Alweer voor de derde keer in dit decennium laait de discussie over de houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel op. De lopende discussie is het gevolg van het hernieuwde falen van 14 kleine en grote pensioenfondsen om boven de nominale dekkingsgraad van 105% te blijven. Die veertien zijn waarschijnlijk het topje van de welbekende ijsberg. De vijf grootste pensioenfondsen dringen er bij de minister op aan om de spelregels te veranderen om zodoende de uitkering aan de huidige en toekomstige pensionado’s veilig te stellen.
De belangrijkste redenering hierbij is dat het speelveld voor de pensioenfondsen veranderd is. De gemiddelde levensduur stijgt veel sneller dan verwacht. Dat betekent langer lopende verplichtingen voor de fondsen. En die verplichtingen stijgen nog verder, omdat de lange rente al jaren de neiging heeft te dalen tot ver beneden de eertijds gewenste rekenrente van 4%. Het is maar zeer de vraag of de rente op korte termijn weer gaat stijgen.
De wens is de vader van de gedachte
Is het pensioenprobleem de wereld uit, als we de spelregels aanpassen? Misschien wel, maar is het niet zinvol de discussie op een iets andere leest te schoeien. Is ons onvolprezen pensioensysteem wel zo fantastisch? Is het grootschalig sparen voor de dag van morgen wel een zinvolle activiteit? Laten we beginnen met de vaststelling dat het nemen van een reeks van besluiten op micro niveau niet noodzakelijk een macro uitkomst geeft. Laten we tevens vaststellen, dat geld in feite een sluier is waarachter zich economische processen voltrekken.
Arbeidsmarkt
Ons unieke stelsel van kapitaaldekking leverde macro een hoge (gedwongen) spaarquote op, resulterend in decennia lang overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Is dat macro gesproken een afdoende voorwaarde voor een zekere oude dag? Kennelijk niet, en dat heeft niets te maken met rekenrentes of andere regelgeving. In Nederland en in de rest van de Westerse wereld woedt momenteel de discussie over het al dan niet verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Het niet verhogen van die leeftijd heeft macroconsequenties. Het aantal toetreders tot de arbeidsmarkt is vanaf 2010 structureel kleiner dan het aantal uittreders. In geval van niet langer werken zullen we als gemeenschap moeten accepteren dat ons bestedingspatroon omlaag moet. Sparen voor de oude dag is micro, maar macro zal iedere leeftijdscohort het moeten doen met de productie van zijn cohort.
Vandaag de dag wordt vaak geschermd met intergenerationele solidariteit als antwoord op het dreigende tekortschieten van ons pensioenstelsel. Maar is zoiets als ‘intergenerationeel’ wel mogelijk? Hoe zou intergenerationele voorraadvorming van producten en diensten er uit moeten zien? Kun je intergenerationeel ‘sparen voor handjes aan het bed’?
Buitenland
Als Nederland een verlaging van het bestedingspatroon weigert te accepteren, dan kan een oplossing zijn om meer producten en diensten te gaan importeren. Dat betekent interen op ons buitenlands actief. Gelukkig dus dat we daartoe decennialang dat spaaroverschot hebben geforceerd? Tja, de Rabo-econoom Wim Boomsma heeft in zijn dissertatie aangetoond dat we ons suf hebben gespaard, maar slechts rijk hebben gerekend. Het netto-buitenlands actief is verdwenen door directe misinvesteringen van Nederlandse bedrijven en ongunstige koersontwikkelingen op de valuta-, rente- en aandelenmarkten. En toen moest de financiële crisis nog komen. Trouwens pensioenfondsen hebben dezelfde fouten gemaakt. Met het oog op de lange termijn hebben ze geld gestopt in langlopende projecten, bijvoorbeeld in de infrastructuur. Dat klinkt heel nobel, maar dat is het niet. Je zou het met meer recht twijfel-achtige beleggingen kunnen noemen. Beleggen is natuurlijk iets anders dan je premies investeren in langlopende projecten. Zeker overheidsprojecten garanderen bijna per definitie verlies op je financiële inspanningen. Kortom, de weg vanuit het buitenland voor handhaving van de welvaart is definitief afgesloten.
Productiviteit
We kunnen natuurlijk ook proberen onze gezamenlijke productiviteit voortdurend omhoog jagen om ons aan te passen aan de nieuwe macrosituatie. Om onze (welvaarts)positie te handhaven zullen we wel beter moeten presteren dan de overige hoogontwikkelde landen.
Hoe reëel is dit uitgangspunt? De productiviteitsontwikkeling laat in dit land al jaren te wensen over. Vooral de dienstensector laat het afweten. Het is dus maar zeer de vraag of de Nederlandse kapitaalgoederenvoorraad van een betere kwaliteit is dan bijvoorbeeld die van Duitsland of Zwitserland? Natuurlijk is de Nederlandse publieke infrastructuur ook van behoorlijke kwaliteit. Maar ook in dit opzicht is er ruimte voor twijfel. Is die infrastructuur beter dan bijvoorbeeld de Franse. Dat die infrastructuur nog steeds van behoorlijke kwaliteit is, heeft Nederland mede te danken aan de investeringen door pensioenfondsen. Het mag misschien allemaal wel weinig rendement opleveren, maar het draagt wel bij aan de productiviteit.
En tenslotte, goed onderwijs heet de basis voor de welvaart van morgen. De kenniseconomie, zo heet dat officieel. Maar hoe goed is ons onderwijs? Er groeien meer en meer twijfels. De uitkomsten van het OESO-onderzoek ‘education at a glance’ zijn wat dat betreft weinig bemoedigend.
Conclusie
Wat heeft een halve eeuw van grootschalige pensioenbesparingen Nederland de facto opgeleverd? Verrassend weinig. Het kapitaaldekkingssysteem werkt deflatoir uit. De welvaart had aanmerkelijk hoger kunnen zijn, als de premies minder hoog waren geweest. Nu het uur U daar is en de brede babyboom- generatie meldt zich bij de pensioenfondsen, nu blijkt dat al die besparingen deze generatie waarschijnlijk niet of slechts ten dele brengen wat verwacht was. Teveel besparingen zijn simpelweg verdampt. Alleen al in 2008 verdween voor meer dan EUR 200 miljard aan papieren besparingen en beleggingen. Is er hier een uitweg of een oplossing mogelijk. Jawel, geld is een sluier waarachter economische processen zich voltrekken. Nederland moet investeren in beter human capital, public capital en bedrijfskapitaal. Hier kunnen pensioenfondsen een rol van belang spelen. Een hogere productiviteit smoort trouwens een mogelijke oplaaien van de inflatie als de babyboomgeneratie massaal gaat ontsparen.
Cor Wijtvliet dankt zijn oud-collega Jan Schipper voor zijn inspiratie en zijn opbouwend commentaar
dinsdag 21 september 2010
maandag 20 september 2010
Nederland Kennisland
Nederland heeft er de mond van vol. Ons land moet een kenniseconomie ontwikkelen. Alleen op deze manier kunnen we de concurrentieslag aan met de nieuwe, aanstormende economische grootmachten als China, India, Brazilië en Rusland. Deze overduidelijke strategische overweging werpt de vraag op hoe Nederland er in dat opzicht voorstaat . Gelukkig doet de OECD onderzoek naar de ontwikkeling van het onderwijs bij de aangesloten landen. De resultaten worden geboekstaafd in het zogeheten Education at a glance, dat jaarlijks verschijnt.
