de vraag hoeveel groene scheuten of loten er al zijn? In Japan zijn er weer tekenen van leven en dat is te danken aan een weer voorzichtig groeiende export naar China en een herstel in het consumentenvertrouwen dat zich vertaald heeft in hogere consumptieve bestedingen. Maar dan zijn alle groene loten wel weer benoemd. De lonen staan onder druk, de prijsdruk is enorm, de werkloosheid blijft stijgen en fabrieksorders zijn op een dieptepunt beland.
En dan de VS, hoe gaat het in het land van de green shoots? Afgelopen week kwam er weer goed nieuws naar buiten. Volgens het IMF gaat het herstel in de VS sneller dan verwacht. 2009 zal nog een krimp laten zien van 2,5% (eerder 2,8%), maar in 2010 keert de groei terug en komt uit op 0,75% (eerder (0 %). Het groeiend optimisme is mede te danken aan het consumentenvertrouwen dat alweer een tijdje aan de beterende hand is. Ook begint het erop te lijken dat de huizenmarkt begint uit te bodemen. In mei steeg het aantal huizen en appartementen in aanbouw genomen met meer dan 17% ten op zichte van een maand eerder en de index voor de producentenprijzen ging amper of niet omhoog. Het IMF waarschuwt echter ook, dat het herstel wankel is en dat is terug te zien aan de aanhoudende krimp in de industriële productie en een benuttingsgraad van de capaciteit van 65%. Dat is historisch laag. Gelet op de zeer grote problemen in de automobielsector is het ten zeerste de vraag of hier snel een keer ten goede kan komen. De Deutsche Bank stelt in een rapport dat de huizenprijzen in de VS gemiddeld nog met 14% omlaag moeten voordat potentiële kopers bereid zijn het risico van een hypotheek te nemen. Van een herstel van de werkgelegenheid zal nog in 2009 noch in 2010 sprake zijn. Groene scheuten, ja, maar daar is dan alles mee gezegd.
En dan Europa, het werelddeel dat zich tot ver in 2008 op de borst klopte omdat de recessie hier geen voet aan de grond zou krijgen. Triomfantelijk spraken economen, beleidsmakers, politici en noem maar op van de overwinning van het Rijnlandse model op het Angelsaksische model. Van die triomfantelijkheid is nog maar weinig over en met recht. In landen als Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk is de huizenmarkt volledig ingestort en neemt de werkloosheid al maanden onstuimig toe. In Italië, Frankrijk en Duitsland breken politici zich het hoofd over de vraag hoe de voor de werkgelegenheid zo belangrijke automobielsector overeind te houden. In Oost- en Midden Europa is de burger puur bezig te overleven, omdat veel van de verworven welvaart gebouwd was op schulden. En toch en toch, maar ook in Europa zijn er groene scheuten. In het Verenigd Koninkrijk daalt het tempo in de groei van de werkloosheid en de industriële activiteiten groeien ‘al’ twee maanden op rij. In Duitsland, de locomotief van de Europese economie, steeg het investeringsvertrouwen naar het hoogste niveau in drie jaar, omdat er ook hier tekenen zijn dat het ergste achter de rug is. Groene loten, ja, maar ook niet meer dan dat. In april van dit jaar ging het verder bergafwaarts met de export en met de industriële productie. Zelfs de export naar China daalde in april, terwijl dat land wereldwijd ongeveer het enige echte lichtpunt is. Kortom, er is een begin van een Europees herstel, maar er is weinig voor nodig om dit herstel in de kiem te smoren. Opnieuw kan hier de bankensector schuldig aan zijn. S&P kwam met een zwartgallig rapport naar buiten. Daarin staat te lezen dat de 50 grootste Europese banken rekening moeten houden met afschrijvingen op de kredietportefeuille ter waarde van EUR 260 miljard. In 2010 zal het niet veel beter gaan. Over groene scheuten gesproken.
Ten slotte Nederland. Als we de wijzen van de Nederlandse Bank, de Rabobank en het Centraal Plan Bureau moeten geloven, moet hier het echte economische kladdaradatch nog komen, resulterend in een werkloosheid van bijna 10% van de beroepsbevolking in 2010. Het vreemde is dat dit vooruitzicht amper voor beroering zorgt. Overheid, bedrijfsleven en burger lijken het allemaal gelaten over zich heen te laten komen. Er is amper opwinding. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat ons land de gasbel begon te exploiteren. Sindsdien is er € 211 miljard in de schatkist gevloeid. Wat is er met al die talloos veel miljarden gebeurd? Het is grotendeels opgesoupeerd, opgegeten. Maakt zich hier iemand druk om? Nee, iedereen accepteert het gelaten. Waar staan de media bol van? Waar komt het Nationaal Historisch Museum? Dat is ook belangrijk, maar toch…. Waar zijn de Nederlandse groene scheuten?
