dinsdag 29 november 2011

De banken krimpen mee

De eurozone komt in een zelf gecreëerde recessie terecht. Dat lijkt praktisch onafwendbaar. De belangrijkste oorzaak voor deze recessie is het onvermogen van de Europese politiek om de ernst en de diepte van de crisis juist in te schatten. De Europese politieke elite handelde zoals het al decennia handelt: problemen worden vooruit geschoven in de hoop en verwachting dat de tijd zijn heilzame werking zal doen. Dat is een heel dure misvatting gebleken. Wat is eigenlijk de rol van de banken in het huidige tijdsgewricht. Zij waren in eerste instantie de aanjagers van de crisis van 2008. Sedertdien daalt bij voortduring de kritiek over de bankiers heen, dat hun restrictief beleid een gezond economisch herstel in de weg staat.

Banken en kredietverlening
Wat is er eigenlijk waar van de claim, dat het restrictieve beleid van banken toen en nu een gezond herstel van de economie in de weg staat? De bankiers van Goldman Sachs komen in een recent artikel tot de conclusie dat het de Europese bankensector niet voor de wind gaat en dat zulks inderdaad een bedreiging kan vormen voor het verwachte magere herstel 2012 . De bankiers stellen vast, dat de kredietverlening Europa breed aan het verkrappen is en in de periferie is die verkrapping aanzienlijk (Figuur 1).

Figuur 1


De verkrapping is te wijten aan een reeks van factoren. De belangrijkste is wel, dat de financiële sector problemen met de funding heeft. In Nederland is dat een bekend verschijnsel. Spaarders deponeren hun spaarcentjes liever bijvoorbeeld bij de pensioenfondsen dan bij de bank. Eigen onderzoek leert dat 16% van de Europese banken in oktober hogere eisen aan de kredietverlening stelde dan in de maand juli.
Naast een gebrekkige funding speelt ook de eis, dat banken een groter eigen vermogen moeten aanhouden. Dat is een van de lessen van de bankencrisis uit 2008. Het eigen vermogen was te laag, waardoor talloze banken dreigden om te vallen. Een groter eigen vermogen betekent wel dat de sector haar balans opnieuw op orde moet brengen en ook dat gaat ten koste van de kredietverlening. En ja, ook banken zijn het slachtoffer geworden van de financiële wanorde in de publieke sector geworden. Door het dumpen van obligaties van perifere landen door derde partijen, is de waarde van die obligaties, gehouden door banken, aanzienlijk verminderd. Zodoende is de waarde van het onderpand, dat de sector gebruikt voor leningen bij de ECB fors verminderd. Banken kunnen zodoende minder lenen en ook dat tast hun liquiditeitspositie aan.

Het niveau van kredietverlening
Vertaalt de groeiende intensiteit van de bancaire stressfactoren zich ook daadwerkelijk in een verlaging van de kredietverlening aan de private sector? Het antwoord moet nee luiden, met die toevoeging dat de data hierover met vertraging komen en daarmee geen echt beeld geven van de werkelijkheid. Tot en met september steeg de kredietverlening aan het Europese bedrijfsleven licht (0,4%), met dien verstande dat daar in de periferie absoluut geen sprake van was. Daar gaat de geldkraan dicht, zoals uit Figuur 2 spreekt. Nederland is een land waar tot en met september de kredietverlening licht steeg.

Figuur 2


Het volume van de kredietverlening is een deel van het verhaal, het andere deel is natuurlijk de prijs voor het krediet. Volgens Goldman Sachs was er in de onderzochte periode geen bewijs dat de rentetarieven omhoog gingen. Ook hier past de bemerking dat het om een totaalbeeld gaat en er geen differentiatie naar onderscheiden landen is. Een verklaring voor de lage interestlasten is mogelijk, dat het grote Europese bedrijfsleven nog goed in de slappe was zit en niet zoveel behoefte heeft aan nieuwe kredietlijnen.