Middenmoter
Een kenniseconomie veronderstelt een groeiende deelname aan het hoger onderwijs. In Nederland is dat beslist het geval. Een vergelijking tussen leeftijdsklassen maakt dat duidelijk. Van de leeftijdsklasse 55-64 heeft iets minder dan 30% een hogere opleiding, van de leeftijdsklasse 25-34 heeft 40% een hogere opleiding genoten. Een behoorlijke verbetering zou je zeggen, maar dat valt tegen in de internationale vergelijking. Met die 40% is Nederland een middenmoter in de internationale vergelijking. In een land als Korea heeft 60% een hogere opleiding genoten. Van de leeftijdsklasse 55-64% heeft in Korea slechts 10% een hogere opleiding genoten. In Europa valt vooral de prestatie van Ierland op. De prestatie van het cohort 55-64 blijft onder het OECD gemiddelde van 20% steken, maar het jongere cohort komt royaal boven 40% uit. In Duitsland stagneert de groei in aantallen van het hogere onderwijs. Het percentage blijft steken rond 25%.
Een oorzaak voor de weinig uitbundige groei van het hoger onderwijs kunnen de relatief hoge kosten voor de gemiddelde student zijn. Die bedragen volgens de OECD in dit land $ 60.000. Daar staat tegenover dat dezelfde student $ 119000 meer verdient tijdens zijn werkzame leven dan zijn leeftijdgenoot die niet gestudeerd heeft. Maar de Nederlandse student doet het in dat opzicht slechter dan het OECD gemiddelde van iets meer dan
$ 200.000.
Het economisch nut van hoger onderwijs
Is het wel de moeite waard om je als land grote inspanningen te getroosten om meer jongeren naar het hoger onderwijs te sturen? Op het eerste gezicht is dat niet zo voor Nederland. Iemand met een hogere opleiding kost in dit land een werkgever $ 20.000 meer dan het OECD gemiddelde. Dat verschil is grotendeels te verklaren uit verschillen in productiviteit en hogere sociale lasten, maar voor een deel is het ook een kwestie van vraag en aanbod. Boven beschreven combinatie van factoren maakt dat Nederland niet erg aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerder. In de OECD-vergelijking bungelt Nederland troosteloos onderaan. Natuurlijk vormen de arbeidskosten voor de hoogopgeleide werknemer niet de enige belemmering voor een aantrekkelijk investeringsklimaat, maar het speelt wel een rol.
Moeten we nu gas terug nemen en minder in het hoger onderwijs investeren of juist meer? Als we New Zeeland als voorbeeld nemen, dan is het beter flink te blijven investeren in hoger onderwijs. Dat land heeft meer hoger opgeleiden in de aanbieding en derhalve daalt de premie die een werkgever bereid is te betalen voor zijn vaardigheden. Dezelfde ontwikkeling zien we in België. Toch gaat dit niet in alle gevallen op. In landen als Korea en de VS, waar meer werknemers een hogere opleiding hebben, daalt de premie voor de werkgever niet. Waarschijnlijk is de vraag naar hoger opgeleiden nog steeds groter dan het aanbod.
Kosten en Baten
Investeren in onderwijs loont. Over de duim genomen is een land met een groot aanbod van hoger geschoolden aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Ze krijgen zo de beschikking over voldoende vaardigheden tegen een lagere premie. Is Nederland bereid om extra te investeren in zijn onderwijs? Het antwoord is nee, als het gaat om het lager en middelbaar onderwijs. Dan scoort dit land gemiddeld. Het antwoord is ja als het gaat om het hoger onderwijs. De gemiddelde investering in het hoger onderwijs in de OECD landen bedraagt $ 10.000 per jaar. Nederland besteedt jaarlijks $ 16.000.-.
Blijkbaar is dit voor de overheid reden tot tevredenheid, want in de periode 2000-2007 stegen de bestedingen niet, hoewel het aantal studenten fors toenam. De concurrentie liet zijn investeringen in diezelfde periode met gemiddeld 14% stijgen.
Dat is een op zich zorgelijke ontwikkeling, want stilstand is achteruitgang zoals het cliché beweert. De relatieve achteruitgang mag niet verbazen. De 27 OECD landen stoppen gemiddeld 6,2% van het Bruto Nationaal Product in ‘het onderwijs’. Met 5,5% blijft Nederland daar royaal bij achter. Daar staat tegenover, dat de uitgaven voor onderwijs meegegroeid zijn met de groei van het Bruto Nationaal Product. In 1995 was het percentage 5,5%, evenals in 2000.
Tenslotte
Education at a Gance is een omvangrijke studie met talloze invalshoeken. Daar kan in kort bestek onmogelijk recht aan gedaan worden. De eerste indruk is echter wel, dat Nederland in zijn onderwijsbeleid weinig ambitie uitstraalt. ‘We ‘ tenderen sterk naar het gemiddelden naar de middelmaat. Eigenlijk mag dat niet verrassen, want we leven in een land van doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Dat is nou niet de mentaliteit om een dynamische kenniseconomie op te bouwen. Gelukkig doen we het niet slechter dan de meeste Europese landen, maar of dat nu een geruststelling voor de toekomst is?!
Middenmoter
Een kenniseconomie veronderstelt een groeiende deelname aan het hoger onderwijs. In Nederland is dat beslist het geval. Een vergelijking tussen leeftijdsklassen maakt dat duidelijk. Van de leeftijdsklasse 55-64 heeft iets minder dan 30% een hogere opleiding, van de leeftijdsklasse 25-34 heeft 40% een hogere opleiding genoten. Een behoorlijke verbetering zou je zeggen, maar dat valt tegen in de internationale vergelijking. Met die 40% is Nederland een middenmoter in de internationale vergelijking. In een land als Korea heeft 60% een hogere opleiding genoten. Van de leeftijdsklasse 55-64% heeft in Korea slechts 10% een hogere opleiding genoten. In Europa valt vooral de prestatie van Ierland op. De prestatie van het cohort 55-64 blijft onder het OECD gemiddelde van 20% steken, maar het jongere cohort komt royaal boven 40% uit. In Duitsland stagneert de groei in aantallen van het hogere onderwijs. Het percentage blijft steken rond 25%.
Een oorzaak voor de weinig uitbundige groei van het hoger onderwijs kunnen de relatief hoge kosten voor de gemiddelde student zijn. Die bedragen volgens de OECD in dit land $ 60.000. Daar staat tegenover dat dezelfde student $ 119000 meer verdient tijdens zijn werkzame leven dan zijn leeftijdgenoot die niet gestudeerd heeft. Maar de Nederlandse student doet het in dat opzicht slechter dan het OECD gemiddelde van iets meer dan
$ 200.000.