Dan rest de vraag hoeveel groene scheuten of loten er al zijn? In Japan zijn er weer tekenen van leven en dat is te danken aan een weer voorzichtig groeiende export naar China en een herstel in het consumentenvertrouwen dat zich vertaald heeft in hogere consumptieve bestedingen. Maar dan zijn alle groene loten wel weer benoemd. De lonen staan onder druk, de prijsdruk is enorm, de werkloosheid blijft stijgen en fabrieksorders zijn op een dieptepunt beland.
En dan de VS, hoe gaat het in het land van de green shoots? Afgelopen week kwam er weer goed nieuws naar buiten. Volgens het IMF gaat het herstel in de VS sneller dan verwacht. 2009 zal nog een krimp laten zien van 2,5% (eerder 2,8%), maar in 2010 keert de groei terug en komt uit op 0,75% (eerder (0 %). Het groeiend optimisme is mede te danken aan het consumentenvertrouwen dat alweer een tijdje aan de beterende hand is. Ook begint het erop te lijken dat de huizenmarkt begint uit te bodemen. In mei steeg het aantal huizen en appartementen in aanbouw genomen met meer dan 17% ten op zichte van een maand eerder en de index voor de producentenprijzen ging amper of niet omhoog. Het IMF waarschuwt echter ook, dat het herstel wankel is en dat is terug te zien aan de aanhoudende krimp in de industriële productie en een benuttingsgraad van de capaciteit van 65%. Dat is historisch laag. Gelet op de zeer grote problemen in de automobielsector is het ten zeerste de vraag of hier snel een keer ten goede kan komen. De Deutsche Bank stelt in een rapport dat de huizenprijzen in de VS gemiddeld nog met 14% omlaag moeten voordat potentiële kopers bereid zijn het risico van een hypotheek te nemen. Van een herstel van de werkgelegenheid zal nog in 2009 noch in 2010 sprake zijn. Groene scheuten, ja, maar daar is dan alles mee gezegd.
En dan Europa, het werelddeel dat zich tot ver in 2008 op de borst klopte omdat de recessie hier geen voet aan de grond zou krijgen. Triomfantelijk spraken economen, beleidsmakers, politici en noem maar op van de overwinning van het Rijnlandse model op het Angelsaksische model. Van die triomfantelijkheid is nog maar weinig over en met recht. In landen als Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk is de huizenmarkt volledig ingestort en neemt de werkloosheid al maanden onstuimig toe. In Italië, Frankrijk en Duitsland breken politici zich het hoofd over de vraag hoe de voor de werkgelegenheid zo belangrijke automobielsector overeind te houden. In Oost- en Midden Europa is de burger puur bezig te overleven, omdat veel van de verworven welvaart gebouwd was op schulden. En toch en toch, maar ook in Europa zijn er groene scheuten. In het Verenigd Koninkrijk daalt het tempo in de groei van de werkloosheid en de industriële activiteiten groeien ‘al’ twee maanden op rij. In Duitsland, de locomotief van de Europese economie, steeg het investeringsvertrouwen naar het hoogste niveau in drie jaar, omdat er ook hier tekenen zijn dat het ergste achter de rug is. Groene loten, ja, maar ook niet meer dan dat. In april van dit jaar ging het verder bergafwaarts met de export en met de industriële productie. Zelfs de export naar China daalde in april, terwijl dat land wereldwijd ongeveer het enige echte lichtpunt is. Kortom, er is een begin van een Europees herstel, maar er is weinig voor nodig om dit herstel in de kiem te smoren. Opnieuw kan hier de bankensector schuldig aan zijn. S&P kwam met een zwartgallig rapport naar buiten. Daarin staat te lezen dat de 50 grootste Europese banken rekening moeten houden met afschrijvingen op de kredietportefeuille ter waarde van EUR 260 miljard. In 2010 zal het niet veel beter gaan. Over groene scheuten gesproken.
Ten slotte Nederland. Als we de wijzen van de Nederlandse Bank, de Rabobank en het Centraal Plan Bureau moeten geloven, moet hier het echte economische kladdaradatch nog komen, resulterend in een werkloosheid van bijna 10% van de beroepsbevolking in 2010. Het vreemde is dat dit vooruitzicht amper voor beroering zorgt. Overheid, bedrijfsleven en burger lijken het allemaal gelaten over zich heen te laten komen. Er is amper opwinding. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat ons land de gasbel begon te exploiteren. Sindsdien is er € 211 miljard in de schatkist gevloeid. Wat is er met al die talloos veel miljarden gebeurd? Het is grotendeels opgesoupeerd, opgegeten. Maakt zich hier iemand druk om? Nee, iedereen accepteert het gelaten. Waar staan de media bol van? Waar komt het Nationaal Historisch Museum? Dat is ook belangrijk, maar toch…. Waar zijn de Nederlandse groene scheuten?
