maandag 17 december 2012

Offshoring is ouderwets

In maart van dit jaar schreef Jeffrey Immelt, de hoogste baas van General Electric (GE) in Harvard Business Review, dat offshoring van industriële activiteiten gedeeltelijk een achterhaald businessmodel was geworden. Hij onderstreepte zijn stelling met de verwijzing naar een investering van $ 800 miljoen in de productiecapaciteit voor huishoudelijke apparatuur in de VS. Wijzigende verhoudingen Waar stoelt de logica op, dat het winstgevender is om huishoudelijke apparatuur in de VS te maken dan bijvoorbeeld in China? Sterker nog, waarom volgen andere Amerikaanse bedrijven het voorbeeld van GE? Sinds 2000, toen de offshoring van industriële activiteiten echt vorm begon aan te nemen is er een en ander fundamenteel veranderd. Zo zijn de olieprijzen sinds dat jaar verdrievoudigd en dat heeft uiteraard negatieve effecten op de transportkosten. Daar komt nog bij, dat de kosten voor energie voor bedrijven in de VS zeer sterk gedaald zijn. Dankzij de overvloedige aanwezigheid van schaliegas bedraagt de energierekening voor bedrijven soms nog slechts 20% in vergelijking met die van de dochterondernemingen in Azië. Maar ook zijn de kosten voor arbeid sterk veranderd. In China zijn lonen vervijfvoudigd sinds 2000 en zullen naar alle waarschijnlijkheid de komende jaren met gemiddeld 18% doorstijgen. In de VS zijn de lonen in de productie-industrie aan het dalen, terwijl de productiviteit maar blijft stijgen. Lessen Met andere woorden, loonkosten zijn niet langer een argument om te gaan offshoren! GE was een van de eerste bedrijven die deze les ter harte nam. Er bleken echter meer lessen te leren. Outsourcing betekent dat het ontwerpen en de reële productie los van elkaar komen te staan. GE had amper inzicht hoe in China de dagelijkse productie tot stand kwam. Toen de productie terug kwam, bleek het niet zo moeilijk het ontwerp te innoveren en te stroomlijnen. De kosten konden zo omlaag dat ze zelfs lager uitvielen dan in China! Bijkomend voordeel was ook, dat de kwaliteit van het product fors verbeterd kon worden! Deze uitkomsten onderstrepen de misvatting van veel producenten, dat het in het productieproces eigenlijk alleen maar draait om de R&D, het ontwerp en de marketing van het product. Het product zelf doet er niet zoveel toe. Het maakt dus niet uit waar het gemaakt wordt, als de kosten maar laag zijn. De nieuwe praktijk laat zien, dat de scheiding van het ontwerpproces en het feitelijke productieproces leidt tot een vervaging van de kennis over juist het feitelijke proces! Ook het gevoel voor het product wordt steeds minder! De nieuwe praktijk wijst in de andere richting: door de onderlinge nabijheid van onderzoek en ontwerp stijgt de innovatiegraad en dalen daarbij uiteraard de kosten! Verkeerde argumenten Deze constatering heeft een vervelende consequentie. Het hele proces van offshoring kan wel eens op verkeerde argumenten zijn gebouwd! En het argument bij uitstek was de prijs, de kosten voor de arbeid. Bedrijven hebben waarschijnlijk echter te weinig oog gehad voor de verborgen kosten van offshoring. Er zijn de directe kosten: Amerikaanse ingenieurs en Chinese managers kunnen niet met elkaar communiceren. De echte verborgen kosten sluipen er echter geleidelijk in. Zo vervlakken de eigen vaardigheden, waardoor producten niet alleen minder aantrekkelijk worden, maar ook kwalitatief minder! Uit onderzoek van bedrijven zelf komt naar voren, dat de winst van de offshoring vaak nihil of zelfs negatief is, als al deze verborgen kosten in de winst- en verliesrekening zichtbaar worden gemaakt. Het heeft echter tijd nodig voordat het management van een bedrijf zichzelf deze spiegel voorhoudt en durft vast te stellen dat een beslissing op verkeerde gronden genomen is. In de VS zijn ze nu zo ver. Nu is het wachten op ondernemers in Europa. Hier moet het begrip verborgen kosten nog opgeld doen. Men staart zich nog steeds blind op de lage arbeidskosten in landen als India of China. In deze barre economische tijden zou een proces van onshoring meer dan welkom zijn! Cor Wijtvliet Bron: Charles Fishman, The insourcing boom. Atlantic Magazine, December 2012

dinsdag 30 oktober 2012

Europa investeert structureel te weinig

Het gaat slecht met Europa. Dat stellen is hetzelfde als met veel geweld een open deur intrappen. Nederland zal de komende vier jaren aan den lijve ondervinden hoe slecht de werkelijke gang van zaken is. Daar zorgt het nieuwe kabinet wel voor. Enkele cijfers moeten duidelijk maken, dat een herstel er voorlopig niet inzit. De economie in dit deel van de wereld kromp 0,3% over het derde kwartaal en het ziet er niet naar uit dat het vierde kwartaal er veel beter zal uitzien. De krimp was eerst en vooral te danken aan een wel zeer zwakke binnenlandse vraag. Investeringsbereidheid Uit de cijfers blijkt ook, dat niet alleen de Europese consument de hand op de knip houdt, maar dat het bedrijfsleven misschien nog wel terughoudender is in zijn investeringsbereidheid. In vergelijking met een jaar eerder daalden de investeringen in Europa met 3% in het 2de kwartaal van dit jaar. Die dalende investeringsbereidheid is niet van vandaag of gisteren, maar houdt trouwens al enkele jaren aan. Het is een proces dat al is ingezet in 2008 en het niveau van investeringen is nu teruggezakt naar dat van 1999! Erger nog, sinds de crisis inzette zijn de netto-investeringen van het Europese bedrijfsleven nagenoeg gehalveerd (Figuur 1)! Figuur 1 vrije val van de netto-investeringen in Europa
Het is op zich niet vreemd, dat het niveau van investeringen in dit deel van de wereld onder druk staan. De problemen in de perifere landen mogen er zijn. Het is echter weer wel de vraag waarom ze in heel Europa zo zwak zijn, zelfs in een land als Duitsland. Volgens Goldman Sachs is de ontwikkeling van de investeringsbereidheid in dat land zelfs zwakker dan eigenlijk aangenomen had mogen worden. In de periode 2008/09 was de neergang dieper dan verwacht had mogen worden en in 2012 lopen de investeringen alweer 2 kwartalen op rij terug. Die daling valt niet te verklaren door meer investeringen van Duitse bedrijven in andere delen van de wereld! Ook in dat opzicht hebben Duitse bedrijven hun activiteiten terug geschroefd. Onzekerheid Ter verklaring van deze zwakke trend wijst Goldman op de hoge onzekerheid voor bedrijven. De zwakke economie gaat hand in hand met een groeiende politieke onzekerheid in Europa. In een klimaat van algehele onzekerheid is het voor bedrijven niet verstandig te gaan investeren, zeker niet als het bedrijf hier langlopende financiële verplichtingen moet aangaan! Goldman Sachs heeft daarom een Index voor Onzekerheid ontwikkeld. Zonder met bindende of verreikende conclusies te komen stellen de investmentbankiers vast, dat een daling in het niveau van investeringen in Duitsland samenvalt met groeiende politieke en financiële spanningen van dat moment. Aan het einde van 2008 en 2011 schiet de index de lucht in. Figuur 2 Index voor onzekerheid
Maar misschien spelen er ook nog andere factoren mee, dan de eurocrisis? Wie weet wordt het Duitse bedrijfsleven beïnvloed door een fundamenteel gevoel van onzekerheid over de trends in de hele wereld? De daling van de economische activiteiten in de periode 2008/09 was groter, sneller en dieper dan in welke periode sinds WO II. In de periode 1973-1975, de jaren na de eerste oliecrisis, daalde het niveau van de industriële orders met maar liefst 21%. Maar tussen 2007 en 2009 was de daling met 40% nog veel sneller en dieper. Met dat in het achterhoofd is het goed voorspelbaar dat bedrijven zich wel twee keer bedenken voordat ze omvangrijke investeringen plegen. Een hernieuwde scherpe crisis kan die al snel waardeloos maken. Daar komt nog bij, dat in de tijden van bittere nood de banken het lieten afweten en geen krediet ter beschikking stelden. Door de nieuwe regelgeving is de kans klein dat zulks in een toekomstige crisis anders zal uitpakken! Als dit deel van de analyse van Goldman Sachs juist is, dan kan het nog lang duren voordat investeringen gaan herstellen. Bedrijven delen op grote schaal de negatieve herinneringen aan de Recessie van enkele jaren terug. Pas als deze herinnering verflauwd is, zal er meer ruimte komen! Cor Wijtvliet Bron: Goldman Sachs, Uncertainty weighing on investment spending. Oktober 18 2012