Het economisch nut van hoger onderwijs
Is het wel de moeite waard om je als land grote inspanningen te getroosten om meer jongeren naar het hoger onderwijs te sturen? Op het eerste gezicht is dat niet zo voor Nederland. Iemand met een hogere opleiding kost in dit land een werkgever $ 20.000 meer dan het OECD gemiddelde. Dat verschil is grotendeels te verklaren uit verschillen in productiviteit en hogere sociale lasten, maar voor een deel is het ook een kwestie van vraag en aanbod. Boven beschreven combinatie van factoren maakt dat Nederland niet erg aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerder. In de OECD-vergelijking bungelt Nederland troosteloos onderaan. Natuurlijk vormen de arbeidskosten voor de hoogopgeleide werknemer niet de enige belemmering voor een aantrekkelijk investeringsklimaat, maar het speelt wel een rol.
Moeten we nu gas terug nemen en minder in het hoger onderwijs investeren of juist meer? Als we New Zeeland als voorbeeld nemen, dan is het beter flink te blijven investeren in hoger onderwijs. Dat land heeft meer hoger opgeleiden in de aanbieding en derhalve daalt de premie die een werkgever bereid is te betalen voor zijn vaardigheden. Dezelfde ontwikkeling zien we in België. Toch gaat dit niet in alle gevallen op. In landen als Korea en de VS, waar meer werknemers een hogere opleiding hebben, daalt de premie voor de werkgever niet. Waarschijnlijk is de vraag naar hoger opgeleiden nog steeds groter dan het aanbod.
Kosten en Baten
Investeren in onderwijs loont. Over de duim genomen is een land met een groot aanbod van hoger geschoolden aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Ze krijgen zo de beschikking over voldoende vaardigheden tegen een lagere premie. Is Nederland bereid om extra te investeren in zijn onderwijs? Het antwoord is nee, als het gaat om het lager en middelbaar onderwijs. Dan scoort dit land gemiddeld. Het antwoord is ja als het gaat om het hoger onderwijs. De gemiddelde investering in het hoger onderwijs in de OECD landen bedraagt $ 10.000 per jaar. Nederland besteedt jaarlijks $ 16.000.-.
Blijkbaar is dit voor de overheid reden tot tevredenheid, want in de periode 2000-2007 stegen de bestedingen niet, hoewel het aantal studenten fors toenam. De concurrentie liet zijn investeringen in diezelfde periode met gemiddeld 14% stijgen.
Dat is een op zich zorgelijke ontwikkeling, want stilstand is achteruitgang zoals het cliché beweert. De relatieve achteruitgang mag niet verbazen. De 27 OECD landen stoppen gemiddeld 6,2% van het Bruto Nationaal Product in ‘het onderwijs’. Met 5,5% blijft Nederland daar royaal bij achter. Daar staat tegenover, dat de uitgaven voor onderwijs meegegroeid zijn met de groei van het Bruto Nationaal Product. In 1995 was het percentage 5,5%, evenals in 2000.
Tenslotte
Education at a Gance is een omvangrijke studie met talloze invalshoeken. Daar kan in kort bestek onmogelijk recht aan gedaan worden. De eerste indruk is echter wel, dat Nederland in zijn onderwijsbeleid weinig ambitie uitstraalt. ‘We ‘ tenderen sterk naar het gemiddelden naar de middelmaat. Eigenlijk mag dat niet verrassen, want we leven in een land van doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Dat is nou niet de mentaliteit om een dynamische kenniseconomie op te bouwen. Gelukkig doen we het niet slechter dan de meeste Europese landen, maar of dat nu een geruststelling voor de toekomst is?!
vrijdag 17 september 2010
breuklijnen
De VS zijn een sterk gepolariseerd land. De tegenstellingen tussen rood (conservatief) en blauw (liberaal) zijn zo groot geworden, dat het land eigenlijk onregeerbaar is. De rode en blauwe bevolkingsgroepen leven meer en meer met de rug naar elkaar toe en willen minder en minder met elkaar te maken hebben.
Er is een beperkt voordeel aan deze intense polarisatie. Beide kampen hebben talloze denktanks in het leven geroepen om het eigen gelijk te onderstrepen. Dat resulteert in een waterval aan rapporten die allemaal te vinden zijn op de diverse websites en in de meeste gevallen gratis zijn te downloaden. Voor wie geduld heeft om in deze zee van wetenswaardige rapporten te wroeten is er altijd wel wat te vinden. Zo heeft de liberale denktank the Institute for Policy Studies onlangs een onderzoek gepubliceerd met de intrigerende titel: CEO Pay and the Great Recession. Dit rapport past in een reeks van jaarlijkse onderzoeken naar het inkomen van de Amerikaanse CEO.
Zelfverrijking
In een liberaal rapport naar de inkomensontwikkeling van ‘de baas’ hoef je weinig subtiliteiten te verwachten. Het rapport trekt vanaf pagina 1 ten strijde. Het gemiddeld inkomen van de CEO van de 50 grootste bedrijven is in een halve eeuw tijd verachtvoudigd en bedraagt anno 2010 ongeveer $ 9 miljoen. Het reële inkomen van de doorsnee Amerikaanse werknemer stagneert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het is de stelling van het rapport dat deze uitzinnige salarisontwikkeling van de top van het Amerikaanse bedrijfsleven mede ten grondslag ligt aan de recessie.
Kampioenen van het ontslag
Ter staving van de stelling verwijzen de auteurs ondermeer naar een onderzoek van het blad Forbes. Dit blad heeft becijferd, dat de 500 grootste bedrijven tussen november 2008 en april 2010 bijna 700 000 medewerkers de laan uit stuurden. Meer dan 75% van alle ontslagen kwamen voor rekening van vijftig bedrijven. De kampioenen van het ontslag verdienden in 2009 gemiddeld $ 12 miljoen en dat was ruim 40% meer dan de collega’s uit de S&P500 mee naar huis mocht nemen. Vijf van de bedrijven die hun top zo royaal beloonden in 2009, ontvingen in dat jaar miljarden aan overheidssteun.
De hamvraag in deze omstandigheden is natuurlijk wat het opleverde voor het bedrijf? En hier gaat het mis. De auteurs claimen op basis van eerder onderzoek, dat na ingrijpende herstructureringen slechts een derde van de bedrijven hun winst ziet toenemen en dan nog voor de korte termijn. De auteurs blijven echter een overtuigend antwoord schuldig op hun eigen stelling dat CEO’s een bewust beleid voerden om zoveel mogelijk mensen de laan uit te sturen. De ontslaggolf moest de beurskoers doen stijgen en op die manier de grote bonus veilig stellen. Beweren dat de meeste bedrijven nog steeds mooie zwarte cijfers schreven ten tijde van de ontslaggolf, is geen afdoende bewijs.
Dat neemt niet weg, dat beleggers zich best eens achter de oren mogen krabben. Het is immers nog steeds çommon wisdom in beleggersland, dat ontslaggolven de winstgevendheid van een bedrijf en daarmee de koersontwikkeling ten goede komen. Dat blijkt allemaal van uiterst tijdelijke aard.