Kredietverlening en economische groei
In hoeverre vormt een stagnerende kredietverlening door banken een rem op het economisch herstel? Goldman Sachs komt met de ontnuchterende opmerking, dat de band niet zo vanzelfsprekend is als het op het eerste gezicht lijkt. De groei in de post-Lehman periode kwam tot stand zonder een navenante stijging van het volume van de kredietverlening, zoals spreekt uit Figuur 3.
In een neergang is er sprake een duidelijkere correlatie, waarbij de economische neergang iets sneller verliep dan de daling in het kredietvolume.

Figuur 3


Conclusie
Het is te vroeg om ver reikende conclusies te trekken en het belang van banken in neergang en opgang te bagatelliseren. Zowel in de VS als in Europa had het grote bedrijfsleven de banken in de post-Lehman preiode niet nodig om zich te financieren. Ze waren, en zijn nog steeds, financieel sterk. Dat wil weer niet zeggen, dat het optreden van banken niet het verschil kan maken of een bepaalde sector opbloeit of niet. Zulks kan wel van invloed zijn op de hele economie. Alleen dat gegeven moet voldoende zijn om veel aandacht te besteden aan de stabilisering van het bankbedrijf. Een langdurige instabiliteit en het voortbestaan van genoemde stressfactoren zal in ieder geval op den duur een sta-in-de-weg zijn van een mogelijk pril herstel in Europa.
Anderzijds, Europese beleidsmakers zijn wat huiverig banken hard aan te pakken. Het belang van de sector voor de totale economie heet vitaal te zijn. Misschien is dat ook iets minder het geval. Dat moet beleidsmakers meer zelfvertrouwen geven.



European Weekly Analyst, The growth risk from banking sector tension. November 2011

dinsdag 22 november 2011

Het einde van de euro

Nog maar een jaar geleden was het ondenkbaar en onbespreekbaar, maar inmiddels is het ondenkbare denkbaar geworden en het onbespreekbare bespreekbaar: het einde van de euro. Het Europees politiek onvermogen heeft onmiskenbaar aangetoond, dat de euro niet goed functioneert. Er circuleren twee remedies om de euro gezond te maken. De eerste is om structuren binnen de eurozone te veranderen en te versterken en de tweede is om het lidmaatschap van de eurozone te wijzigen. In het laatste geval zijn er twee opties: a. een of meer zwakke landen verlaten de eurozone of b. een of meer sterke landen verlaten de zone. Nog afgezien of een exit van een of meerdere lidmaten mogelijk is, is het de vraag of exit vanuit financieel oogpunt wenselijk of haalbaar is. De Zwitserse bank UBS heeft gepoogd een kosten-batenanalyse te maken .

Een zwak lidmaat haakt af
De rationale om uit de eurozone te vertrekken is de constatering dat een dergelijk lidmaatschap het land meer kwaad dan goed doet. Dat lijkt logisch, maar de consequenties zullen enorm zijn. Om maar eens wat te noemen. Wat doet het vertrekkende lidmaat met zijn schulden? Blijven die in euro’s gedenomineerd of wordt de schuld omgezet in de eigen nieuwe valuta. Aan beide opties kleven nadelen. Als de schuld in euro’s gehandhaafd blijft, heeft het land in feite te maken met een vreemde valuta waar het geen zeggenschap over heeft. Handel en export moeten zorgen voor de broodnodige euro’s. Het is de vraag of dat lukt, want een exit gaat niet onopgemerkt voorbij en zal voor de nodige opschudding zorgen. Waarschijnlijk zal het vertrekkende land een streep door zijn nationale euroschulden zetten.
Het ligt echter voor de hand, dat het land voor een eigen valuta zal kiezen en zijn schuld daarin wil omzetten. Die transformatie zal weinig genade vinden in de ogen van de vele buitenlandse belanghebbenden. Voor hen zal de transformatie gelijk staan aan een default. Dat heeft lange termijnconsequenties voor het aantrekken van kapitaal. De kosten daarvoor gaan voor een lange periode omhoog.