Groene scheuten
Het toverwoord in deze crisis heet groene scheuten of loten. Ik geloof dat het Ben Bernanke was, de eerste man van de Fed, die dit begrip nog niet zo lang geleden introduceerde. Hij wilde er mee aangeven dat het er de schijn van had dat de economie weer tekenen van leven begon te vertonen. Die uitspraken droegen bij aan het sterk herstel op de financiële markten. Inmiddels is het begrip ‘green shoots’ of groene scheuten gemeengoed geworden en wordt het te pas en te onpas gebruikt om een meer optimistische boodschap te verkondigen. Een fraai staaltje was in het weekeinde van de 12de en 13de juni te horen bij een bijeenkomst van de G-8. De aanwezige ministers van Financiën bespraken er de noodzaak om plannen te maken hoe de tekorten terug te brengen als het economisch herstel eenmaal meer handen en voeten zou krijgen. Het IMF kreeg daar ook het verzoek om plannen op te stellen, zodat overheden in de verschillende westerse landen gecoördineerd hun deelnemingen in private bedrijven kunnen afbouwen. Regeren is vooruitzien, dat spreekt uit deze G-8-bijeenkomst.
Dan rest de vraag hoeveel groene scheuten of loten er al zijn? In Japan zijn er weer tekenen van leven en dat is te danken aan een weer voorzichtig groeiende export naar China en een herstel in het consumentenvertrouwen dat zich vertaald heeft in hogere consumptieve bestedingen. Maar dan zijn alle groene loten wel weer benoemd. De lonen staan onder druk, de prijsdruk is enorm, de werkloosheid blijft stijgen en fabrieksorders zijn op een dieptepunt beland.
En dan de VS, hoe gaat het in het land van de green shoots? Afgelopen week kwam er weer goed nieuws naar buiten. Volgens het IMF gaat het herstel in de VS sneller dan verwacht. 2009 zal nog een krimp laten zien van 2,5% (eerder 2,8%), maar in 2010 keert de groei terug en komt uit op 0,75% (eerder (0 %). Het groeiend optimisme is mede te danken aan het consumentenvertrouwen dat alweer een tijdje aan de beterende hand is. Ook begint het erop te lijken dat de huizenmarkt begint uit te bodemen. In mei steeg het aantal huizen en appartementen in aanbouw genomen met meer dan 17% ten op zichte van een maand eerder en de index voor de producentenprijzen ging amper of niet omhoog. Het IMF waarschuwt echter ook, dat het herstel wankel is en dat is terug te zien aan de aanhoudende krimp in de industriële productie en een benuttingsgraad van de capaciteit van 65%. Dat is historisch laag. Gelet op de zeer grote problemen in de automobielsector is het ten zeerste de vraag of hier snel een keer ten goede kan komen. De Deutsche Bank stelt in een rapport dat de huizenprijzen in de VS gemiddeld nog met 14% omlaag moeten voordat potentiële kopers bereid zijn het risico van een hypotheek te nemen. Van een herstel van de werkgelegenheid zal nog in 2009 noch in 2010 sprake zijn. Groene scheuten, ja, maar daar is dan alles mee gezegd.
En dan Europa, het werelddeel dat zich tot ver in 2008 op de borst klopte omdat de recessie hier geen voet aan de grond zou krijgen. Triomfantelijk spraken economen, beleidsmakers, politici en noem maar op van de overwinning van het Rijnlandse model op het Angelsaksische model. Van die triomfantelijkheid is nog maar weinig over en met recht. In landen als Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk is de huizenmarkt volledig ingestort en neemt de werkloosheid al maanden onstuimig toe. In Italië, Frankrijk en Duitsland breken politici zich het hoofd over de vraag hoe de voor de werkgelegenheid zo belangrijke automobielsector overeind te houden. In Oost- en Midden Europa is de burger puur bezig te overleven, omdat veel van de verworven welvaart gebouwd was op schulden. En toch en toch, maar ook in Europa zijn er groene scheuten. In het Verenigd Koninkrijk daalt het tempo in de groei van de werkloosheid en de industriële activiteiten groeien ‘al’ twee maanden op rij. In Duitsland, de locomotief van de Europese economie, steeg het investeringsvertrouwen naar het hoogste niveau in drie jaar, omdat er ook hier tekenen zijn dat het ergste achter de rug is. Groene loten, ja, maar ook niet meer dan dat. In april van dit jaar ging het verder bergafwaarts met de export en met de industriële productie. Zelfs de export naar China daalde in april, terwijl dat land wereldwijd ongeveer het enige echte lichtpunt is. Kortom, er is een begin van een Europees herstel, maar er is weinig voor nodig om dit herstel in de kiem te smoren. Opnieuw kan hier de bankensector schuldig aan zijn. S&P kwam met een zwartgallig rapport naar buiten. Daarin staat te lezen dat de 50 grootste Europese banken rekening moeten houden met afschrijvingen op de kredietportefeuille ter waarde van EUR 260 miljard. In 2010 zal het niet veel beter gaan. Over groene scheuten gesproken.
