maandag 31 januari 2011

Een nieuwe supercyclus

In een tijdsgewricht, dat vooral de westerse wereld nog zucht onder de gevolgen van de kredietcrisis, brengt the Standard Chartered Bank een studie naar buiten met de wel buitengewoon optimistische titel ‘ the super-cycle report’. Het rapport schetst een scenario hoe de wereldeconomie zich de komende decennia, tot 2030 en verder kan ontwikkelen. De toonzetting is optimistisch. De wereldeconomie gaat een lange periode tegemoet van bovengemiddelde groei. Tegelijkertijd waarschuwt de bank dat de wereld en in het bijzonder het westen de huidige crisisperiode goed te boven moet komen. Dat betekent dat er een verstandig monetair en fiscaal beleid ontwikkeld moet worden, gericht op het verminderen van de schuldenlast van overheden en burgers en gericht op het bestrijden van mogelijke deflatoire en inflatoire impulsen. De super-cycle is daarmee geen vanzelfsprekendheid.

Wat drijft de supercyclus
De huidige supercyclus, de derde in de afgelopen 150 jaar, heeft zijn ontstaan te danken aan the New World Order Daarmee bedoelen de opstellers van het rapport het verschijnsel dat het politiek en economisch overwicht in de wereld aan het verschuiven is van West naar Oost. Dat zulks aan de gang was, dat is de wereld zich pas sinds 2000 bewust. Het is een trend die niet zomaar voorbij is en waarschijnlijk enkele decennia in beslag zal nemen. Het betekent wel dat de zogeheten opkomende markten de aanjager zijn van de supercyclus en dat het Westen zich zeer zal moeten inspannen om te kunnen aanhaken. Volgens het rapport zijn de winnaars van morgen die landen die of de beschikking hebben over ruime financiële middelen of (soft) commodities in de aanbieding hebben of die over een creatieve bevolking beschikken, die zo steeds weer in staat zijn zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Een van de gevolgen van the New World Order en tegelijkertijd een van de oorzaken van de nieuwe cyclus is de uitbreiding van de wereldeconomie met nieuwe, grote landen. De schaal van de wereldeconomie is nu veel groter dan pakweg 20 jaar geleden en veel van de nieuwkomers op het economisch wereldtoneel laten indrukwekkende groeicijfers zien. Die groei is vaak gebaseerd op snelle industrialisatie en een snel aan omvang toenemende middenklasse in steden. Het gaat dan niet alleen om China, maar ook om landen als India en Indonesië. In 2030 zal de wereldeconomie voor bijna 70% rusten op de prestaties van de Opkomende Markten, nu is het Westen nog goed voor 60% van de economie.
Meer economische spelers op het wereldtoneel zal een impuls geven aan wereldhandel. Dan moet die handel natuurlijk wel vrij zijn. Het westen zal zijn protectionistische neigingen moeten bedwingen. Dat zal nodig zijn, want binnen de nieuwe orde gaan nieuwe handelsstromen snel aan belang winnen en dan doelen we op de omvangrijke handelsstromen tussen de Opkomende Markten zelf. Protectionisme zou impliceren dat het Westen zich zelf zou afsluiten voor de internationale handel die naar volume toch al meer en meer naar de ‘nieuwe’ regio’s verschuift.
Een supercyclus is niet bestaanbaar zonder een hoog niveau van investeringen en dat geldt derhalve ook voor de huidige. In de opkomende markten zal vheel geld nodig zijn voor investeringen in een volwassen infrastructuur, van wegen, spoor, havens en vliegvelden. Hoewel de infrastructuur in het westen ook toe is aan een opknapbeurt, zeker in de VS, adviseren de opstellers van het rapport om in dit deel van de wereld vooral te investeren in zogeheten soft infrastructure, zoals onderwijs en R&D. De kracht van het westen moet rusten op zijn creativiteit. Dat is alleen al nodig omdat vooral Europa snel vergrijst. Bijna 100% van de groei van de wereldbevolking komt uit de Opkomende Markten. Zeker Europa zal daarom afgewogen keuzes moeten maken als het gaat om het aanboren van nieuwe markten en het zoeken naar nieuwe kansen. Dat investeringen in dit deel van de wereld blijven neervallen, is niet langer een vanzelfsprekendheid. Afrika met zijn jonge bevolking kan komende decennia veel aantrekkelijker worden.