Bedrijven zwaar getroffen
Maar niet alleen de overheid krijgt te maken met een default, ook het bedrijfsleven wordt er door getroffen. De overheid zal waarschijnlijk het nationale bedrijfsleven dwingen de nieuwe nationale munt te accepteren. Het lot van de een wordt zodoende het lot van de ander. De nieuwe valuta wordt uiteraard gewantrouwd en een scherpe depreciatie met 50% of 60% ligt voor de hand. UBS baseert zich bij deze schattingen op ervaringen van Latijns Amerikaanse landen aan het einde van de vorige eeuw. Dat maakt het voor het bedrijfsleven bijzonder moeilijke aan de buitenlandse verplichtingen te voldoen.

Bankrun
En tensotte is er het reële gevaar van een bankrun, dat het bancaire systeem op de knieën kan brengen. Verstandige spaarders zullen nog voordat de nieuwe munt geïntroduceerd wordt, hun tegoeden in euro’s van de bank halen en naar het buitenland brengen of verbergen onder het matras. Ze koesteren terecht wantrouwen jegens de nieuwe valuta. De overheid kan een bankrun alleen voorkomen door het opnemen van tegoeden te beperken of door het banksysteem voor een bepaalde periode stil te leggen. Dat is niet ondenkbaar, want dat gebeurde in de VS in 1932-33 toen de daar vigerende monetaire unie ineen klapte. Het uitstralingseffect van een bakrun kan groot zijn. Burgers van andere zwakke lidmaten kunnen besluiten uit veiligheidsoverwegingen hun tegoeden van de eigen bank te halen. Dat zou het Europese financiële systeem in een diepe crisis kunnen storten. Dat is echter een terzijde.

Zware last
UBS heeft geprobeerd op basis van voorbeelden uit de recente geschiedenis een optelsom te maken van deze en andere problemen en daar een kostenplaatje van te schetsen. Wat kost de scherpe afwaardering van de nieuwe munt, het wegvloeien van deposito’s, het tijdelijk stilvallen van het financieel systeem of het ineenstorten van handel exporten de burger van het vertrekkende land. De benchmark vormen de Zuid Europese landen. De initiële kosten zouden kunnen oplopen van euro 9500 tot euro 11500 per hoofd. Maar daar blijft het niet bij. De bank wijst erop dat er ook in de jaren daarna kosten zijn die verband houden met de afscheiding. Het bankwezen moet geherkapitaliseerd worden, de handelsproblemen zijn niet van het ene op het andere jaar verholpen en niet te vergeten de kosten om (vreemd) kapitaal aan te trekken stijgen voor een langere periode. In de eerste jaren na de scheiding zouden die kosten kunnen oplopen tot nog eens Eur 3000 tot Eur 4000 per hoofd per jaar.
Kortom, bezint eer ge begint. Een land moet wel heel goed weten waar ze aan begint voordat ze besluit de eurozone te verlaten. De overige lidmaten moeten op hun beurt goed beseffen wat ze aanrichten als ze een zwak lidmaat verzoeken af te haken.




UBS investment Research, Euro break-up – the consequences. September 2011

dinsdag 15 november 2011

Cleantech groeit groter

Energiezuinig of duurzaam of schone technologieën. Dit zijn woorden en begrippen die menig politicus in de mond bestorven lijken te liggen. Hetzelfde geldt voor de media. Er gaat praktisch geen week voorbij of we kunnen ergens wel een pleidooi lezen of horen om de Nederlandse samenleving duurzaam te schoeien en onze economie energiezuinig en schoon in te richten. Nederland heet ook steevast een van de landen die echt garen kan spinnen bij de omschakeling naar een meer duurzame economie en samenleving.