Ten slotte Nederland. Als we de wijzen van de Nederlandse Bank, de Rabobank en het Centraal Plan Bureau moeten geloven, moet hier het echte economische kladdaradatch nog komen, resulterend in een werkloosheid van bijna 10% van de beroepsbevolking in 2010. Het vreemde is dat dit vooruitzicht amper voor beroering zorgt. Overheid, bedrijfsleven en burger lijken het allemaal gelaten over zich heen te laten komen. Er is amper opwinding. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat ons land de gasbel begon te exploiteren. Sindsdien is er € 211 miljard in de schatkist gevloeid. Wat is er met al die talloos veel miljarden gebeurd? Het is grotendeels opgesoupeerd, opgegeten. Maakt zich hier iemand druk om? Nee, iedereen accepteert het gelaten. Waar staan de media bol van? Waar komt het Nationaal Historisch Museum? Dat is ook belangrijk, maar toch…. Waar zijn de Nederlandse groene scheuten?
Dan rest de vraag hoeveel groene scheuten of loten er al zijn? In Japan zijn er weer tekenen van leven en dat is te danken aan een weer voorzichtig groeiende export naar China en een herstel in het consumentenvertrouwen dat zich vertaald heeft in hogere consumptieve bestedingen. Maar dan zijn alle groene loten wel weer benoemd. De lonen staan onder druk, de prijsdruk is enorm, de werkloosheid blijft stijgen en fabrieksorders zijn op een dieptepunt beland.
En dan de VS, hoe gaat het in het land van de green shoots? Afgelopen week kwam er weer goed nieuws naar buiten. Volgens het IMF gaat het herstel in de VS sneller dan verwacht. 2009 zal nog een krimp laten zien van 2,5% (eerder 2,8%), maar in 2010 keert de groei terug en komt uit op 0,75% (eerder (0 %). Het groeiend optimisme is mede te danken aan het consumentenvertrouwen dat alweer een tijdje aan de beterende hand is. Ook begint het erop te lijken dat de huizenmarkt begint uit te bodemen. In mei steeg het aantal huizen en appartementen in aanbouw genomen met meer dan 17% ten op zichte van een maand eerder en de index voor de producentenprijzen ging amper of niet omhoog. Het IMF waarschuwt echter ook, dat het herstel wankel is en dat is terug te zien aan de aanhoudende krimp in de industriële productie en een benuttingsgraad van de capaciteit van 65%. Dat is historisch laag. Gelet op de zeer grote problemen in de automobielsector is het ten zeerste de vraag of hier snel een keer ten goede kan komen. De Deutsche Bank stelt in een rapport dat de huizenprijzen in de VS gemiddeld nog met 14% omlaag moeten voordat potentiële kopers bereid zijn het risico van een hypotheek te nemen. Van een herstel van de werkgelegenheid zal nog in 2009 noch in 2010 sprake zijn. Groene scheuten, ja, maar daar is dan alles mee gezegd.
En dan Europa, het werelddeel dat zich tot ver in 2008 op de borst klopte omdat de recessie hier geen voet aan de grond zou krijgen. Triomfantelijk spraken economen, beleidsmakers, politici en noem maar op van de overwinning van het Rijnlandse model op het Angelsaksische model. Van die triomfantelijkheid is nog maar weinig over en met recht. In landen als Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk is de huizenmarkt volledig ingestort en neemt de werkloosheid al maanden onstuimig toe. In Italië, Frankrijk en Duitsland breken politici zich het hoofd over de vraag hoe de voor de werkgelegenheid zo belangrijke automobielsector overeind te houden. In Oost- en Midden Europa is de burger puur bezig te overleven, omdat veel van de verworven welvaart gebouwd was op schulden. En toch en toch, maar ook in Europa zijn er groene scheuten. In het Verenigd Koninkrijk daalt het tempo in de groei van de werkloosheid en de industriële activiteiten groeien ‘al’ twee maanden op rij. In Duitsland, de locomotief van de Europese economie, steeg het investeringsvertrouwen naar het hoogste niveau in drie jaar, omdat er ook hier tekenen zijn dat het ergste achter de rug is. Groene loten, ja, maar ook niet meer dan dat. In april van dit jaar ging het verder bergafwaarts met de export en met de industriële productie. Zelfs de export naar China daalde in april, terwijl dat land wereldwijd ongeveer het enige echte lichtpunt is. Kortom, er is een begin van een Europees herstel, maar er is weinig voor nodig om dit herstel in de kiem te smoren. Opnieuw kan hier de bankensector schuldig aan zijn. S&P kwam met een zwartgallig rapport naar buiten. Daarin staat te lezen dat de 50 grootste Europese banken rekening moeten houden met afschrijvingen op de kredietportefeuille ter waarde van EUR 260 miljard. In 2010 zal het niet veel beter gaan. Over groene scheuten gesproken.