dinsdag 9 oktober 2012

De VS zullen zichzelf opnieuw uitvinden

Hoe vaak is het einde van de VS als economische grootmacht al aangekondigd. Ontelbare keren! De bekendste bijdrage aan dit onderwerp is waarschijnlijk het boek van Paul Kennedy uit 1987, getiteld Rise and fall of great powers. Ook vandaag de dag leeft bij velen de overtuiging, dat het dit keer gedaan is met de VS als grootmacht. Het is nog maar een kwestie van tijd voordat het land van Uncle Sam overvleugeld zal worden door de Chinezen en in tweede instantie door de Indiërs. Niet alleen nemen de externe dreigingen toe, ook binnenlands maken de Amerikanen er een zootje van. Het politiek bestel is volledig gepolariseerd, de beroemde middenklasse brokkelt steeds verder af om over de overjarige infrastructuur maar te zwijgen. Ecologische hoofdstructuur Hebben de zwartkijkers het dit keer bij het rechte eind, of zullen VS, zoals zo vaak, vriend en vijand verrassen. Het zou best eens kunnen. Ondanks alles zijn de Amerikanen nog steeds een inventief en innovatief volk. Nog steeds gaat bijna 3% van het bnp naar R&D tegen nog geen 2% voor bijvoorbeeld Europa en 1,6% voor Nederland. Daarnaast kenen de VS een tamelijk uniek systeem voor private investeringen. Talloze durfkapitalisten beleggen nog steeds in technologische start-ups. Sylicon Valley is nog steeds een broedplaats voor ambitieuze bedrijven die giganten als Google en Apple naar de kroon willen steken! Het is deze ecologische hoofdstructuur van privaat kapitaal en technologische knowhow die ervoor zorgt dat innovaties in de VS nog steeds zeer snel hun beslag kunnen vinden. Een mooi voorbeeld geeft Apple. In 2007 introduceerde het de iPhone. In luttele jaren verwees het grote concurrenten als Nokia, Rim en Microsoft naar een plaats in de schaduw. Voor de eens oppermachtige telefoonbedrijven bleef er ook weinig anders over dan om de dominantie van Apple gelaten over zich te laten komen. In een uiterste reactie om te overleven als technologiegrootmacht bracht Google zijn android systeem op de markt en met ongekend succes. Het heeft nu 52% van de markt voor smartphones. De concurrentieslag tussen Google en Apple zorgde er bovendien voor, dat de VS in razend tempo hun achterstand op Europa in telecommunicatie omzette in een voorsprong. Van de eens zo trotse markleider Nokia is weinig meer over! Energievoorziening Als een van de dragers van het verval van de VS wordt steeds de wankele energievoorziening genoemd. De VS zijn in de afgelopen decennia voor het lessen van hun onlesbare dorst naar energie steeds meer van een (onbetrouwbare) buitenwacht afhankelijk geworden. Aan deze steeds meer uit de hand lopende onevenwichtigheid komt op afzienbare termijn een einde dankzij een techniek die alweer uit de jaren ’40 van de vorige eeuw stamt: fracking. Bedrijfjes als Devon Energy en Chesaspeake hebben deze oude technologie met veel succes gemoderniseerd. De VS zijn nu de belangrijkste producent ter wereld van schaliegas en schalieolie. Als de voortekenen niet bedriegen zal het land vanaf 2020 autarkisch op energiegebied zijn. Die nieuwe productie heeft al een dramatische prijsdaling voor energie tot gevolg met als niet te voorzien effect, dat de industrie in e VS nu een heuse low cost producer is geworden. Het adviesbureau Boston Consultancy gaat er daarom in een recent rapport van uit, dat de VS industrie in dit decennium ongeveer 3 miljoen banen gaat insourcen. Een bedrijf als GE is nu al bezig industriële activiteiten vanuit China over te hevelen naar de VS. Tenslotte Natuurlijk is niet elke innovatie zegenrijk. Fracking heeft duidelijk negatieve milieueffecten. En wat te denken van de zogeheten credit derivatives. Het overmatig gebruik ervan droeg behoorlijk bij aan het ontketenen van de crisis van 2008. Dat neemt niet weg, dat de VS in tegenstelling tot het oude Europa veel succesvoller is in het ontwikkelen en doorvoeren van innovaties. Wat is de laatste baanbrekende innovatie uit dit werelddeel? Het senseo-apparaat? Het is met de VS en beetje als met Mark Twain, die ooit opmerkte: The reports of my death are greatly exaggerated. Cor Wijtvliet

woensdag 19 september 2012

Heeft QE3 kans van slagen?