Top 100 bedrijven
Toch blijft dit soort pleidooien meestal steken in een ontroerend idealisme. Van boter bij de vis is amper sprake. Het is en blijft onduidelijk hoe groot en belangrijk deze sector is en of Nederland echt een prominente plaats inneemt.
Het Amerikaanse adviesbureau Cleantech Group probeert sinds 2002 met een jaarlijkse top 100 inzichtelijk te maken van welke segmenten uit de cleantechsector komende jaren commercieel een en ander verwacht mag worden of nog een tijdje nodig hebben om de kinderschoenen te ontgroeien.
Uit het lijstje van dit jaar spreekt dat de sector langzaam maar zeker volwassen wordt. Meer dan de helft van de bedrijven kwam ook al in het lijstje van 2010 voor en bijna een derde van de bedrijven schitterde al op de lijst van 2009. In Europa wil men nogal neerbuigend doen over de duurzame inspanningen van de VS, maar met 58 bedrijven is dit land de trotse koploper in deze top 100. Nederland steekt met 4 bedrijven grote landen als China en Frankrijk de loef af, maar moet weer wel het kleine Israel voorrang verlenen.

Sterke sectoren
Het zal weinigen verbazen dat het segment Energy Efficiency het best vertegenwoordigd is.

Figuur 1


Het is een breed werkterrein en de drempel om toe te treden is laag. Ook Sola is sterk vertegenwoordigd. Maar de verrassing van dit jaar is het segment Water and Wastewater met 12 vermeldingen tegen 8 in 2010. Verliezers zijn de segmenten Biofuels en Smart Grid. Dat wil niet zeggen, dat deze segmenten uit de gratie zijn geraakt of problemen hebben om hun technologie te verbeteren, maar veeleer dat bedrijven in deze segmenten of
overgenomen zijn of een beursgang hebben gemaakt. Anders gezegd, deze segmenten zijn volwassen aan het worden. Dat geldt trouwens ook voor het segment Solar.
Veel, zo niet de meeste bedrijven in deze top 100 zijn jong. Van twee is het geboortejaar zelfs 2010. In die zin is de trend in de cleantech te vergelijken met de gang van zaken rondom Internet een tiental jaar geleden. Nu gaat het evenals toen om de technologische belofte en soms ook om het aanwezige management. Meer dan de helft van de bedrijven verkeert nog in de fase van de productontwikkeling of in de fase van een pilot. Minder dan de helft heeft daadwerkelijk levensvatbare producten in de markt gezet.

Figuur 2


Uit Figuur 2 spreekt ook, dat nogal wat ´oudere´ bedrijven nog in de fase verkeren van productontwikkeling. Dat heeft veel, zo niet alles te maken met het segment waarin ze opereren. Het duurt simpelweg langer om binnen het segment Biofuels een commercieel aantrekkelijk product te ontwikkelen dan in het segment Energy Efficiency.

Funding
Uitgesplitst naar regio’s blijken de bedrijven in de VS iets jonger dan die in Europa, maar de Amerikanen slagen erin om sneller succesvol producten naar de markt te brengen. De bedrijven in de VS groeien ook harder en scheppen meer arbeidsplaatsen, gemiddeld 140 tegen 63 arbeidsplaatsen per bedrijf. De verklaring voor het verschil is waarschijnlijk, dat Amerikaanse bedrijven van meet af aan een betere toegang tot funding hebben. Wie figuur 3 nader bekijkt, mag concluderen dat de belangstelling van Venture Capitalists (VC) voor de Cleantechsector onverminderd groot blijft. In de afgelopen twee jaar ontvingen bedrijven uit de Top 100 gezamenlijk $ 4 miljard en dat is iets meer dan 25% van het totale bedrag dat VC investeerde in de cleantechsector in die periode. Het laatste percentage onderstreept wel dat VC een scherp oog heeft voor de prijs/kwaliteitsverhoudingen. De technologie moet top zijn en de commerciële mogelijkheden moeten evident zijn.

Figuur 3


David en Goliath
De cleantechsector is doende de kinderschoenen te ontgroeien. Het beste bewijs daarvoor is misschien wel de groeiende belangstelling van de ´corporates´ voor wat er in deze sector gebeurt. Die belangstelling is tweeledig. In de eerste plaats investeren de Goliaths in cleantech R&D, maar in de tweede plaats ontwikkelen ze een groeiende belangstelling voor wat al die start-ups te bieden hebben. R&D is duur en dan zijn samenwerkingsverbanden met de Davids een aantrekkelijk alternatief om de vinger aan de innovatieve pols te houden.