Ontwortelde elites
Het onderzoek blijft teveel hangen op het niveau van de morele verontwaardiging. Het is uiteraard meer dan ergerniswekkend dat de top vijftig kampioenen van het ontslag in 2009 samen bijna $ 600 miljoen incasseerden, terwijl de gemiddelde ex-werknemer op een uitkering van $ 15,860 mag rekenen.
Misschien hadden de auteurs een voorbeeld moeten nemen aan Robert Reich, voormalig minister van Arbeid. In zijn boek Aftershock wijst hij erop, dat de economische elite zich geleidelijk volledig los gezongen heeft van de rest van de maatschappij. Zij wortelen niet meer in de Amerikaanse samenleving en dat maakt hen doof en blind voor hun eigen verantwoordelijkheid en voor wat ze aanrichten. De Amerikaanse middenklasse worstelt al enkele decennia met de negatieve gevolgen van de globalisering en snelle technologische vernieuwingen waardoor veel traditionele banen verdwenen zijn en de koopkracht steeds verder wordt aangetast. De economische elite blijft er blind en doof voor. Reich is een representant van een groeiende groep economen die bang is dat er een einde gekomen is aan een stilzwijgende afspraak tussen werkgever en werknemer. De een betaalt een behoorlijk salaris en de ander zet dat salaris om in consumptie. Als dat inderdaad het geval zal blijken, dan voorspelt dat volgens deze groep economen weinig goeds voor de VS. Een verarmende en wraakroepende middenklasse kan zich woedend keren tegen de elites. Dat kan op een breed terrein negatieve gevolgen hebben.
Amerikaanse toestanden
In Europa wil men nogal eens denigrerend spreken over ‘Amerikaanse toestanden’ als dit soort alarmerende verhalen de plas komen overgewaaid. Echter, ook in Europa komt in snel tempo een einde aan een lange stilzwijgende afspraak. Onder druk van dezelfde globalisering en technologische vernieuwing is het Europese sociale systeem van de welvaartsstaat onder steeds zwaardere druk komen staan. Dat heeft erin in Italië bijvoorbeeld in geresulteerd dat er een zogeheten 1000 euro generatie is gegroeid. Jongelui kunnen geen vaste baan meer vinden en komen niet veel verder dan wat losse baantjes die maximaal Eur 1000 per maand opleveren. Frankrijk kent sinds jaar en dag een exodus van hoogopgeleide jongeren die hun heil in het Verenigd Koninkrijk zoeken of in de VS. In Nederland hebben jongeren tot 27 jaar geen recht meer op een uitkering’. In de recessiejaren 2008/09 is een hele grote groep 50 plussers gedachteloos aan de kant gezet. Dus ook in ons werelddeel heersen ‘Amerikaanse toestanden’ en dan moeten de grote bezuinigingsgolven nog komen.
Tenslotte
Zal de grote recessie van 2008/09 een breuklijn in de geschiedenis blijken, zoals sombermansen beweren? Zullen deze jaren symbool worden voor de veranderende verhoudingen in de wereld? Het machtsevenwicht verschuift definitief naar Azië, wat onder meer tot uitdrukking komt in een verarmende bevolking in Europa en de VS. Het klinkt misschien overdreven, maar het is een scenario waar ‘we’ beslist rekening moeten houden.
Er is een beperkt voordeel aan deze intense polarisatie. Beide kampen hebben talloze denktanks in het leven geroepen om het eigen gelijk te onderstrepen. Dat resulteert in een waterval aan rapporten die allemaal te vinden zijn op de diverse websites en in de meeste gevallen gratis zijn te downloaden. Voor wie geduld heeft om in deze zee van wetenswaardige rapporten te wroeten is er altijd wel wat te vinden. Zo heeft de liberale denktank the Institute for Policy Studies onlangs een onderzoek gepubliceerd met de intrigerende titel: CEO Pay and the Great Recession. Dit rapport past in een reeks van jaarlijkse onderzoeken naar het inkomen van de Amerikaanse CEO.
Zelfverrijking
In een liberaal rapport naar de inkomensontwikkeling van ‘de baas’ hoef je weinig subtiliteiten te verwachten. Het rapport trekt vanaf pagina 1 ten strijde. Het gemiddeld inkomen van de CEO van de 50 grootste bedrijven is in een halve eeuw tijd verachtvoudigd en bedraagt anno 2010 ongeveer $ 9 miljoen. Het reële inkomen van de doorsnee Amerikaanse werknemer stagneert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het is de stelling van het rapport dat deze uitzinnige salarisontwikkeling van de top van het Amerikaanse bedrijfsleven mede ten grondslag ligt aan de recessie.
Kampioenen van het ontslag
Ter staving van de stelling verwijzen de auteurs ondermeer naar een onderzoek van het blad Forbes. Dit blad heeft becijferd, dat de 500 grootste bedrijven tussen november 2008 en april 2010 bijna 700 000 medewerkers de laan uit stuurden. Meer dan 75% van alle ontslagen kwamen voor rekening van vijftig bedrijven. De kampioenen van het ontslag verdienden in 2009 gemiddeld $ 12 miljoen en dat was ruim 40% meer dan de collega’s uit de S&P500 mee naar huis mocht nemen. Vijf van de bedrijven die hun top zo royaal beloonden in 2009, ontvingen in dat jaar miljarden aan overheidssteun.
De hamvraag in deze omstandigheden is natuurlijk wat het opleverde voor het bedrijf? En hier gaat het mis. De auteurs claimen op basis van eerder onderzoek, dat na ingrijpende herstructureringen slechts een derde van de bedrijven hun winst ziet toenemen en dan nog voor de korte termijn. De auteurs blijven echter een overtuigend antwoord schuldig op hun eigen stelling dat CEO’s een bewust beleid voerden om zoveel mogelijk mensen de laan uit te sturen. De ontslaggolf moest de beurskoers doen stijgen en op die manier de grote bonus veilig stellen. Beweren dat de meeste bedrijven nog steeds mooie zwarte cijfers schreven ten tijde van de ontslaggolf, is geen afdoende bewijs.
Dat neemt niet weg, dat beleggers zich best eens achter de oren mogen krabben. Het is immers nog steeds çommon wisdom in beleggersland, dat ontslaggolven de winstgevendheid van een bedrijf en daarmee de koersontwikkeling ten goede komen. Dat blijkt allemaal van uiterst tijdelijke aard.
Ontwortelde elites
Het onderzoek blijft teveel hangen op het niveau van de morele verontwaardiging. Het is uiteraard meer dan ergerniswekkend dat de top vijftig kampioenen van het ontslag in 2009 samen bijna $ 600 miljoen incasseerden, terwijl de gemiddelde ex-werknemer op een uitkering van $ 15,860 mag rekenen.