Onder leiding van Ben Bernanke is de Fed, het stelsel van centrale banken in de VS, begonnen aan een nieuwe langdurige reis. Maandelijks gaat de Fed voor onbepaalde tijd $ 45 miljard pompen in de markt voor hypotheken in de hoop zo de rente omlaag te brengen. Dat moet in de eerste plaats potentiële kopers verleiden eindelijk toch een woning te gaan kopen. Het inkoopprogramma moet in de tweede plaats de lasten voor de huidige huiseigenaren omlaag brengen. De uiteindelijke doelstelling is om en de huizenmarkt een impuls te geven en de consumenten meer financiële armslag te geven. Daardoor moet de economie een extra steuntje in de rug krijgen, wat moet resulteren in een blijvende verbetering van de arbeidsmarkt. Doelgroepen Hoe nobel de doelstelling ook, heeft QE3 wel kans van slagen? Zullen goedkopere hypotheken de consumptie stimuleren, waardoor de economie een extra impuls krijgt? Daar mag je vraagtekens bijzetten als je de potentiële doelgroepen voor het inkoopprogramma onder de loep neemt. Zullen werklozen, die leven van voedselbonnen, kunnen profiteren van QE3? Een goedkopere hypotheek is voor hen toch een ver-van-mijn-bed show. Deze groep zit met smart te wachten op en nieuwe baan, die hun koopkracht echt een impuls kan geven. De beruchte 1% in de VS zal beslist profiteren van het programma van de Fed. Alleen al de aankondiging van het programma heeft de waarde van hun beleggingsportefeuille verhoogd. Natuurlijk zullen ze profiteren van de mogelijkheid om hun hypotheek te herfinancieren. Dat alles verhoogt hun koopkracht, maar zullen ze daadwerkelijk meer gaan spenderen? Die kans is gering, want hun koopgedrag is traditiegetrouw al uitbundig! Als het programma weinig doet om het koopgedrag van de onderkant en van de bovenkant te stimuleren, helpt het dan de middenklassen? Van de zogeheten upper middle class is bekend, dat ze zich in de aanloop naar de crisisjaren dankzij een vloedgolf van goedkoop krediet letterlijk de misère in hebben gekocht. Ze hebben nu alles, maar bovenal een zee van schuld. Die moeten ze nu afbetalen en dan kunnen ze eindelijk gaan sparen voor hun pensioen. Het programma van de Fed heeft weinig of geen betekenis voor deze klasse. De lagere middenklasse staat er financieel misschien iets beter voor dan hun hogere tegenvoeters, maar veel kan het nooit zijn. Hun grootste zorg is echter niet hun schuld of de waarde van hun huis, maar vooral de vraag of ze morgen nog een baan hebben. Zolang de zekerheid daarover ontbreekt, is een lagere hypotheekrente mooi meegenomen maar dat is dan ook alles. De klasse gaat echt niet meer uitgeven. Wie blijven er dan nog over om QE3 tot een doorslaand succes te maken? Dat zijn in de eerste plaats natuurlijk de senioren. Deze groep, die ook in de VS snel in getal toeneemt, is traditiegetrouw geen kampioen consumeren. Eerder is het omgekeerde het geval. Ze minderen hun consumptie. De moderne senior is misschien wat uitbundiger, maar het is min of meer een vuistregel dat een vergrijzende samenleving minder consumeert. Wat nog resteert, is de jeugd. Die zitten, zoals bijna overal in de Westerse wereld, in de hoek waar de klappen vallen. Jeugdwerkloosheid, hoge studielasten, het zijn overal groeiende problemen en dus ook in de VS. The American dream is voor hen vooralsnog een verre werkelijkheid, een mythe bijna. Van hen valt geen enkele stimulans te verwachten. Oplossingen Evenals voor Europa zijn er ook voor de VS geen gemakkelijke oplossingen om aan de crisis te ontkomen. Evenals in Europa zal de VS bijvoorbeeld een nieuw en gezond fiscaal beleid moeten formuleren en implementeren. Dat vereist veel meer eensgezindheid op politiek en beleidsniveau. Voorlopig is dat in een sterk gepolariseerd politiek krachtenveld niet waarschijnlijk. Een herverkiezing van Obama zal hier weinig of niets aan kunnen veranderen. En dus moet de Fed het ene noodverband na het andere leggen om de verzwakkende patiënt in leven te houden. Wat zou een volgende stap kunnen zijn? Misschien moet Ben Bernanke zijn bijnaam van helicoptre Ben eer aan gaan doen! In het midden van het vorig decennium schreef hij in een artikel, dat hij ter bestrijding van ‘Japanse’ omstandigheden desnoods met een helikopter boven de VS zou gaan vliegen om geld uit strooien. De consument moest tegen elke prijs blijven consumeren! U kunt elke dag een nieuwsbrief van Cor Wijtvliet lezen op: www.gevestor.nl

dinsdag 21 augustus 2012

Duitsland heeft de toekomst van Europa in handen

Hoe lang sleept de Europese schuldencrisis zich al voort? Wie kan zich nog herinneren dat er in het najaar van 2009 vraagtekens gezet werden bij Griekse tekortcijfers? Wat ooit begon als een probleem in een klein land in een uithoek van Europa, is in drie jaar tijd uitgegroeid tot een crisis die de hele wereldeconomie bedreigt. En de oplossing? Is er iets van een oplossing in zicht? In zekere zin wel en de oplossing is nog steeds dezelfde als drie jaar geleden en luister naar de naam Duitsland. De toekomst van de periferie van de eurozone, maar eigenlijk van heel de eurozone is afhankelijk van de beleidskeuzes die Duitsland maakt. Ongekende bedragen Tot dusverre heeft Duitsland gekozen voor een aanpassingsproces in de periferie op basis van grootschalige bezuinigingen en interne devaluatie. Daardoor moeten de kosten omlaag en moet het competitief vermogen van de periferie hersteld worden. De schuld kan zo omlaag naar een dragelijk niveau. Het is een beleid dat jaren gaat duren en waarvan de kosten niet te ramen zijn, maar waarschijnlijk in de biljoenen euro’s gaat lopen. Daar waarschuwt althans Nouriel – dr. Doom – Roubini voor. Alleen al de financiële steun ter compensatie van de kapitaalvlucht uit de periferie zal jarenlang om ongekende bedragen vragen. Niet alleen het aanpassingsproces duurt jaren, maar datzelfde geldt voor het herstel van het vertrouwen van de markt in de perifere landen. De financiering van het aanpassingsproces in de periferie en het overeind houden van economisch/financieel zwakke landen zal volgens Roubini meer en meer op het bordje komen liggen van de ECB. Daar hoort het eigenlijk niet, maar politiek onvermogen en politieke onwil verhinderen om de Noodfondsen voldoende voor hun taak toe te rusten. Ongeloofwaardig scenario Volgens optimisten duurt dit aanpassingsproces inderdaad lang, maar zal het de integratie van de zone en de unie op verschillende terreinen bevorderen. Er zal waarschijnlijk een fiscale unie groeien, evenals een bankenunie en wie weet eindigt het hele proces met de komst van een politieke unie. Voor Roubini is dit een onwaarschijnlijk scenario. De problemen en de beren op de weg naar dit doel in de verte zijn groot en bijna ontelbaar. Hoe lang zal het bijvoorbeeld duren en hoeveel zal het kosten aan euro’s en menselijk leed voordat de perifere landen hun competitief vermogen hersteld hebben met behulp van interne devaluatie en een deflatoir beleid, zo vraagt Roubini zich af. Hoe lang zal het nog duren voordat de bevolking in de kernlanden genoeg heeft van de hoge financiële overdrachtskosten en nee zeggen tegen verdere hulp. Hoe lang zal het nog duren voordat de grootste economische verschillen tussen de lidstaten zijn weggewerkt. Hoe diep zal de huidige recessie Europa nog kunnen gaan treffen voordat het eindelijk beter wordt? Desintegratie Uit bovenstaande opsomming spreekt, dat Roubini niet in de huidige Duitse aanpak gelooft. De grote problemen, de zich verscherpende tegenstellingen tussen landen maken een geleidelijke desintegratie waarschijnlijker dan een verdere integratie. De rekening hiervoor zal hoog zijn. De grootschalige overdrachten van noord naar zuid zullen het evenwicht op de balans van de centrale baken van de noordelijke lidstaten voor langere tijd verstoren. Bovendien is de kans op massieve verliezen groot, als de garanties, die afgegeven zijn, opgeëist gaan worden. Dat kan de schuldenlast van de noordelijke lidstaten scherp verhogen. Als zaken zo gaan verlopen, dat zal er zich een ‘lelijke scheiding’ voltrekken tussen de huidige lidstaten en bondgenoten. Dat zou weer het einde van de Europese Unie kunnen inluiden. Scheiding Roubini zou het liefst zien, dat Duitsland nu zijn knopen telt en tot de conclusie komt dat het gekozen pad wel tot meer ellende moet leiden. Het land zou in zijn ogen moeten toezien op een ordentelijke ontbinding van de eurozone en de euro. De kosten daarvan zullen zeer aanzienlijk zijn. Er is nu echter nog tijd en gelegenheid een verstandige scheiding te organiseren, waardoor de interne markt kan blijven bestaan, evenals de Europese Unie. Dit scenario is voor Brussel maar ook voor Duitsland vooralsnog onbespreekbaar, hoewel de risico’s van de huidige strategie steeds duidelijker worden. Dat is misschien nog wel het ergste: Europa blijft onder Duitse leiding doormodderen, maar weigert over een plan B na te denken. Dat is wel handig om te hebben als de wal het schip onverhoopt gaat keren. Tot nu toe hebben de pessimisten meestal het gelijk aan hun kant gehad! Cor Wijtvliet Bron: Nouriel Roubini, Early Retirement for the Eurozone? Project Syndicate, August 15 2012 U kunt elke dag een nieuwsbrief van Cor Wijtvliet lezen op: www.gevestor.nl