Ten slotte Nederland. Als we de wijzen van de Nederlandse Bank, de Rabobank en het Centraal Plan Bureau moeten geloven, moet hier het echte economische kladdaradatch nog komen, resulterend in een werkloosheid van bijna 10% van de beroepsbevolking in 2010. Het vreemde is dat dit vooruitzicht amper voor beroering zorgt. Overheid, bedrijfsleven en burger lijken het allemaal gelaten over zich heen te laten komen. Er is amper opwinding. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat ons land de gasbel begon te exploiteren. Sindsdien is er € 211 miljard in de schatkist gevloeid. Wat is er met al die talloos veel miljarden gebeurd? Het is grotendeels opgesoupeerd, opgegeten. Maakt zich hier iemand druk om? Nee, iedereen accepteert het gelaten. Waar staan de media bol van? Waar komt het Nationaal Historisch Museum? Dat is ook belangrijk, maar toch…. Waar zijn de Nederlandse groene scheuten?
woensdag 10 juni 2009
Energieschaarste komt terug
Op dinsdag bleef de prijs van een vat olie voor het eerst sinds november 2008 steken boven het niveau van $ 70,00. De olieprijs is de afgelopen maanden flink in beweging. Bedroeg de prijs in juli van 2008 nog $ 147,00 per vat, in december was de prijs gedaald naar $ 32,00 en een half jaar later is de prijs weer zo goed als verdubbeld.
Waar komt de recente stijging vandaan? Voor een klein gedeelte is die te verklaren uit de gebruikelijke reactie van de markt op berichten dat de Amerikaanse olievoorraden gedaald zijn. Belangrijker is echter de groeiende overtuiging in de markt dat de wereldwijde recessie ten einde loopt, waardoor investeerders nieuwe kansen ruiken en daarom zijn ze bereid meer risico te nemen. Een ander argument is, dat de olie als hedge kan dienen voor de dallende dollar. Zodoende zou er meer geld naar de financiële markten stromen, waar onder meer de commodities van lijken te profiteren. Gelet op de recente prijsstijgingen geldt dat niet alleen voor olie. Er zijn ook stijgingen in de agribusiness, softcommodities en metalen. De vraag is op zijn plaats of de markten nu niet heel erg ver vooruitlopen op de werkelijkheid en of hier de wens niet de vader van de gedachte is.
Misschien ontbreekt een duidelijke basis voor de prijsstijging voor het moment, al verandert dat weinig aan de onderliggende trends die dus wijzen op aanhoudende prijsstijgingen. British Petroleum (BP) kwam met het bericht dat in 2008 de bewezen olievoorraden afgenomen zijn en dat is voor het eerst sinds 1998[1]. De bewezen voorraden zijn vooral afgenomen in landen als Rusland, Noorwegen en China. Het Britse bedrijf is niet zo somber over de totale energievoorziening voor de komende decennia. Olie, gas en kolen zijn nog meer dan voldoende voorhanden. De topman van BP, Tony Hayward, zegt dan ook dat spanningen op de energiemarkt eerder door mensenhanden worden veroorzaakt dan door geologische uitputting. Hij doelt daarbij op protectionistische maatregelen van grote olieproducenten. Een belangrijke producent van olie en gas, Rusland, beziet zijn energievoorraden meer en meer als een strategisch wapen om zijn gewicht in de geopolitieke verhoudingen te vergroten. Vooral de EU mag er de komende jaren op rekenen dat het te maken krijgt met beperkingen in de gasleveranties.
Het protectionisme van Rusland, maar ook binnen de OPEC maakt het voor bedrijven als BP en Shell steeds moeilijker om hun eigen voorraden aan te vullen. Volgens ingewijden is geen van de grote oliemaatschappijen er de laatste zes jaar in geslaagd om hun output afdoende aan te vullen met nieuwe ontdekkingen of een verbeterde productie van bestaande velden.
Shelltopman Jeroen van de Veer is somberder dan zijn collega van BP. In een toespraak tijdens de Asia Oil and Gas Conference zei hij te verwachten dat de prijs voor olie de komende tijd weer de lucht in zal schieten. Voor hem zijn de belangrijkste boosdoeners de OPEC-landen, die de productie de laatste tijd fors hebben ingeperkt. Als er op korte termijn een economisch herstel van enige omvang komt, dan zullen er bijna onmiddellijk tekorten ontstaan. Het is in Van de Veer’s ogen bijna ondoenlijk die tekorten weg te werken, want door de dalende prijzen is de animo om te investeren eveneens gedaald. Volgens het Internationaal Energie Agentschap zullen de investeringen in 2009 met maar liefst 21% afnemen ten op zichte van 2008 en dan gaat het om een bedrag van $ 100 miljard. Een snel herstel van de economie moet de balans tussen vraag en aanbod wel verstoren en dat mondt uit in aanhoudende prijsstijgingen. Analisten bij Goldman Sachs gaan ervan uit dat de olieprijs dit jaar het niveau van $ 85,00 per vat bereikt.
Zijn de huidige prijsstijgingen per se slecht? Dat is nog maar ten zeerste de vraag. Het kan wel eens een blessing in disguise zijn. Hoe langer de prijs van een vat olie laag blijft, hoe groter de kans is dat nieuwe projecten niet eens meer op de tekentafel komen en hoe groter de kans dat de wereld op middellange termijn in een heuse energiecrisis terechtkomt[2]. De kans op een ingrijpende olieschok neemt nog toe, nu de energiebehoefte van landen als China en India voorlopig blijft groeien. In die zin kan het geen kwaad dat prijzen stijgen, want dan zullen investeringen hopelijk minder op de lange baan geschoven worden.