Tenslotte
Een Top 100 ontneemt het zicht op wat er allemaal gebeurt in het peloton van nieuwe en jonge bedrijven. Een Top 100 is vooral interessant voor partijen als venture capitalists die duidelijk willen krijgen welke segmenten voor het moment de meest aansprekende technologieën in huis hebben. Het biedt de mogelijkheid om door de bomen toch het bos te zien. Eén zaak spreekt onmiskenbaar uit dit soort lijstjes: de omschakeling naar een ware duurzame en schone economie nog wel even op zich laat wachten.

woensdag 9 november 2011

Met zeven miljard op deze aardkloot

November 2011 is min of meer een heugelijke maand. Vanaf nu telt de wereld 7 miljard inwoners. De kans is zeer groot dat deze boreling niet in een van de westerse landen het levenslicht ziet. Ongeveer 70% van de bevolkingsgroei vindt immers plaats buiten de 20 rijkste landen. De verwachting is, dat de wereldbevolking de komende decennia zal blijven groeien. De wereldbevolking piekt met 9 à 10 miljard rond 2050 om daarna te gaan dalen.

Dalend geboortecijfer
Veel economen zien demografische ontwikkelingen als sleutel tot toekomstige welvaart en het is daarom niet vreemd dat velen denken hun geld de komende decennia beter te kunnen investeren in India en in Afrika. Er is meer dan voldoende jeugd voor handen om de economie uit te bouwen en om tegelijkertijd een betrekkelijk kleine groep ouderen te ondersteunen zonder dat zulks veel financiële problemen oplevert. In India is anno nu 70% van de bevolking jonger dan 35 aar. In 2020 zal dat gemiddelde waarschijnlijk gedaald zijn tot 28 jaar. Vergelijk dat eens met een gemiddelde van 49 voor Europa.
Economen omschrijven deze ontwikkeling als het demografisch dividend van een land. Malthusiaans geïnspireerde denkers, wijzen op de schaduwzijden van deze aanhoudende bevolkingsexplosie. In 2030 zal ongeveer 20% van de wereldbevolking wonen in India, dat slechts 3% van het aardoppervlak groot is. De enorme druk op de omgeving, watervoorraden, infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg laat zich raden.
Het goede nieuws is echter, dat de geboorte-explosie zijn langste tijd gehad heeft. De oorzaak daarvoor is toe te schrijven aan de groeiende welvaart. De Indiase middenklasse is nu ongeveer 160 miljoen mensen groot. In de komende vijf jaar zal deze klasse met ruim 100 miljoen toenemen. Juist deze snel groeiende groep wenst minder kinderen om meer profijt te trekken van hun nieuw verworven status. Een gunstige factor is ook het stijgende onderwijsniveau onder jonge, verstedelijkte vrouwen. In sommige delen van het platteland is echter van onderwijs aan meisjes nog maar amper of geen sprake.
Laat een werkelijke daling van het geboortecijfer in India nog even op zich wachten, in andere delen van de wereld, zoals Latijns Amerika en delen va Afrika is die daling al een feit. Die positieve ontwikkeling wordt in Afrika aan het ondeskundige oog onttrokken, omdat 39 van de 55 landen in dat werelddeel een hoog geboortecijfer kennen. De werkelijkheid is echter volgens de VN dat pakweg 75% van de wereldbevolking woont in landen met een laag geboortecijfer. Daar behoren landen toe als Brazilië, Rusland en China. Figuur 1 laat zien wat op termijn hier de gevolgen van zijn.