donderdag 2 augustus 2012

Meer volatiliteit en minder groei

Van het verwachte economische herstel in 2012 komt weinig tot niets terecht. Europa zal waarschijnlijk een lichte krimp noteren en in de VS verschrompelt de groei naar 1% tot 1,5% in de tweede helft van het jaar. Dat is zonder meer een tegenvaller, maar daar moeten we in het Westen mee leren leven. Volgens het IMF zal dit deel van de wereld tot 2017 op een groei van gemiddeld 2% mogen rekenen. Dat is zwak, zeker als men bedenkt dat dit de jaren van economisch herstel horen te zijn na een crisis. Dan hoort de groei al snel 3% en meer te bedragen. Zwakke vraag Als verklaring voor deze zwakke groeiprestatie in jaren van herstel wijst het IMF op een zwakke vraag en op het beperkende fiscale beleid van overheden in dit deel van de wereld. Die zwakke vraag is echter een aanvechtbaar argument. Wereldwijd is er nog steeds sprake van een gezonde economische groei. De opkomende markten doen het verhoudingsgewijs nog steeds uitstekend. Ook de inflatie wijst niet op een zwakke vraag. Die lag hier de afgelopen jaren op of iets boven 2% en dat is niet abnormaal. Ook het prijspeil van commodities is niet van dien aard, dat dat duidt op een zwakke vraag. De prijs van een vat olie blijft hardnekkig hangen rond een niveau van $ 100. Structurele aanpassingen Dit deel van de wereld heeft veel meer te kampen met vereiste structurele aanpassingen dan met een zwakke vraag. Tot 2007/08 dreef de westerse economie op goedkoop krediet en op laag geprijsde importen. Van beiden is geen sprake meer. De prijzen voor commodities en energie zijn sinds het midden van het vorig decennium op een structureel hoger niveau komen te liggen door ontwikkelingen in zogeheten lage lonenlanden als China en haar buurlanden. De financiële crisis van 2007/08 maakte een abrupt einde aan de overvloedige beschikbaarheid van goedkoop krediet. Sindsdien ziet het westen zich voor de taak gesteld om activiteiten af te bouwen die juist gedijden dankzij dat goedkope krediet. Mooie voorbeelden daarvan zijn de bouw en het vastgoed. Dat vereist uiteraard een aanpassingsproces. Dat gaat echter niet vanzelf, omdat de condities waarop de groei in het westen steunde, al een lange periode van kracht waren. Die groeiperiode was van start gegaan in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ongeveer 25 jaar lang, tussen 1982 en 2007, bedroeg de groei gemiddeld 3%. Dat percentage wijkt niet af de percentages in eerdere periodes van langdurige economische expansie, zoals die van de jaren vijftig en zestig. Die laatste expansie kwam krakend tot stilstand aan het begin van de jaren zeventig. Daarop volgde een periode van bijna 10 jaren van lage groei en hoge volatiliteit. Overenkomsten Het is niet moeilijk om overeenkomsten te zien met de turbulente periode aan het einde van de jaren zeventig. Het westen had te kampen met een periode van stagflatie ( lage economische groei gecombineerd met een hoge inflatie). De twee oliecrises van die jaren waren een bron van volatiliteit en stelden beleidsmakers in dit deel van de wereld voor schier onoverkoombare problemen. Vanwege de onzekere en volatiele tijden liet de private sector het in deze jaren totaal afweten. Vandaag de dag zien we opnieuw een tegenvallend lage groei. Beleidsmakers zijn niet in staat om een coherente strategie te ontwikkelen om de (economische) problemen te lijf te gaan en opnieuw laat de private sector het helemaal afweten. Het is dan ook onrealistisch om te denken dat aan de huidige, moeilijke periode snel een einde zal komen. Misschien zal aan het einde van dit decennium de groei weer naar ‘oude’ niveaus terug keren. Dan moet wel aan enkele voorwaarden voldaan zijn. De belangrijkste is wel, dat het westen op zoek gaat naar nieuwe pijlers voor groei. De werkelijkheid van goedkoop krediet en al even goedkope kredieten is voorgoed voorbij. Groen en duurzaam lijken nu sleutelwoorden, maar gaan we het daar echt mee winnen? Cor Wijtvliet U kunt elke dag een nieuwsbrief van Cor Wijtvliet lezen op: www.gevestor.nl