Cor Wijtvliet
[1] BP statistical review of worldenergy, june 2009
[2] The McKinsey Quarterly, Why energy demand will rebound, may 2009
Waar komt de recente stijging vandaan? Voor een klein gedeelte is die te verklaren uit de gebruikelijke reactie van de markt op berichten dat de Amerikaanse olievoorraden gedaald zijn. Belangrijker is echter de groeiende overtuiging in de markt dat de wereldwijde recessie ten einde loopt, waardoor investeerders nieuwe kansen ruiken en daarom zijn ze bereid meer risico te nemen. Een ander argument is, dat de olie als hedge kan dienen voor de dallende dollar. Zodoende zou er meer geld naar de financiële markten stromen, waar onder meer de commodities van lijken te profiteren. Gelet op de recente prijsstijgingen geldt dat niet alleen voor olie. Er zijn ook stijgingen in de agribusiness, softcommodities en metalen. De vraag is op zijn plaats of de markten nu niet heel erg ver vooruitlopen op de werkelijkheid en of hier de wens niet de vader van de gedachte is.
Misschien ontbreekt een duidelijke basis voor de prijsstijging voor het moment, al verandert dat weinig aan de onderliggende trends die dus wijzen op aanhoudende prijsstijgingen. British Petroleum (BP) kwam met het bericht dat in 2008 de bewezen olievoorraden afgenomen zijn en dat is voor het eerst sinds 1998[1]. De bewezen voorraden zijn vooral afgenomen in landen als Rusland, Noorwegen en China. Het Britse bedrijf is niet zo somber over de totale energievoorziening voor de komende decennia. Olie, gas en kolen zijn nog meer dan voldoende voorhanden. De topman van BP, Tony Hayward, zegt dan ook dat spanningen op de energiemarkt eerder door mensenhanden worden veroorzaakt dan door geologische uitputting. Hij doelt daarbij op protectionistische maatregelen van grote olieproducenten. Een belangrijke producent van olie en gas, Rusland, beziet zijn energievoorraden meer en meer als een strategisch wapen om zijn gewicht in de geopolitieke verhoudingen te vergroten. Vooral de EU mag er de komende jaren op rekenen dat het te maken krijgt met beperkingen in de gasleveranties.
Het protectionisme van Rusland, maar ook binnen de OPEC maakt het voor bedrijven als BP en Shell steeds moeilijker om hun eigen voorraden aan te vullen. Volgens ingewijden is geen van de grote oliemaatschappijen er de laatste zes jaar in geslaagd om hun output afdoende aan te vullen met nieuwe ontdekkingen of een verbeterde productie van bestaande velden.
Shelltopman Jeroen van de Veer is somberder dan zijn collega van BP. In een toespraak tijdens de Asia Oil and Gas Conference zei hij te verwachten dat de prijs voor olie de komende tijd weer de lucht in zal schieten. Voor hem zijn de belangrijkste boosdoeners de OPEC-landen, die de productie de laatste tijd fors hebben ingeperkt. Als er op korte termijn een economisch herstel van enige omvang komt, dan zullen er bijna onmiddellijk tekorten ontstaan. Het is in Van de Veer’s ogen bijna ondoenlijk die tekorten weg te werken, want door de dalende prijzen is de animo om te investeren eveneens gedaald. Volgens het Internationaal Energie Agentschap zullen de investeringen in 2009 met maar liefst 21% afnemen ten op zichte van 2008 en dan gaat het om een bedrag van $ 100 miljard. Een snel herstel van de economie moet de balans tussen vraag en aanbod wel verstoren en dat mondt uit in aanhoudende prijsstijgingen. Analisten bij Goldman Sachs gaan ervan uit dat de olieprijs dit jaar het niveau van $ 85,00 per vat bereikt.
Zijn de huidige prijsstijgingen per se slecht? Dat is nog maar ten zeerste de vraag. Het kan wel eens een blessing in disguise zijn. Hoe langer de prijs van een vat olie laag blijft, hoe groter de kans is dat nieuwe projecten niet eens meer op de tekentafel komen en hoe groter de kans dat de wereld op middellange termijn in een heuse energiecrisis terechtkomt[2]. De kans op een ingrijpende olieschok neemt nog toe, nu de energiebehoefte van landen als China en India voorlopig blijft groeien. In die zin kan het geen kwaad dat prijzen stijgen, want dan zullen investeringen hopelijk minder op de lange baan geschoven worden.