Figuur 1


Toenemende vergrijzing
Het beeld van een bijna wereldwijde daling van het geboortecijfer strookt amper of niet met de gangbare opvattingen in het Westen. Wat al helemaal niet strookt met de overheersende visie op de ontwikkelingslanden is dat van de 59 landen met een daadwerkelijke dalende bevolkingsomvang, er 18 ontwikkelingslanden zijn. Dat betekent dat ook buiten Europa en de VS vergrijzing ook een rol van belang begint te spelen. Tot nu toe kon een land als China beschikken over een voldoende aanvoer van arbeidskrachten om de economische groei gaande te houden dankzij een dalende kindersterfte. Die positieve trend houdt langzaam maar zeker op. Sommige Amerikaanse politici zijn dan ook van mening dat they(Chinezen) will grow old before they get rich. China is niet het enige ontwikkelingsland waar op korte termijn vergrijzing een probleem gaat vormen. Volgens het US Census Bureau zal in 2040 75% van alle 65 plussers in ontwikkelingslanden wonen. Sterker nog, de vergrijzing gaat in sommige ontwikkelingslanden nog sneller dan in ontwikkelde landen. In 2008 kwam 80% van de netto toename van 65 plussers voor rekening van de ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden gaan derhalve demografisch meer lijken op ontwikkelde landen dan menigeen lief is. Het grote verschil is immers dat in deze landen geen sociale infrastructuur bestaat die de traditionele rol van de kinderen kan overnemen. Daarmee zien een groeiend aantal ontwikkelingslanden zich min of meer onverwachts voor problemen gesteld, waarmee tot voor kort niemand rekening hield (wie zal dat betalen?).

Japan, het vergrijzende voorbeeld
Wat de gevolgen zijn van een ontgroenende en vergrijzende samenleving? Daar is Japan op dit moment het beste voorbeeld van. De bevolking krimpt met meer dan 100 duizend per jaar. Naar het zich laat aanzien zal het land in 2055 evenveel inwoners tellen als in 1955 en wel 90 miljoen. Dat zijn er ruim 30 miljoen minder dan nu. De beroepsbevolking gaat in de periode tot 2055 nagenoeg halveren, terwijl het aantal 65 plussers explodeert. Wie gaat de kosten van de vergrijzing betalen nu het aantal schouders om de lasten te dragen snel afneemt? Tot nu toe draagt de Japanse overheid zelf veel van deze lasten met als gevolg dat de staatschuld van Japan veel groter is dan bijvoorbeeld van Griekenland of Italië. En de kosten blijven voorlopig alleen maar stijgen, omdat er onvoldoende politieke consensus is om nieuw beleid te formuleren. Het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd is bespreekbaar, maar het stimuleren van arbeidsimmigratie is dat allesbehalve. Hetzelfde geldt voor aanpassing van het belastingsysteem. Hoewel ‘de ouderen’ hele grote spaartegoeden bezitten, worden ze fiscaal ontzien. De fiscale rekening ligt nog steeds bij de beroepsbevolking die ook nog eens moet opdraaien voor stijgende pensioenlasten. Het gevolg is dat de bestedingskracht van de beroepsbevolking afneemt, terwijl die van de pensionado’s blijft stijgen. Hun consumptieve wensen zijn echter beperkt, waardoor hun besparingen alleen maar groeien. Economisch gezien is dit een doodlopende weg. Het adhoc beleid van Japan mag daarom gelden als waarschuwend voorbeeld en niet als lokkend voorbeeld. Het wegkijken van de problemen doet de problemen niet verdwijnen. Japan laat ook zien, dat er voorlopig meer vragen dan antwoorden zijn als het om vergrijzing gaat. Het meest verontrustende is wel, dat Japan economisch gesproken al 20 jaar in een deflatoire omgeving verkeert. De economie stagneert en er is weinig hoop dat er een einde komt aan deze stagnatie. Japan is zijn vitaliteit kwijt en daar spelen demografische trends een kwalijke rol bij.

Bron: The Financial Times, New Demografics, Oktober 2011

dinsdag 1 november 2011

Ook met China kan het misgaan

In tijden van nood is iedereen op zoek naar een veilige haven. In 2008 nam China de traditionele rol van de VS over als locomotief voor de wereldeconomie. Het land wist zich verrassend snel te herstellen van de crisis op de financiële markten. Een ‘luttele’ som van Euro 500 miljard was voldoende stimulans om de groei te herstellen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat menigeen op zoek naar stabiliteit en groei nu opnieuw de blik oostwaarts richt.