Misschien hadden de auteurs een voorbeeld moeten nemen aan Robert Reich, voormalig minister van Arbeid. In zijn boek Aftershock wijst hij erop, dat de economische elite zich geleidelijk volledig los gezongen heeft van de rest van de maatschappij. Zij wortelen niet meer in de Amerikaanse samenleving en dat maakt hen doof en blind voor hun eigen verantwoordelijkheid en voor wat ze aanrichten. De Amerikaanse middenklasse worstelt al enkele decennia met de negatieve gevolgen van de globalisering en snelle technologische vernieuwingen waardoor veel traditionele banen verdwenen zijn en de koopkracht steeds verder wordt aangetast. De economische elite blijft er blind en doof voor. Reich is een representant van een groeiende groep economen die bang is dat er een einde gekomen is aan een stilzwijgende afspraak tussen werkgever en werknemer. De een betaalt een behoorlijk salaris en de ander zet dat salaris om in consumptie. Als dat inderdaad het geval zal blijken, dan voorspelt dat volgens deze groep economen weinig goeds voor de VS. Een verarmende en wraakroepende middenklasse kan zich woedend keren tegen de elites. Dat kan op een breed terrein negatieve gevolgen hebben.
Amerikaanse toestanden
In Europa wil men nogal eens denigrerend spreken over ‘Amerikaanse toestanden’ als dit soort alarmerende verhalen de plas komen overgewaaid. Echter, ook in Europa komt in snel tempo een einde aan een lange stilzwijgende afspraak. Onder druk van dezelfde globalisering en technologische vernieuwing is het Europese sociale systeem van de welvaartsstaat onder steeds zwaardere druk komen staan. Dat heeft erin in Italië bijvoorbeeld in geresulteerd dat er een zogeheten 1000 euro generatie is gegroeid. Jongelui kunnen geen vaste baan meer vinden en komen niet veel verder dan wat losse baantjes die maximaal Eur 1000 per maand opleveren. Frankrijk kent sinds jaar en dag een exodus van hoogopgeleide jongeren die hun heil in het Verenigd Koninkrijk zoeken of in de VS. In Nederland hebben jongeren tot 27 jaar geen recht meer op een uitkering’. In de recessiejaren 2008/09 is een hele grote groep 50 plussers gedachteloos aan de kant gezet. Dus ook in ons werelddeel heersen ‘Amerikaanse toestanden’ en dan moeten de grote bezuinigingsgolven nog komen.
Tenslotte
Zal de grote recessie van 2008/09 een breuklijn in de geschiedenis blijken, zoals sombermansen beweren? Zullen deze jaren symbool worden voor de veranderende verhoudingen in de wereld? Het machtsevenwicht verschuift definitief naar Azië, wat onder meer tot uitdrukking komt in een verarmende bevolking in Europa en de VS. Het klinkt misschien overdreven, maar het is een scenario waar ‘we’ beslist rekening moeten houden.
Breuklijnen
De VS zijn een sterk gepolariseerd land. De tegenstellingen tussen rood (conservatief) en blauw (liberaal) zijn zo groot geworden, dat het land eigenlijk onregeerbaar is. De rode en blauwe bevolkingsgroepen leven meer en meer met de rug naar elkaar toe en willen minder en minder met elkaar te maken hebben.
Er is een beperkt voordeel aan deze intense polarisatie. Beide kampen hebben talloze denktanks in het leven geroepen om het eigen gelijk te onderstrepen. Dat resulteert in een waterval aan rapporten die allemaal te vinden zijn op de diverse websites en in de meeste gevallen gratis zijn te downloaden. Voor wie geduld heeft om in deze zee van wetenswaardige rapporten te wroeten is er altijd wel wat te vinden. Zo heeft de liberale denktank the Institute for Policy Studies onlangs een onderzoek gepubliceerd met de intrigerende titel: CEO Pay and the Great Recession. Dit rapport past in een reeks van jaarlijkse onderzoeken naar het inkomen van de Amerikaanse CEO.
Zelfverrijking
In een liberaal rapport naar de inkomensontwikkeling van ‘de baas’ hoef je weinig subtiliteiten te verwachten. Het rapport trekt vanaf pagina 1 ten strijde. Het gemiddeld inkomen van de CEO van de 50 grootste bedrijven is in een halve eeuw tijd verachtvoudigd en bedraagt anno 2010 ongeveer $ 9 miljoen. Het reële inkomen van de doorsnee Amerikaanse werknemer stagneert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het is de stelling van het rapport dat deze uitzinnige salarisontwikkeling van de top van het Amerikaanse bedrijfsleven mede ten grondslag ligt aan de recessie.
Kampioenen van het ontslag
Ter staving van de stelling verwijzen de auteurs ondermeer naar een onderzoek van het blad Forbes. Dit blad heeft becijferd, dat de 500 grootste bedrijven tussen november 2008 en april 2010 bijna 700 000 medewerkers de laan uit stuurden. Meer dan 75% van alle ontslagen kwamen voor rekening van vijftig bedrijven. De kampioenen van het ontslag verdienden in 2009 gemiddeld $ 12 miljoen en dat was ruim 40% meer dan de collega’s uit de S&P500 mee naar huis mocht nemen. Vijf van de bedrijven die hun top zo royaal beloonden in 2009, ontvingen in dat jaar miljarden aan overheidssteun.
De hamvraag in deze omstandigheden is natuurlijk wat het opleverde voor het bedrijf? En hier gaat het mis. De auteurs claimen op basis van eerder onderzoek, dat na ingrijpende herstructureringen slechts een derde van de bedrijven hun winst ziet toenemen en dan nog voor de korte termijn. De auteurs blijven echter een overtuigend antwoord schuldig op hun eigen stelling dat CEO’s een bewust beleid voerden om zoveel mogelijk mensen de laan uit te sturen. De ontslaggolf moest de beurskoers doen stijgen en op die manier de grote bonus veilig stellen. Beweren dat de meeste bedrijven nog steeds mooie zwarte cijfers schreven ten tijde van de ontslaggolf, is geen afdoende bewijs.
Dat neemt niet weg, dat beleggers zich best eens achter de oren mogen krabben. Het is immers nog steeds çommon wisdom in beleggersland, dat ontslaggolven de winstgevendheid van een bedrijf en daarmee de koersontwikkeling ten goede komen. Dat blijkt allemaal van uiterst tijdelijke aard.
Ontwortelde elites
Het onderzoek blijft teveel hangen op het niveau van de morele verontwaardiging. Het is uiteraard meer dan ergerniswekkend dat de top vijftig kampioenen van het ontslag in 2009 samen bijna $ 600 miljoen incasseerden, terwijl de gemiddelde ex-werknemer op een uitkering van $ 15,860 mag rekenen.
Misschien hadden de auteurs een voorbeeld moeten nemen aan Robert Reich, voormalig minister van Arbeid. In zijn boek Aftershock wijst hij erop, dat de economische elite zich geleidelijk volledig los gezongen heeft van de rest van de maatschappij. Zij wortelen niet meer in de Amerikaanse samenleving en dat maakt hen doof en blind voor hun eigen verantwoordelijkheid en voor wat ze aanrichten. De Amerikaanse middenklasse worstelt al enkele decennia met de negatieve gevolgen van de globalisering en snelle technologische vernieuwingen waardoor veel traditionele banen verdwenen zijn en de koopkracht steeds verder wordt aangetast. De economische elite blijft er blind en doof voor. Reich is een representant van een groeiende groep economen die bang is dat er een einde gekomen is aan een stilzwijgende afspraak tussen werkgever en werknemer. De een betaalt een behoorlijk salaris en de ander zet dat salaris om in consumptie. Als dat inderdaad het geval zal blijken, dan voorspelt dat volgens deze groep economen weinig goeds voor de VS. Een verarmende en wraakroepende middenklasse kan zich woedend keren tegen de elites. Dat kan op een breed terrein negatieve gevolgen hebben.