maandag 23 juli 2012

Spanje staat in het brandpunt van de belangstelling. Het begint erop de lijken dat de redding van dit land en zijn bankenstelsel de werkelijke vuurdoop wordt voor de eurozone. Maar misschien leggen Europese beleidsbepalers van bijvoorbeeld de ECB wel de verkeerde accenten bij het smeden van de reddingsplannen. Volgens onderzoekers van Goldman Sachs wordt veel te weinig aandacht besteed aan de externe /buitenlandse verplichtingen van het land. Ten onrechte! Improductieve sectoren Welbeschouwd was economische groei in de jaren voor de crisis gebaseerd op sectoren, die niet konden bijdragen aan de export van goederen. Het ging dan vooral om de bouw en de publieke sector. Dat laatste onderstreept het gebrek aan competitief vermogen van het Spanje van toen. Bovendien stegen lonen sneller dan de productiviteit. Het kon niet anders over dit vertaalde zich in grote tekorten op de lopende rekening van het land. Toen de financiële crisis eenmaal een feit was veranderden de omstandigheden razendsnel. De kernlanden van de eurozone waren niet langer bereid/in staat om goedkoop krediet te verschaffen. Kredietverschaffing door de private sector aan landen met een tekort op de lopende rekening, waaronder Spanje, hield van de enen op de andere dag op. Dat vereiste aanpassingen van de perifere landen (landen met en tekort) en op beleidsniveau aanpassingen om een antwoord te vinden op de opdrogende kredietverlening. Spanje is daarmee het beste voorbeeld van waar het de afgelopen jaren allemaal misging. Dankzij het lidmaatschap van de monetaire unie bleef de rente in Spanje laag. Dat zorgde echter voor een onbalans die tot uitdrukking kwam in excessieve investeringen in de eerder gememoreerde niet-productieve bouwsector. In feite was de Spaanse economie oververhit, maar dat kwam vooral terug in de tekorten op de lopende rekening en excessieve leningen in het buitenland. Als Spanje geen lid was geweest van de unie en zodoende meer aangewezen was op eigen besparingen, dan was de rente naar alle waarschijnlijkheid eerder en sneller opgelopen. Daardoor zou van oververhitting van de economie geen sprake zijn geweest. Het lidmaatschap heeft uiteindelijk Spanje heel kwetsbaar gemaakt voor de prijs van krediet in de huidige crisis Productie en vraag zijn beide fors gekrompen toen die stroom ophield. Verhoogd risico Niet alleen de omvang van de buitenlandse verplichtingen zijn van belang, maar ook de samenstelling ervan. Volgens Goldman Sachs hebben die verplichtingen steeds meer het karakter gekregen van schuldpapier in plaats van andere vermogenstitels. De netto verplichtingen, schuldpapier en vermogenstitels vertegenwoordigen een waarde van 90% van het Spaanse BNP. De bruto externe verplichtingen zijn het dubbele van het Spaanse BNP, maar het bruto schuldpapier is goed voor 160%. Het IMF oordeelt dat een bruto externe schuld van 40% van het BNP al een verhoogd risico voor een land vertegenwoordigt. Een hoge bruto schuldpositie kan echter alleen voortduren als er voldoende vertrouwen is om deze schulden door te rollen. Recent onderzoek van Reinhart en Rogoff suggereert, dat dat vertrouwen begint te tanen bij 90% van het BNP. Welk percentage of welke grens voor externe schuld je ook hanteert om het internationale vertrouwen te bewaren, die van Spanje is telkenmale veel te hoog. Is de Spaanse externe schuld houdbaar? Volgens het IMF zal zo rond het jaar 2016 de tekorten op de lopende rekening verdwenen zijn. Dat zou vooral te danken zijn aan het herstel van de economische groei, een groei die te danken moeten zijn aan een herstel van het concurrerend vermogen van het land. Gelet op de huidige situatie is dat een tamelijk optimistische vooronderstelling. Het herstel van het concurrerend vermogen valt immers niet simpel samen met het aanpassen van de lonen. Het vereist ook een herstructurering van de Spaanse economie, zodat andere sectoren dan de bouw en de overheid een kans krijgen. Op den duur moet dat de exportpositie van Spanje verbeteren. Het is maar de vraag of Spanje deze klus in zijn eentje kan klaren zonder steun van buitenaf. Steun van buitenaf Die steun kan verschillende vormen aannemen. Te denken valt aan een nieuwe LTRO ronde waardoor de funding van banken verbetert tegen een lage rente. De kapitaalspositie van diezelfde banken kan verbeterd worden indien het ESM een aandeel neemt in de baken ter versterking van het eigen vermogen. Een versterkt bakwezen kan een bijdrage leveren aan verdergaande herstructurering van de economie op middellange termijn. Ten slotte zou het noodfonds kunnen besluiten rechtstreeks Spaans schuldpapier op te kopen. Spanje en andere perifere landen genieten nog steeds een groot voordeel boven bijvoorbeeld de Opkomend Landen. Die laatste moesten in hun eentje de klap van het opdrogen van het buitenlands krediet opvangen. Spanje en andere perifere landen mochten rekenen op bijstand van de ECB. Daardoor is hun economie uiteindelijk minder hard geraakt! Maar voor veel Spanjaarden zal dat een schrale troost zijn. Cor Wijtvliet U kunt elke dag een nieuwsbrief van Cor Wijtvliet lezen op: www.gevestor.nl

donderdag 12 juli 2012

Worden economische cycli steeds korter ?

Er lijkt iets merkwaardigs aan de hand in onze economie. Al enkele jaren op rij, zien we een terugkerend patroon. Sinds 2010 kondigt zich aan het begin van elk jaar een economisch herstel aan dat geleidelijk aan kracht verliest om aan het einde van het jaar weer enigszins tot leven te komen. Ook 2012 begon met de belofte dat het herstel er nu daadwerkelijk aan zat komen, zeker in de VS. Maar in de loop van de maanden is de situatie weer behoorlijk veranderd. Wereldwijd loopt de economische bedrijvigheid terug, de index voor inkoopmanagers laat zowel in de VS al in Europa en China een behoorlijke terugval zien. Centrale banken in de VS en Het Verenigd Koninkrijk overwegen een nieuwe ronde van stimulering en olieprijzen dalen. Kortere cycli Dat werpt de vraag op of de economische cycli sinds de financiële crisis korter zijn geworden en derhalve in aantal toenemen. Bij Goldmans Sachs denken ze dat er inderdaad iets veranderd is om er meteen aan toe te voegen, dat er geen overtuigend bewijs is. Toch laat bijvoorbeeld figuur 1 zien, dat de cycli in de afgelopen jaren korter dan gemiddeld zijn geweest. Figuur 1
Figuur 1 cycli worden korter Als we inderdaad met de nodige slagen om de arm mogen stellen dat de huidige reeks van cycli korter is, dan werpt dat uiteraard de vraag van het waarom op. Bij Goldman Sachs wijzen ze op twee factoren die de afgelopen jaren een doorslaggevende rol in de ontwikkeling van de economie hebben gespeeld. Het gaat dan om de richting van de olieprijs en het gevoerde monetaire en fiscale beleid. Vooral de olieprijs kan als een bijna automatische stabilisator beschouwd kan worden, zo lijkt het. Veranderde dynamiek Bij Goldman Sachs stellen ze vast dat in de jaren na de val van Lehman de economie van veel Westerse landen nog steeds zwaar leunt op stimulering door de overheid. De private sector is immers nog steeds druk met het afbouwen van de schuldenlast. Die stimuleringsprogramma’s zijn echter nogal hapsnap. De mogelijkheden voor een doeltreffend fiscaal beleid zijn beperkt, omdat veel landen al met grote tekorten werken. Ook het wapen van het rentebeleid begint bot te worden. Bij een rente van 0% raken de mogelijkheden geleidelijk op. Volgens Goldman Sachs is ook de impact van een alternatief beleid, bijvoorbeeld het opkopen van schatkistpapier, beperkt. De invloed reikt niet veel verder dan de aankondiging van een opkoopprogramma en de omvang ervan. Is het programma eenmaal in werking getreden, dan vervlakken de effecten al heel snel. Het beste is om onconventioneel beleid geheel tegen de marktverwachting in aan te kondigen. Echter, zodra het herstel zichtbaar wordt, stoppen beleidsmakers met het stimuleringsbeleid uit angst voor een opbloeien van de inflatie. Het wegvallen van stimulering werkt vandaag de dag echter als een rem op de groei. Niet alleen het kwakkelende fiscale en monetaire beleid is een rem op de groei, maar vooral de olieprijs, zo denkt Goldman Sachs. Olie is een onmisbaar, maar schaars goedje. De aanhoudende grote vraag uit vooral de opkomende markten overtreft met regelmaat de productie. Onder de huidige omstandigheden van krapte aan olie is er niet zoveel extra vraag nodig om de prijs omhoog te jagen. Zelfs de verwachting dat de economie verbetert, is al voldoende om de prijs omhoog te jagen (Fig. 2)! Een verbetering van de Index van Inkoopmanagers luidde een verhoging van de olieprijs in, die vervolgens het elan deed verpieteren en de economische activiteiten weer omlaag duwde. Figuur 2
Figuur 2 Groeiende samenhang tussen economische activiteit en de olieprijs Conclusie Mocht Goldman Sachs zelfs maar gedeeltelijk gelijk hebben, dan ziet het er niet goed uit voor de komende jaren. De wereldeconomie zal dan met (te) grote regelmaat blijven versnellen en vertragen. Het tempo van groei zal ook benden het gemiddelde blijven. Maar dat heeft te maken met twee factoren die hier niet ter sprake zijn gekomen. De eerste is het ontbreken van een nieuwe technologieboom, die de economie echt een blijvende impuls kan geven. De tweede is de situatie op de huizenmarkt. In veel landen is er zelfs nog geen begin van herstel zichtbaar en dat werkt remmend op de groei in een postbubbel periode. Er is kortom weinig reden voor vreugde voor de burger! Cor Wijtvliet Bron: Goldmans Sachs, The Role of Oil and Policy in the Stop-Start Recovery. July 4 2012 U kunt elke dag een nieuwsbrief van Cor Wijtvliet lezen op: www.gevestor.nl

maandag 16 april 2012

Big data

De Nederlandse overheid gaat opnieuw een poging wagen om meer jongeren te interesseren voor techniek en technologie. Zoals zaken er nu bijstaan, komt Nederland binnen enkele jaren vele tienduizenden technische handjes tekort op elk denkbaar werkniveau en werkterrein. Als ook deze poging mislukt, kan Nederland hier economisch een hoge rekening voor gaan betalen, als tenminste de consultants van McKinsey gelijk gaan krijgen.