Track record
Als het om economische groei gaat, kan het land bogen op een geweldige track record. Sinds de dood van Mao heeft het land zich onstuimig ontwikkeld, waarbij percentages van 9% of 10% eerder regel dan uitzondering waren. Op het eerste gezicht is er weinig reden om aan te nemen dat dit patroon van exceptionele groei spoedig gaat veranderen. De levensstandaard van de bevolking is er nog steeds een van een derde wereldland. Er moet nog heel wat groei verstouwd worden voordat het welvaartsniveau zelfs meer in de buurt komt van wat gebruikelijk is in het westen. Daar staat tegenover dat er aan de Chinese groeispurt nogal wat haken en ogen zitten. Zo is het beslag op de natuurlijke rijkdommen van een tot dusver ongekende omvang. Hoe lang gaat dat nog goed? Een ander probleem kan de houding van de bevolking ten opzichte van de communistische partij worden. Tot dusverre heeft de nieuwe middenklasse vrede met de huidige politieke gang van zaken. Maar ook hier dringt de vraag zich op hoe lang dat nog goed blijft gaan .

Resultaten uit het verleden
Het trackrecord van China is sinds 1978 meer dan uitstekend, maar zoals het gezegde luidt: resultaten uit verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Er is voldoende reden om bezorgd te zijn. De Chinezen zelf zijn helemaal niet zo gerust op de (nabije) toekomst. Nog onlangs omschreef premier Wen Jiabao de economie als instabiel . Het 12de vijfjarenplan pleit in dat kader voor een fundamentele wijziging van de Chinese economie. Het tempo van de groei moet terug naar 7%. De structuur van een economie die drijft op investeringen in industriële capaciteit moet omgebouwd worden naar een economie waar de consument meer aan zijn trekken komt. Dat klink mooi, maar de ervaring leert dat een dergelijk transitieproces niet zonder horten of stoten verloopt.
Het hoge niveau van kapitaalsinvesteringen was mede mogelijk door de bestedingsruimte van de burger kunstmatig te beperken. De expansie wordt in feite gesubsidieerd door de burger tekort te doen. Het noodzakelijkerwijs opheffen van deze bestedingsbeperking zal uitmonden in een forse krimp van investeringen en productiviteit. Dat bewijst in ieder geval de Japanse ervaring in de jaren negentig van de vorige eeuw.
Zoals de zaken er nu voorstaan lijkt China aan de vooravond te staan van een forse economische klap . Veel investeringen kunnen amper renderen zonder de kunstmatige barrières. Die barrières houden de rente kunstmatig laag en dat heeft de kredietintensiteit van de economie een ongezonde stimulans gegeven. Het effect van het hoge niveau van kredietverlening is echter omgekeerd evenredig aan de omvang. Voor iedere punt groei van de economie is in 2011 een kredietverlening van 4.3 punt nodig. In 2009 was de verhouding 1:1,3. Het afnemen van de effectiviteit is begrijpelijk, wanneer men bedenkt dat het niveau van investeringen in 2011 ongeveer 47% van het BNP bedraagt. Als de economische groei zou terug gaan vallen naar de beoogde 7% dan kunnen investeringen met ongeveer 15% dalen. Dat zou helmaal niet rampzalig zijn. Maar als die daling gepaard gaat met een verschuiving van inkomen naar de consument, dan zou de daling van het investeringsniveau nog veel groter kunnen uitvallen. Van een motor voor groei zouden de investeringen een bron van stagnatie kunnen worden. De weg naar een economie die steunt op een lagere groei en meer consumptie zou wel eens een lange en hobbelige kunnen zijn. Ook hier fungeert Japan als getuige à charge.



Bronnen
David Piling, China crashes into a middle class revolt, Financial Times, 4 augustus 2011
David Piling, China’s risky game of cat and mouse censorship, Financial Times, 18 augustus 2011

Martin Wolf, How China could yet fail like Japan, Financial Times, 15 juni 2011
Georg Magnus, China risks credit-fuelled Minsky moment, Financial Times, 3 mei 2011