Amerikaanse toestanden
In Europa wil men nogal eens denigrerend spreken over ‘Amerikaanse toestanden’ als dit soort alarmerende verhalen de plas komen overgewaaid. Echter, ook in Europa komt in snel tempo een einde aan een lange stilzwijgende afspraak. Onder druk van dezelfde globalisering en technologische vernieuwing is het Europese sociale systeem van de welvaartsstaat onder steeds zwaardere druk komen staan. Dat heeft erin in Italië bijvoorbeeld in geresulteerd dat er een zogeheten 1000 euro generatie is gegroeid. Jongelui kunnen geen vaste baan meer vinden en komen niet veel verder dan wat losse baantjes die maximaal Eur 1000 per maand opleveren. Frankrijk kent sinds jaar en dag een exodus van hoogopgeleide jongeren die hun heil in het Verenigd Koninkrijk zoeken of in de VS. In Nederland hebben jongeren tot 27 jaar geen recht meer op een uitkering’. In de recessiejaren 2008/09 is een hele grote groep 50 plussers gedachteloos aan de kant gezet. Dus ook in ons werelddeel heersen ‘Amerikaanse toestanden’ en dan moeten de grote bezuinigingsgolven nog komen.
Tenslotte
Zal de grote recessie van 2008/09 een breuklijn in de geschiedenis blijken, zoals sombermansen beweren? Zullen deze jaren symbool worden voor de veranderende verhoudingen in de wereld? Het machtsevenwicht verschuift definitief naar Azië, wat onder meer tot uitdrukking komt in een verarmende bevolking in Europa en de VS. Het klinkt misschien overdreven, maar het is een scenario waar ‘we’ beslist rekening moeten houden.
Er is een beperkt voordeel aan deze intense polarisatie. Beide kampen hebben talloze denktanks in het leven geroepen om het eigen gelijk te onderstrepen. Dat resulteert in een waterval aan rapporten die allemaal te vinden zijn op de diverse websites en in de meeste gevallen gratis zijn te downloaden. Voor wie geduld heeft om in deze zee van wetenswaardige rapporten te wroeten is er altijd wel wat te vinden. Zo heeft de liberale denktank the Institute for Policy Studies onlangs een onderzoek gepubliceerd met de intrigerende titel: CEO Pay and the Great Recession. Dit rapport past in een reeks van jaarlijkse onderzoeken naar het inkomen van de Amerikaanse CEO.
Zelfverrijking
In een liberaal rapport naar de inkomensontwikkeling van ‘de baas’ hoef je weinig subtiliteiten te verwachten. Het rapport trekt vanaf pagina 1 ten strijde. Het gemiddeld inkomen van de CEO van de 50 grootste bedrijven is in een halve eeuw tijd verachtvoudigd en bedraagt anno 2010 ongeveer $ 9 miljoen. Het reële inkomen van de doorsnee Amerikaanse werknemer stagneert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het is de stelling van het rapport dat deze uitzinnige salarisontwikkeling van de top van het Amerikaanse bedrijfsleven mede ten grondslag ligt aan de recessie.
Kampioenen van het ontslag
Ter staving van de stelling verwijzen de auteurs ondermeer naar een onderzoek van het blad Forbes. Dit blad heeft becijferd, dat de 500 grootste bedrijven tussen november 2008 en april 2010 bijna 700 000 medewerkers de laan uit stuurden. Meer dan 75% van alle ontslagen kwamen voor rekening van vijftig bedrijven. De kampioenen van het ontslag verdienden in 2009 gemiddeld $ 12 miljoen en dat was ruim 40% meer dan de collega’s uit de S&P500 mee naar huis mocht nemen. Vijf van de bedrijven die hun top zo royaal beloonden in 2009, ontvingen in dat jaar miljarden aan overheidssteun.
De hamvraag in deze omstandigheden is natuurlijk wat het opleverde voor het bedrijf? En hier gaat het mis. De auteurs claimen op basis van eerder onderzoek, dat na ingrijpende herstructureringen slechts een derde van de bedrijven hun winst ziet toenemen en dan nog voor de korte termijn. De auteurs blijven echter een overtuigend antwoord schuldig op hun eigen stelling dat CEO’s een bewust beleid voerden om zoveel mogelijk mensen de laan uit te sturen. De ontslaggolf moest de beurskoers doen stijgen en op die manier de grote bonus veilig stellen. Beweren dat de meeste bedrijven nog steeds mooie zwarte cijfers schreven ten tijde van de ontslaggolf, is geen afdoende bewijs.
Dat neemt niet weg, dat beleggers zich best eens achter de oren mogen krabben. Het is immers nog steeds çommon wisdom in beleggersland, dat ontslaggolven de winstgevendheid van een bedrijf en daarmee de koersontwikkeling ten goede komen. Dat blijkt allemaal van uiterst tijdelijke aard.
Ontwortelde elites
Het onderzoek blijft teveel hangen op het niveau van de morele verontwaardiging. Het is uiteraard meer dan ergerniswekkend dat de top vijftig kampioenen van het ontslag in 2009 samen bijna $ 600 miljoen incasseerden, terwijl de gemiddelde ex-werknemer op een uitkering van $ 15,860 mag rekenen.
Misschien hadden de auteurs een voorbeeld moeten nemen aan Robert Reich, voormalig minister van Arbeid. In zijn boek Aftershock wijst hij erop, dat de economische elite zich geleidelijk volledig los gezongen heeft van de rest van de maatschappij. Zij wortelen niet meer in de Amerikaanse samenleving en dat maakt hen doof en blind voor hun eigen verantwoordelijkheid en voor wat ze aanrichten. De Amerikaanse middenklasse worstelt al enkele decennia met de negatieve gevolgen van de globalisering en snelle technologische vernieuwingen waardoor veel traditionele banen verdwenen zijn en de koopkracht steeds verder wordt aangetast. De economische elite blijft er blind en doof voor. Reich is een representant van een groeiende groep economen die bang is dat er een einde gekomen is aan een stilzwijgende afspraak tussen werkgever en werknemer. De een betaalt een behoorlijk salaris en de ander zet dat salaris om in consumptie. Als dat inderdaad het geval zal blijken, dan voorspelt dat volgens deze groep economen weinig goeds voor de VS. Een verarmende en wraakroepende middenklasse kan zich woedend keren tegen de elites. Dat kan op een breed terrein negatieve gevolgen hebben.