Data en waarde
Dankzij de informatie technologie gaat de wereld gebukt onder een onafzienbare berg data – de zogeheten big data. Volgens de onderzoekers wordt het komende jaren een zaak ven eminent economisch belang om deze brei aan gegevens op ordentelijke wijze te ontsluiten en te analyseren. En die brei aan soms gedetailleerde informatie groeit alleen nog maar dankzij bijvoorbeeld de snelle groei van de sociale media.
McKinsey heeft onderzoek verricht in 5 sectoren van economie en maatschappelijk leven in zowel Europa en de VS om na te gaan of en in hoeverre analyse van deze data inderdaad waarde toe voegen. Het onderzoek heeft zeven breed geformuleerde conclusies opgeleverd.

Conclusies

De eerste is dat data steeds meer een productiefactor van belang worden naast de twee traditionele factoren arbeid en kapitaal.
De tweede conclusie luidt dat deze data op vijf manieren van grote betekenis kunnen zijn voor bedrijven, sectoren en overheden:
a. Door data transparant te maken wordt het belang nu hoger en zijn ze vaker en op meer manieren te gebruiken.
b. Door deze digitale data verstandig op te slaan zijn ze niet alleen vaker te gebruiken, maar kunnen ze ook steeds meer gedetailleerde informatie leveren op velerlei terrein, waardoor de kwaliteit van de managementbeslissingen beter wordt. Zo wordt het bijvoorbeeld gemakkelijk voor het management tijdig bij te sturen als ontwikkelingen niet gaan zoals eerder verwacht.
c. Big data maakt het mogelijk de klantsegmentatie verder te verbeteren en zo een op maat gesneden dienstverlening aan te bieden.
d. Big data maakt het mogelijk de kwaliteit van de beslissing op elk gewenst niveau binnen het bedrijf of overheidsdienst te verbeteren.
e. Dankzij een goed gebruik van big data kan het voor bedrijven gemakkelijker worden om de kwaliteit van nieuwe producten en diensten te verbeteren en beter af te stemmen op bijvoorbeeld de consumentenvoorkeur.

Uit de tweede conclusie vloeit de derde bijna automatisch voort. Big data zal de concurrentieverhoudingen blijvend gaan beïnvloeden. Wie het best de data weet te analyseren en te gebruiken neemt een voorsprong op de concurrentie in de sector. Big data kunnen innovatieprocessen bespoedigen. Snellere en betere innovatie vergroot uiteraard de productiviteit en kan de marges voor bedrijven verbeteren, zo luidt dan alweer conclusie vier. In sectoren als de detailhandel met traditioneel lage marges kunnen big data een stimulans betekenen. Natuurlijk is het nut van big data voor de ene sector groter dan voor de andere. Dat is conclusie vijf. De overheid kan zeer zeker profiteren, maar ook de financiële sector kan er veel profijt van trekken, evenals de IT sector (hard- en software) en de elektronica business.
Zoals zaken er nu bijstaan, heeft het Westen niet voldoende mensen om daadwerkelijk profijt van big data te trekken. Er zijn in de nabije toekomst te weinig technici en analytici voor handen om deze bergen van terrabytes aan gegevens te ordenen en te ontsluiten. Tegelijkertijd is de doorsnee manager niet in staat om echt aan de slag te gaan met deze nieuwe gegevens. Hij/zij ontbeert simpelweg de analytische vermogens om gebruik te maken van deze nieuwe gegevens. Het traditionele managershandboek heeft daar weinig of niets over te melden.
Om ten volle van big data te kunnen profiteren zal wet- en regelgeving aangepast moeten worden op zulke onderscheiden terreinen als privacy, veiligheid en intellectueel eigendom. Bedrijven zullen waarschijnlijk hun bedrijfsprocessen moeten gaan omvormen. Al was het maar om al die bronnen vol data binnen en buiten het bedrijf te integreren.

Ten slotte
Tot voor kort kom het westen het zich veroorloven slordig om te gaan met het menselijk kapitaal. De wereldeconomie, dat was het westen. Die luxepositie is weg. Het is daarom maar te hopen, dat ook in Nederland de belangstelling voor techniek en technologie groeit ten koste van vakken als communicatie of psychologie.

Cor Wijtvliet

Bron:
McKinsey, Big data: The next frontier for innovation, competition, and productivity. April 2011


maandag 19 maart 2012

Schuldsanering

De wereld worstelt alweer een aantal jaren met het afbouwen van een berg aan schulden. Dat kost tijd en veel moeite, zoveel is wel duidelijk. Het feit, dat de VS een van de landen is die zich door een schuldencrisis heen worstelt, maakt dat het hier om een probleem gaat dat de hele wereld raakt. Als het om Argentinië of om Thailand zou gaan, zouden de implicaties van dit proces veel minder verreikend zijn.

Stand van zaken
Het McKinsey Global Institute heeft de afgelopen jaren gepoogd om de gevolgen van de kredietbubbel in kaart te brengen en heeft daarover veel gepubliceerd. In januari van dit jaar kwam de laatste update uit, dat aangeeft hoever verschillende landen gevorderd zijn in het proces van schuldsanering.
Een van de hoopvolle uitkomsten is, dat de VS van alle westerse landen het verste gevorderd is in het proces van schuldsanering. Tussen 2008 en de eerste helft van 2011 daalde de schuldenlast als percentage van het bruto nationaal product met maar liefst 16% (Fig. 1).

Figuur 1


De schuldenlast van landen als Spanje en het Verenigd Koninkrijk blijven over dezelfde periode nog stijgen. Het grote verschil is dat de VS veel succesvoller zijn geweest in het op peil houden van hun productieve vermogens. In de VS is de schuldsanering ook in de financiële sector van start gegaan in tegenstelling tot Spanje en het Verenigd koninkrijk. Ook zijn de schulden van de huishoudens in absolute termen gedaald, hoewel Figuur 1 ook duidelijk maakt dat er nog een lange weg te gaan is wil het op het Zweedse niveau komen. Dat wil zeggen op een niveau dat goed te hanteren is.

Schuldenlast en risico’s
De VS staan er dus redelijk voor als het om schuldsanering gaat in vergelijking met de twee andere landen. Maar de VS genieten meer voordelen. Zo is de geaggregeerde schuldenlast van het land 279% van het BNP tegen 507% voor het VK en 363% voor Spanje. De hoge schuldenlast voor de Britten is te wijten aan de schuldenberg in de financiële sector, goed voor 219% van het BNP. Toch geniet het VK meer vertrouwen bij de financiële markten want het land kan tegen veel aantrekkelijkere renteniveaus lenen dan Spanje.
Hoewel de VS een forse stap in de goede richting heeft gezet, is de weg nog lang en vol gevaren. De VS kampen nog steeds met een volstrekt inefficiënt belastingsysteem, maar gelet op de politieke impasse op dit terrein is een spoedige aanpassing niet te verwachten.
Een andere manier om de schuldenberg snel en efficiënt weg te werken is het opvoeren van de export maar ook hiervan is weinig soelaas te verwachten. Het land is eenvoudig weg te goot om de exporten echt op te stuwen. Eigenlijk vormen investeringen de enige manier om schulden af te bouwen. Maar dan moeten het wel investeringen zijn die niet gebouwd zijn op kredietverlening. Wat voor de VS geldt, gaat ook grotendeels op voor het Verenigd Koninkrijk. Ook dit land moet zijn schuldenlast verminderen door het niveau van de export en van de bedrijfsinvesteringen te verhogen. En dan maar hopen dat de schuldencrisis op het vasteland onder controle blijft.
Spanje zal het vooral moeten hebben van een snel herstel van zijn export. Gelet op de hoge schuldenlast van het private bedrijfsleven(134%) is een herstel van de investeringen niet te verwachten.