Cor Wijtvliet
[1] BP statistical review of worldenergy, june 2009
[2] The McKinsey Quarterly, Why energy demand will rebound, may 2009
donderdag 4 juni 2009
GM bezwijkt onder zijn pensioenverplichtingen
Maandag 2 juni is een historische dag. General Motors (GM), nog niet zo lang geleden de grootste en machtigste autoproducent ter wereld, heeft beschutting gezocht onder Chapter 11. Deze wet stelt het bedrijf in staat zijn schuldeisers op afstand te houden, terwijl het intern orde op zaken stelt. In het geval van GM betekent dit dat het bedrijf gaat bezien welke onderdelen het kan verkopen om zo de enorme schuldenlast te verminderen. Er heeft zich al een Chinese koper aangediend voor de Hummerdivisie en het is wachten op belangstelling voor de Saturn.
Hoe heeft het zover kunnen komen? Er is een veelheid van oorzaken aan te wijzen. GM had een kwaliteitsprobleem en dat was niet van vandaag of gisteren, maar het bedrijf worstelde er al wel decennialang mee. En dan was er nog een ontwerpprobleem. Was het bedrijf tot in de jaren zestig beroemd om zijn sprekende modellen, met de komst van de buitenlandse concurrentie verviel GM in de fout om uit kostenoverwegingen een soort eenheidsworst de weg op te sturen. Er was amper verschil tussen de Cadillac, de Dodge of de Pontiac. Het management is ook schuldig. Het haalde de neus op voor de concurrentie en schatte voortdurend de ontwikkelingen op de markt verkeerd in. Tot en met 2008 geloofde het management dat de energieprijzen wel weer naar beneden zouden gaan.
Maar er is nog een oorzaak voor de teloorgang van dit icoon van de Amerikaanse industrie en dat zijn de pensioenlasten en de kosten voor de gezondheidszorg. De kosten voor de gezondheidszorg rijzen de pan uit en belopen voor GM ongeveer $ 1.500 per geproduceerde auto[1]. En die kosten zullen bij ongewijzigd beleid alleen maar verder stijgen. GM betaalt niet alleen de zorgkosten voor zijn huidige werknemers en hun familie, maar ook voor al zijn gepensioneerden en hun aanhang. Dat worden er elk jaar meer, terwijl het aantal productieve werknemers alleen maar afneemt. Aan het einde van de vorige eeuw telde GM 180.000 werknemers en 400.000 pensioengerechtigden. Ter vergelijking, bij Toyota komen dezelfde kosten uit op $ 201 per auto. Naast de kosten voor gezondheidszorg betaalt General Motors ook nog een forse rekening voor de pensioenen van zijn werknemers. In de afgelopen 15 jaar komt dat neer op een bedrag van $ 55 miljard[2].
Deze forse financiële lasten vloeien voort uit het Verdrag van Detroit tussen bonden en werkgevers in 1949. Iedere werknemer mocht rekenen op een pensioenbijdrage van $ 125 per maand. Het was voor alle partijen een aantrekkelijke uitkomst van de onderhandelingen. Immers, de toenmalige werknemer van GM was jong en het bedrijf verkocht auto’s als warme broodjes. Het had in de VS een marktaandeel van 50%. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw ging het aandeel echter gestaag omlaag, terwijl het bedrijf steeds meer verplichtingen op zich nam om de bonden tevreden te houden. Het was een bewuste keuze van GM om te kiezen voor toekomstige verplichtingen in plaats van hogere lonen. In de jaren negentig, toen de nadelen van deze strategie allengs problemen duidelijker vorm kregen, werd het bedrijf gered door de gunstige koersontwikkelingen op de beurs. Die waren zo mooi, dat GM besloot zijn jaarlijkse pensioenstortingen te beperken. Dat pakte fnuikend uit toen de koersen in 2000 ineenstortten. In 2003 zag de autoproducent zich gedwongen een obligatielening uit te schrijven van $ 13,50 om de pensioentekorten aan te vullen. Het bedrijf had echter weinig van zijn fouten geleerd, want alweer in 2007 kocht het de bedrijfsonrust af door een fonds op te richten ter waarde van $ 30 miljard om zo de kosten voor gezondheidszorg voor de gepensioneerden te betalen. Ondanks alle inspanningen komt het pensioenfonds van GM nog steeds $ 20 miljard te kort.
En nu is er dan Chapiter 11. Zijn hiermee de pensioenproblemen ook van de baan? Dat is niet waarschijnlijk. Immers, voor zijn redding is GM volledig afhankelijk van de medewerking van de Amerikaanse overheid en de bonden, die 17% van de aandelen van het nieuwe GM zullen verwerven. Bovendien is er een wet die het bedrijven onder chapter 11 verbiedt om het niveau van de pensioenverplichting te verlagen zolang het bedrijf niet kan aantonen dat het ongemoeid laten ervan de mogelijkheden voor reorganisatie tenietdoet[3]. Met de overheid als geldschieter is zoiets niet aannemelijk te maken. Voor het moment lijkt GM gered, maar het is onduidelijk hoe een afgeslankt en vernieuwde autoreus kan ontkomen aan de verplichtingen van het oude GM.