Amerikaanse toestanden
In Europa wil men nogal eens denigrerend spreken over ‘Amerikaanse toestanden’ als dit soort alarmerende verhalen de plas komen overgewaaid. Echter, ook in Europa komt in snel tempo een einde aan een lange stilzwijgende afspraak. Onder druk van dezelfde globalisering en technologische vernieuwing is het Europese sociale systeem van de welvaartsstaat onder steeds zwaardere druk komen staan. Dat heeft erin in Italië bijvoorbeeld in geresulteerd dat er een zogeheten 1000 euro generatie is gegroeid. Jongelui kunnen geen vaste baan meer vinden en komen niet veel verder dan wat losse baantjes die maximaal Eur 1000 per maand opleveren. Frankrijk kent sinds jaar en dag een exodus van hoogopgeleide jongeren die hun heil in het Verenigd Koninkrijk zoeken of in de VS. In Nederland hebben jongeren tot 27 jaar geen recht meer op een uitkering’. In de recessiejaren 2008/09 is een hele grote groep 50 plussers gedachteloos aan de kant gezet. Dus ook in ons werelddeel heersen ‘Amerikaanse toestanden’ en dan moeten de grote bezuinigingsgolven nog komen.
Tenslotte
Zal de grote recessie van 2008/09 een breuklijn in de geschiedenis blijken, zoals sombermansen beweren? Zullen deze jaren symbool worden voor de veranderende verhoudingen in de wereld? Het machtsevenwicht verschuift definitief naar Azië, wat onder meer tot uitdrukking komt in een verarmende bevolking in Europa en de VS. Het klinkt misschien overdreven, maar het is een scenario waar ‘we’ beslist rekening moeten houden.
woensdag 8 september 2010
water is al schaars
Op het moment dat deze column in statu nascendi is, gutst het regenwater uit de hemel. De maand augustus was in grote delen van Europa de natste sinds mensenheugenis. En toch heeft de schaarste aan water ook Europa bereikt. Het gaat dan om kwalitatief goed drinkwater. Landen als Spanje, Italië, maar ook Engeland kampen vooral in de zomer met een gebrek aan water.
De voornaamste oorzaak van de groeiende schaarste wereldwijd is het exploderend gebruik ervan. In 1900 lag het gebruik op 770 km3, in het midden van de vorige eeuw verdubbelde het gebruik naar 1480 km3 om weer 50 jaar later te stijgen naar 4500 km3. Rond 2030 zal bij ongewijzigd beleid de totale consumptie naar verwachting 6500 km3 bedragen. De totale voorraad aan water bedraagt jaarlijks tussen 9000km3 en 12000km3. Met dat volume moet de wereld alles doen: consumeren, irrigeren en industrieel gebruik. De voorraden zijn ook nog onevenwichtig over de wereld verdeeld. Een land als Israel verbruikt nu al meer water dan de voorraden toelaten en voor delen van China, India en de VS geldt hetzelfde. De doorsnee Zwitser heeft ongeveer 7000 km3 ter beschikking. De belangrijkste factoren die deze explosie veroorzaken zijn de aanhoudende bevolkingsgroei en de stijgende welvaart in grote delen van de wereld.
Vier mega trends
Dankzij de groeiende schaarste heeft zich in de afgelopen periode een heuse watermarkt ontwikkeld. De waarde van deze markt bedraagt in 2010 naar schatting USD 480 miljard. Dat bedrag kan onderverdeeld worden in USD 175 miljard voor bestedingen aan drinkwater, industrieel water en afvalwater. De rest gaat op aan allerlei vormen van diensterlening, zoals onderhoud. Door de financiële crisis is de groei in de uitgaven geremd, maar vanaf 2010 zal naar verwachting de watermarkt zijn gebruikelijke groeitempo van pakweg 6% per jaar weer hervatten.
Dat kan ook moeilijk anders, want crisis of geen crisis de onderliggende factoren gaan niet weg en winnen hooguit aan gewicht. Er zijn vier megatrends aan te wijzen die van belang zijn voor de groeiende schaarste en daarmee voor de aanhoudende groei van de watermarkt.
De eerste megatrend is demografie. De wereldbevolking groeit nog steeds, maar dat is niet alles. Die groei vraagt al om meer water. De groei van de consumptie ligt op een hoger niveau dan de bevolkingsgroei. Dat is vooral een gevolg van een gemiddeld hogere levensstandaard, vooral in de stad. De bevolkingsgroei gaat gepaard met een aanhoudende trek van de bevolking van het platteland naar de stad. Nu al woont meer dan 50% van de wereldbevolking in steden. De trek naar de stad vertaalt zich vooral in de opkomende markten in de groei van zogeheten megasteden. Deze trend vraagt om enorme investeringen om de noodzakelijke voorzieningen aan te leggen. Tenslotte, het groeiend aantal monden vraagt om een hogere voedselproductie. De enorme verstedelijking in alle delen van de wereld heeft gevolgen voor het aanwezige areaal aan landbouwgrond. De oplossing is een intensivering van de landbouwproductie, waar irrigatie een onmisbaar onderdeel van is.
Al deze factoren in combinatie met een ongelijke verdeling van de watervoorraden over de wereld hebben nu al tot gevolg dat voorraden uitgeput raken door overexploitatie.
Een tweede trend die invloed heeft op de groei van de watermarkt heet infrastructuur. Veel ontwikkelingslanden staan aan de vooravond van gigantische investeringen om alleen al de basisbehoefte te dekken aan sanitaire voorzieningen en aan drinkwatervoorzieningen. Maar hetzelfde geldt voor de ontwikkelde wereld. Ook hier zijn komende jaren grote investeringen nodig. Veel systemen dateren van ver voor de Tweede Wereldoorlog en zijn inmiddels verouderd en min of meer in staat van ontbinding. Dat leidt tot nodeloos verlies aan goed drinkwater. In de VS gaan dagelijks 23 miljoen m3 verloren, een hoeveelheid die voldoende is om de tien grootste steden van water te voorzien. Om alles up to date te brengen zijn enorme investeringen nodig en daar schieten de VS in tekort. Bij ongewijzigd beleid zal over 20 jaar de achterstand en de tekorten meer dan USD 500 miljard belopen.
Uit het voorafgaande mag ook naar voren komen, dat we niet alleen een kwantitatief probleem hebben, maar ook een kwaliteitsprobleem. In veel delen van de wereld zijn investeringen in infrastructuur royaal onvoldoende om de burger zelfs maar basisvoorzieningen te garanderen. In veel landen wordt dit probleem nog verergerd omdat de overheid weinig moeite doet de burger te beschermen tegen uitwassen in industrie en landbouw. Het is een bekend gegeven, dat in China ruim 75% van alle rivieren zo vervuild zijn door industrieel en landbouwafval, dat het water niet meer geschikt is voor consumptie of zelfs voor visserij. In landen waar de welvaart van de bevolking toeneemt zijn dit onhoudbare situaties die overheden nopen tot noodzakelijke investeringen. En als vierde megatrend is er klimaatverandering. Hoewel werkwijze en een aantal uitkomsten van IPPC onderzoeken terecht onder vuur liggen, lijken een aantal algemene conclusies overeind te blijven. Sommige regio’s zullen met langdurige droogteperiodes te maken krijgen met als uiterste consequentie verwoestijning. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in de Mediterrane landen Andere regio’s zullen meer neerslag te verwerken krijgen, soms in heel korte tijd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld Nederland.
Investeren in water
De vier hierboven beschreven trends zijn de voornaamste aanjagers van de groei van de wereldmark voor water. De verwachte groei zou de markt interessant moeten maken voor beleggers. Als dat zo is, welke deelgebieden zijn dan interessant.