Droeve boodschap
Een gemakkelijke en spoedige oplossing voor de schuldencrisis ligt voor geen van de drie betrokken landen voor de hand. De VS genieten misschien wel het beste perspectief. Zo bedraagt de schuldenlast van het bedrijfsleven slechts 72% van het BNP. De VS zijn hier veel verder gevorderd dan beide andere landen. Nu de prijzen voor vermogenstitels weer stabiliseren en de economie weer tekenen van leven vertoont, kan dit land wellicht spoedig een streep zetten door de fiscale en monetaire steunmaatregelen.
Voorzichtigheid is echter op zijn plaats. Een te snelle intrekking van steunmaatregelen kan de economie zomaar weer terug werpen in een recessie. Dat geldt natuurlijk nog meer voor de Europese landen. De droeve boodschap is volgens McKinsey dat de westerse wereld stappen heeft gezet in het proces van schuldsanering, forse stappen zelfs in het geval van de VS. Maar het hele proces is nog maar net begonnen. De eindstreep blijft nog enkele jaren uit het zicht.

Bron:
McKinsey, Debt and deleveraging, Januari 2012

zondag 26 februari 2012

Het blijft tobben in de periferie

Het ziet er naar uit, dat Griekenland tenminste tot 2015 gered is. Europa is bereid daar Euro 130 miljard voor op tafel te leggen en de banken zullen voor een bedrag van tenminste Euro 100 miljard afschrijven op Griekse schulden. Bij de uitkomst van al die inspanningen mag je vraagtekens zetten. Als alles gaat, zoals nu voorzien zal de Griekse schuld in 2020 gedaald van 160% van het Bruto Nationaal Product (BNP) tot 120%.
Het Griekse voorbeeld geeft helder aan hoe hardnekkig en ook hoe langdurig de problemen van de perifere landen zijn.

Niet van vandaag of gisteren
De problemen, waar ook landen als Ierland en Spanje mee worstelen, zijn in een reeks van jaren opgebouwd. In de jaren voorafgaande aan de crisis bouwden de perifere landen een externe schuld op van meer dan 100% van het BNP (Fig. 1). Dat gebeurde in een tijd dat deze landen aan concurrerend vermogen inboetten, maar dat verlies kon gecompenseerd worden door op grote schaal leningen op de financiële markten af te sluiten tegen gunstige voorwaarden, dankzij het lidmaatschap van de Eurozone. Deze externe onbalans wordt binnenlands weerspiegeld door een onbalans in de verschillende sectoren van de economie.

Figuur 1


Er zijn in principe twee manieren om deze onbalans de wereld uit te helpen. De eerste is om het uitgavenpatroon aan te passen. Dat kan door de binnenlandse vraag te temperen en zodoende de importen te verlagen. Dat maakt het mogelijk meer binnenlands product te exporteren. Dat brengt meer evenwicht op de betalingsbalans met het buitenland en vermindert de binnenlandse tekorten. Dit is feitelijk de gewenste manier, maar dat zien we nu niet gebeuren in de periferie. De nadruk ligt nu op het verlagen van de uitgaven. De importen lopen inderdaad terug en de betalingsbalans verbetert, maar dat is het gevolg van een zwakke vraag en een lage productie met als resultaat een krimpend BNP.

Spaanse lessen
In het geval van Griekenland lijken Europese beleidsmakers vooralsnog te kiezen voor het tweede aanpassingsproces. Het lijkt een heilloze weg met alsmaar meer bezuinigen, minder vraag en een steeds grotere economische krimp. De les zou moeten zijn, dat de combinatie van crisisachtige financiële omstandigheden in de vorm van een hoge rente op leningen en een streng bezuinigingsbeleid weliswaar de snelste manier is om tekorten weg te werken, maar niet per se de beste. Er is geen groei, alleen maar krimp. Het is de opdracht van beleidsmakers naar de mogelijke uitruil tussen het proces van bezuiniging en de invoering van economische hervormingen die de groei herstellen en bevorderen.
Het voorbeeld van Spanje geeft aan hoe moeizaam een dergelijke uitruil verloopt, als er sowieso al mogelijkheden bestaan. De economie van dit land zal waarschijnlijk met 1,2% krimpen in 2012. Daaraan ligt ten grondslag dat de overheid bezuinigingen doorvoert ter waarde van 3% van het BNP en dat de verbetering van de financiële omstandigheden, zoals die in december gestalte kreeg in de vorm van een lagere rente op leningen, doorzet. Maar juist de ingrijpende bezuinigingen maken een uitruil bijkans onmogelijk. Er is geen bestedingsruimte meer. En dan maar hopen dat de gevraagde rente niet scherp gaat oplopen, want dan kan de krimp nog wel eens hoger uitvallen dan 1,2%.
De enige mogelijke positieve verrassing moet van buiten Spanje komen. Een land als Duitsland zou zijn binnenlandse vraag kunnen gaan stimuleren en dat zou de Spaanse export nieuwe kansen bieden. Dat zou de externe schuld versneld kunnen verminderen.
Het zou ook kunnen helpen als het benauwde Spaanse bankwezen adequaat profiteert van het zogeheten Long Term Refinancing Operation programma van de Europese Centrale Bank (ECB). Dat zou de armslag van het bankwezen verruimen en daardoor een zeker tegenwicht kunnen bieden aan het bezuinigingsprogramma.
Er zijn inderdaad lichtstraaltjes van hoop, maar dan mag er ook maar weinig misgaan! Die crisis, die is nog zomaar niet over.

Bron:
Goldman Sachs, Spain: Financial conditions force adjustment on peripheral economies, februari 2012

maandag 23 januari 2012

Olie, de bordjes worden verhangen

Het afgelopen jaar is het Westen weer eens met de neus op de feiten gedrukt. Politieke onrust in het Midden Oosten zorgt voor onrust op de energiemarkten. Landen als Saoedi Arabië en Iran zijn door het bezit van grote olievoorraden, van vitaal belang voor de westerse economieën. Verstoring van de rust kan verstoring van de aanvoer van energie tot gevolg hebben en dat is geen bijzonder prettig vooruitzicht.