[1] CM-CIC Securities, On the road again. A financial and extra-financial analysis of the auto industry. 2005
[2] R. Lowenstein, While America aged. How pensiondebts ruined General motors, stopped the NYC subways, Bankrupted San Diego and loom as the next financial crisis. Penguin Press, 2007
[3] D.J. Elliot, What happens to the GM pensions in bankruptcy? Brookings, 3 juni 2009
Hoe heeft het zover kunnen komen? Er is een veelheid van oorzaken aan te wijzen. GM had een kwaliteitsprobleem en dat was niet van vandaag of gisteren, maar het bedrijf worstelde er al wel decennialang mee. En dan was er nog een ontwerpprobleem. Was het bedrijf tot in de jaren zestig beroemd om zijn sprekende modellen, met de komst van de buitenlandse concurrentie verviel GM in de fout om uit kostenoverwegingen een soort eenheidsworst de weg op te sturen. Er was amper verschil tussen de Cadillac, de Dodge of de Pontiac. Het management is ook schuldig. Het haalde de neus op voor de concurrentie en schatte voortdurend de ontwikkelingen op de markt verkeerd in. Tot en met 2008 geloofde het management dat de energieprijzen wel weer naar beneden zouden gaan.
Maar er is nog een oorzaak voor de teloorgang van dit icoon van de Amerikaanse industrie en dat zijn de pensioenlasten en de kosten voor de gezondheidszorg. De kosten voor de gezondheidszorg rijzen de pan uit en belopen voor GM ongeveer $ 1.500 per geproduceerde auto[1]. En die kosten zullen bij ongewijzigd beleid alleen maar verder stijgen. GM betaalt niet alleen de zorgkosten voor zijn huidige werknemers en hun familie, maar ook voor al zijn gepensioneerden en hun aanhang. Dat worden er elk jaar meer, terwijl het aantal productieve werknemers alleen maar afneemt. Aan het einde van de vorige eeuw telde GM 180.000 werknemers en 400.000 pensioengerechtigden. Ter vergelijking, bij Toyota komen dezelfde kosten uit op $ 201 per auto. Naast de kosten voor gezondheidszorg betaalt General Motors ook nog een forse rekening voor de pensioenen van zijn werknemers. In de afgelopen 15 jaar komt dat neer op een bedrag van $ 55 miljard[2].
Deze forse financiële lasten vloeien voort uit het Verdrag van Detroit tussen bonden en werkgevers in 1949. Iedere werknemer mocht rekenen op een pensioenbijdrage van $ 125 per maand. Het was voor alle partijen een aantrekkelijke uitkomst van de onderhandelingen. Immers, de toenmalige werknemer van GM was jong en het bedrijf verkocht auto’s als warme broodjes. Het had in de VS een marktaandeel van 50%. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw ging het aandeel echter gestaag omlaag, terwijl het bedrijf steeds meer verplichtingen op zich nam om de bonden tevreden te houden. Het was een bewuste keuze van GM om te kiezen voor toekomstige verplichtingen in plaats van hogere lonen. In de jaren negentig, toen de nadelen van deze strategie allengs problemen duidelijker vorm kregen, werd het bedrijf gered door de gunstige koersontwikkelingen op de beurs. Die waren zo mooi, dat GM besloot zijn jaarlijkse pensioenstortingen te beperken. Dat pakte fnuikend uit toen de koersen in 2000 ineenstortten. In 2003 zag de autoproducent zich gedwongen een obligatielening uit te schrijven van $ 13,50 om de pensioentekorten aan te vullen. Het bedrijf had echter weinig van zijn fouten geleerd, want alweer in 2007 kocht het de bedrijfsonrust af door een fonds op te richten ter waarde van $ 30 miljard om zo de kosten voor gezondheidszorg voor de gepensioneerden te betalen. Ondanks alle inspanningen komt het pensioenfonds van GM nog steeds $ 20 miljard te kort.
En nu is er dan Chapiter 11. Zijn hiermee de pensioenproblemen ook van de baan? Dat is niet waarschijnlijk. Immers, voor zijn redding is GM volledig afhankelijk van de medewerking van de Amerikaanse overheid en de bonden, die 17% van de aandelen van het nieuwe GM zullen verwerven. Bovendien is er een wet die het bedrijven onder chapter 11 verbiedt om het niveau van de pensioenverplichting te verlagen zolang het bedrijf niet kan aantonen dat het ongemoeid laten ervan de mogelijkheden voor reorganisatie tenietdoet[3]. Met de overheid als geldschieter is zoiets niet aannemelijk te maken. Voor het moment lijkt GM gered, maar het is onduidelijk hoe een afgeslankt en vernieuwde autoreus kan ontkomen aan de verplichtingen van het oude GM.
[1] CM-CIC Securities, On the road again. A financial and extra-financial analysis of the auto industry. 2005
[2] R. Lowenstein, While America aged. How pensiondebts ruined General motors, stopped the NYC subways, Bankrupted San Diego and loom as the next financial crisis. Penguin Press, 2007
[3] D.J. Elliot, What happens to the GM pensions in bankruptcy? Brookings, 3 juni 2009
Abonneren op:
Posts (Atom)