Het eerste deelgebeid is dat van distributie en beheer. Er is meer water nodig en dal leidt tot een zoektocht naar voorraden. De eisen voor een behoorlijke exploratie gaan echter omhoog. Het vinden alleen is niet voldoende. Van belang is ook het onderhoud en de instandhouding. Bevolkingsgroei en groei van de stedelijke bevolking vraagt om aanhoudende investeringen in investeringen voor infrastructuur, zowel voor drinkwater als voor afvalwater. Maar ook de upgrading van de oude infrastructuur in de ontwikkelde landen vraagt om veel geld. Het is ondenkbaar dat het centrum van een stad als Londen voor langere tijd onbereikbaar is, omdat er een nieuwe waterleiding wordt aangelegd.
De voornaamste oorzaak van de groeiende schaarste wereldwijd is het exploderend gebruik ervan. In 1900 lag het gebruik op 770 km3, in het midden van de vorige eeuw verdubbelde het gebruik naar 1480 km3 om weer 50 jaar later te stijgen naar 4500 km3. Rond 2030 zal bij ongewijzigd beleid de totale consumptie naar verwachting 6500 km3 bedragen. De totale voorraad aan water bedraagt jaarlijks tussen 9000km3 en 12000km3. Met dat volume moet de wereld alles doen: consumeren, irrigeren en industrieel gebruik. De voorraden zijn ook nog onevenwichtig over de wereld verdeeld. Een land als Israel verbruikt nu al meer water dan de voorraden toelaten en voor delen van China, India en de VS geldt hetzelfde. De doorsnee Zwitser heeft ongeveer 7000 km3 ter beschikking. De belangrijkste factoren die deze explosie veroorzaken zijn de aanhoudende bevolkingsgroei en de stijgende welvaart in grote delen van de wereld.
Vier mega trends
Dankzij de groeiende schaarste heeft zich in de afgelopen periode een heuse watermarkt ontwikkeld. De waarde van deze markt bedraagt in 2010 naar schatting USD 480 miljard. Dat bedrag kan onderverdeeld worden in USD 175 miljard voor bestedingen aan drinkwater, industrieel water en afvalwater. De rest gaat op aan allerlei vormen van diensterlening, zoals onderhoud. Door de financiële crisis is de groei in de uitgaven geremd, maar vanaf 2010 zal naar verwachting de watermarkt zijn gebruikelijke groeitempo van pakweg 6% per jaar weer hervatten.
Dat kan ook moeilijk anders, want crisis of geen crisis de onderliggende factoren gaan niet weg en winnen hooguit aan gewicht. Er zijn vier megatrends aan te wijzen die van belang zijn voor de groeiende schaarste en daarmee voor de aanhoudende groei van de watermarkt.
De eerste megatrend is demografie. De wereldbevolking groeit nog steeds, maar dat is niet alles. Die groei vraagt al om meer water. De groei van de consumptie ligt op een hoger niveau dan de bevolkingsgroei. Dat is vooral een gevolg van een gemiddeld hogere levensstandaard, vooral in de stad. De bevolkingsgroei gaat gepaard met een aanhoudende trek van de bevolking van het platteland naar de stad. Nu al woont meer dan 50% van de wereldbevolking in steden. De trek naar de stad vertaalt zich vooral in de opkomende markten in de groei van zogeheten megasteden. Deze trend vraagt om enorme investeringen om de noodzakelijke voorzieningen aan te leggen. Tenslotte, het groeiend aantal monden vraagt om een hogere voedselproductie. De enorme verstedelijking in alle delen van de wereld heeft gevolgen voor het aanwezige areaal aan landbouwgrond. De oplossing is een intensivering van de landbouwproductie, waar irrigatie een onmisbaar onderdeel van is.
Al deze factoren in combinatie met een ongelijke verdeling van de watervoorraden over de wereld hebben nu al tot gevolg dat voorraden uitgeput raken door overexploitatie.
Een tweede trend die invloed heeft op de groei van de watermarkt heet infrastructuur. Veel ontwikkelingslanden staan aan de vooravond van gigantische investeringen om alleen al de basisbehoefte te dekken aan sanitaire voorzieningen en aan drinkwatervoorzieningen. Maar hetzelfde geldt voor de ontwikkelde wereld. Ook hier zijn komende jaren grote investeringen nodig. Veel systemen dateren van ver voor de Tweede Wereldoorlog en zijn inmiddels verouderd en min of meer in staat van ontbinding. Dat leidt tot nodeloos verlies aan goed drinkwater. In de VS gaan dagelijks 23 miljoen m3 verloren, een hoeveelheid die voldoende is om de tien grootste steden van water te voorzien. Om alles up to date te brengen zijn enorme investeringen nodig en daar schieten de VS in tekort. Bij ongewijzigd beleid zal over 20 jaar de achterstand en de tekorten meer dan USD 500 miljard belopen.
Uit het voorafgaande mag ook naar voren komen, dat we niet alleen een kwantitatief probleem hebben, maar ook een kwaliteitsprobleem. In veel delen van de wereld zijn investeringen in infrastructuur royaal onvoldoende om de burger zelfs maar basisvoorzieningen te garanderen. In veel landen wordt dit probleem nog verergerd omdat de overheid weinig moeite doet de burger te beschermen tegen uitwassen in industrie en landbouw. Het is een bekend gegeven, dat in China ruim 75% van alle rivieren zo vervuild zijn door industrieel en landbouwafval, dat het water niet meer geschikt is voor consumptie of zelfs voor visserij. In landen waar de welvaart van de bevolking toeneemt zijn dit onhoudbare situaties die overheden nopen tot noodzakelijke investeringen. En als vierde megatrend is er klimaatverandering. Hoewel werkwijze en een aantal uitkomsten van IPPC onderzoeken terecht onder vuur liggen, lijken een aantal algemene conclusies overeind te blijven. Sommige regio’s zullen met langdurige droogteperiodes te maken krijgen met als uiterste consequentie verwoestijning. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in de Mediterrane landen Andere regio’s zullen meer neerslag te verwerken krijgen, soms in heel korte tijd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld Nederland.
Investeren in water
De vier hierboven beschreven trends zijn de voornaamste aanjagers van de groei van de wereldmark voor water. De verwachte groei zou de markt interessant moeten maken voor beleggers. Als dat zo is, welke deelgebieden zijn dan interessant.
Het eerste deelgebeid is dat van distributie en beheer. Er is meer water nodig en dal leidt tot een zoektocht naar voorraden. De eisen voor een behoorlijke exploratie gaan echter omhoog. Het vinden alleen is niet voldoende. Van belang is ook het onderhoud en de instandhouding. Bevolkingsgroei en groei van de stedelijke bevolking vraagt om aanhoudende investeringen in investeringen voor infrastructuur, zowel voor drinkwater als voor afvalwater. Maar ook de upgrading van de oude infrastructuur in de ontwikkelde landen vraagt om veel geld. Het is ondenkbaar dat het centrum van een stad als Londen voor langere tijd onbereikbaar is, omdat er een nieuwe waterleiding wordt aangelegd.
Abonneren op:
Posts (Atom)