Beleidswijziging
Westerse overheden hebben de afgelopen decennia met slechts weinig succes gepoogd die energieafhankelijkheid van het Midden Oosten maar ook van een politiek instabiel land als Rusland te verminderen. Zo gaat er behoorlijk veel geld naar het van de grond tillen van een ‘renewable energy’ sector, maar erg succesvol is het allemaal niet. Als de tekenen echter niet bedriegen, dan is het einde van de dominantie van het Midden Oosten op energiegebied voorbij. Die voortekenen behelzen het gedrag van de grote oliemaatschappijen. Die zijn de afgelopen jaren heel wat actiever geworden op hun traditionele thuismarkten.
De grote oliemaatschappijen hadden traditioneel weinig keuzes. Ze konden kiezen tussen olie produceren tegen lage kosten in politiek instabiele landen als Venezuela en Rusland waar het gevaar van bijvoorbeeld nationalisatie altijd aanwezig was en is. Of ze waren actief in de thuislanden waar de winning moeizaam was tegen hoge financiële en technologische kosten. Stabiliteit en betrouwbaarheid zijn min of meer gegarandeerd. De grote oliemaatschappijen kozen indertijd meestal voor de eerste optie. In de afgelopen jaren hebben bedrijven als Shell en Exxon hun positie moeten afstaan aan staatsbedrijven als Gazprom en Saoedi Aramco. Er bleef weinig anders over dan op zoek te gaan naar nieuwe vindplaatsen waarvoor nieuwe technologieën ontwikkeld moesten worden. Dat is een ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar die de komende jaren de nodige revenuen moet gaan genereren.
Het toeval wil, dat de Oliebedrijven hun nieuwe jacht- en wingronden voor een belangrijk deel hebben gevonden in hun thuismarkten. Daar hebben ze geïnvesteerd in nieuwe LNG productiefaciliteiten, daar zijn ze in steeds dieper water gaan boren, daar hebben ze nieuwe technologieën om teergronden te ontwikkelen en om schaliegas en schalieolie naar boven te halen.

Figuur 1


De cijfers zijn veelzeggend. Een bedrijf als Shell alloceert 70% van haar upstream investeringen in landen die lid zijn van de OECD. Bovenstaand Figuur 1 maakt in een oogopslag duidelijk dat dankzij deze investeringen over de afgelopen twintig jaar de bordjes in de energiewereld worden verhangen. Het zwaartepunt verhuist naar Australië, de America’s en in mindere mate Europa, waar vooral Polen en Roemenie grote voorraden aan schaliegas herbergen.

Consequenties
En zo kan het gebeuren dat als de voortekenen ons niet bedriegen, de Verenigde Staten in 2020 ’s werelds grootste producent van olie en gas zal zijn. Dat kan grote politieke en economische consequenties hebben. Naar mate de VS minder afhankelijk wordt van het Midden Oosten, zal de neiging om daar als politieman op te treden minder worden. Dat kan vervelend uitpakken voor Europa, dat tot nu toe de VS de hete kolen uit het vuur liet halen. Europa zal die rol deels moeten overnemen. In dit deel van de wereld bestaan grote milieutechnische bezwaren tegen het winnen van schalie gas en schalie olie, waardoor de afhankelijkheid van het Midden Oosten hoog blijft.
Consequenties dreigen ook voor de nog jonge sector voor renewable energy. Het is nog maar de vraag of overheden bereid zullen blijven in deze sector te investeren als conventionele energievoorraden zo groot blijken te zijn. Misschien zullen de marges van de oliemaatschappijen ook slachtoffer zijn. De prijs voor meer stabiliteit en betrouwbaarheid zijn waarschijnlijk hogere belastingen. Ach, ieder voordeel heeft ook zijn nadeel.

dinsdag 3 januari 2012

Historische parallellen

Wolfgang Münchau is een erkend en gerenommeerd columnist bij the Financial Times. In die hoedanigheid is hij een fel criticaster van de Europese politiek. Hij schuwt de stevig aangezette historische vergelijking niet om zijn opvatting duidelijk te maken. In een recente column pakt hij zelfs terug op de 30 jarige Oorlog (1618-1648) om zijn weerzin tegen de Europese politiek en politici kracht bij te zetten .

Griezelig
Voor wie het vergeten is: de Dertigjarige Oorlog was een strijd tussen katholieken en protestanten die voornamelijk op Duits grondgebied werd uitgevochten en die onvoorstelbare ellende en ravages aanrichtte. Natuurlijk gaat Münchau er niet vanuit dat de huidige crisis in de eurozone in een daadwerkelijke oorlog uitmondt. Hij wijst slechts op griezelige parallellen.

Evenals toen
Evenals toen heeft er in de eurozone een verschuiving in het machtsevenwicht plaatsgevonden. De afgelopen jaren is Duitsland tot de Europese machtsfactor bij uitstek uitgegroeid. Die dominantie roept bij een land als Frankrijk zowel ergernis op alsook dat het angst in boezemt. Even als toen is de directe aanleiding tot de crisis een tamelijk onbelangrijke gebeurtenis. Toen werden een aantal adviseurs van de koning van Bohemen vermoord. De directe aanleiding tot de huidige crisis was de fiscale ineenstorting van een perifeer land, Griekenland. Dit op zich onbelangrijke incident heeft Europa in tweeën gespleten. Een protestants Noorden stelt zich onverzoenlijk op tegen een katholiek zuiden en dit conflict lijkt steeds verder uit de hand te lopen. Evenals toen wordt de ene na de andere poging ondernomen om de crisis in te dammen, met steeds averechtse uitkomsten. Tijdens het laatste overleg in december verdiepte de crisis zich nog verder, omdat het Verenigd Koninkrijk koos voor haar historische positie in Splendid Isolation. In plaats van met één hebben de politici nu te maken met twee conflicten en is de complexiteit alleen maar toegenomen. En dat maakt een soepele oplossing steeds minder waarschijnlijk. Het alsmaar uitblijven van een oplossing zal niet uitmonden in een oorlog, maar kan de Europese economie wel bijna onherstelbare schade berokkenen.

Culturele tegenstellingen
Misschien tot zijn verbazing moet Münchau vast stellen dat de huidige crisis gedomineerd wordt door eeuwenoude tegenstellingen: protestants versus katholiek en het Verenigd Koninkrijk versus het Continent. Die aloude tegenstellingen kunnen wel eens ten grondslag liggen aan het monstrum dat we monetaire unie noemen. Het was eerst en vooral bedoeld om diepliggende Duitse gevoelens van onlust te bezweren en weg te nemen. Een andere historische parallel is de manier waarop de Europese politieke besluitvorming werkt. Het Verdrag van Westfalen maakte de facto een einde aan het Heilige Roomse Rijk en veranderde centraal Europa in een lappendeken van kleinere en grotere staatjes, waardoor delen van Europa min of meer veranderden in een permanent slagveld. Münchau vreest met grote vreze, dat het huidige gebrekkige crisis management de Europese Unie zomaar kan terugwerpen naar de situatie van ongeveer 1970. Dat kan zomaar gebeuren, als Herman van Rompuy en de rest van Brussel wel in gezwollen bewoordingen blijven spreken allesomvattende oplossing, maar geen oog willen hebben voor de onderliggende structurele problemen.
Münchau toont zich bepaald geen zonnetje in huis, als hij nog twee mogelijke oplossingen voor de huidige crisis becommentarieert. Een tweede mogelijke uitkomst is een politieke unie met een gedeeld schuldenbeleid. Hij kan er de handen niet voor op elkaar krijgen. Een politieke unie bestrijdt waarschijnlijk wel de crisis op zich, maar schiet tekort als het gaat om de democratische legitimiteit. Die oplossing draagt het zaad van de instabiliteit in zich. De derde is die van de status quo, opgelegd en gedomineerd door de Duitse wens van zuinigheid, soberheid en eeuwigdurende bezuinigingen. Een dergelijke politiek moet wel extremisme uitlokken. Ook hier liggen instabiliteit en een democratisch tekort op de loer, omdat het ene land zijn wil op legt aan het andere.
In 1648 ploeterden nijvere politici hard en lang om een noodlottig verdrag in elkaar te flansen. In die zin zijn we sindsdien weinig opgeschoten.


Wolfgang Münchau, Grim lessons from the 30 years war. The Financial Times, 29 December 2011