Implicaties
Veel van wat hierboven beschreven is, gebeurt al en het tempo van veranderingen is al hoog en zal alleen nog maar versnellen. Dat stelt hoge eisen aan het toekomstig beleid. De wereld moet op zoek naar een betere balans. Het Westen moet meer sparen, China moet meer spenderen. Valuta’s moeten juist gewaardeerd worden. Een meer gebalanceerde wereldeconomie zou er wel bij varen als de Opkomende Markten sterke financiële markten gaan ontwikkelen. Dat zou een stimulans betekenen voor het bedrijfsleven aldaar om te investeren en te groeien. In de slipstream daarvan zou de middenklasse snel aan omvang en daarmee aan belang kunnen winnen. Dat zou de consumptie bevorderen.

Uiteindelijk zal er aandacht moeten zijn voor juiste regelgeving die al deze trends en ontwikkelingen in goede banen moet leiden. Het zal aanpassen worden, zeker voor de Westerse landen. In fora als de G20 zullen ze niet langer de eerste viool kunnen spelen. Dat wordt onderhandelen. De nieuwe landen zullen op hun beurt hun verantwoordelijkheid moeten nemen in overeenstemming met hun gewicht in de wereldeconomie. Ook dat zal aanpassingen vergen.

Tenslotte
Het valt niet mee een vuistdik rapport recht te doen op 2 pagina’s, zoveel moge duidelijk zijn. Het rapport ontrolt een mogelijk scenario waarvan de eerste contouren al duidelijk zichtbaar zijn. Het westen verliest geleidelijk zijn politieke, militaire en economische dominantie. Het rapport focust gelukkig niet alleen op China als de nieuwe macht, maar besteedt de nodige aandacht aan de rest van Azië, maar ook aan bijvoorbeeld Afrika. Het verloren continent kan komende tijd een sterke comeback maken.
De boodschap voor het westen is duidelijk: pas je aan en zoek naar nieuw mogelijkheden. Vooral Europa zal zijn best moeten doen. Het werelddeel vergrijst en kamp al decennia met een achterblijvende groei. Gelet op de vergrijzing is dat geen bemoedigend vooruitzicht. De VS heeft dankzij zijn relatief jonge bevolking een goede kans om in de nieuwe wereldorde een rol van betekenis te blijven spelen.
Tenslotte, de kracht van het rapport is ook, dat de opstellers geen halleluja verhaal hebben geschreven. Zij zien de nodige beren op de weg.




De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

dinsdag 25 januari 2011

Er is geen olie in de kan

De prijs voor een liter benzine is in de afgelopen weken onrustbarend snel gestegen. Volgens doemdenkers is het nog slechts een kwestie van tijd voordat de consument EUR 2 voor zijn liter. De klaagzangen zijn niet van de lucht en in de diverse media circuleren samenzweringstheorieën als verklaring voor de alsmaar stijgende prijzen. Ook oplossingen om de stijging te beperken doen de ronde met als meest serieuze optie het teruggeven van het kwartje van Kok!

Een stijgende vraag……
De prijs van een vat olie hangt af van een veelheid van factoren. Het gaat om vraag en aanbod, een lange of korte vorstperiode en bijvoorbeeld het volume van de aanwezige voorraden. Als de olievoorraden in de VS in de winter sneller dalen dan gemiddeld dan mag je verwachten dat de prijs voor een liter benzine stijgt, is het omgekeerde het geval dan wil de literprijs weleens voorzichtig dalen. Beleggers laten grosso modo hetzelfde gedag zien.
Juist omdat de markt zo snel reageert op cijfers, is het van belang de juiste cijfers naar buiten te brengen. Zo niet, dan kan de markt, dan kunnen beleggers in de war raken. Dat is wat er gebeurde toen het Internationaal Energie Agentschap (IEA)met cijfers over het olieverbruik naar buiten kwam. Wat bleek. De voorraden waren in de maanden november en december minder snel geslonken dan verwacht. Het vreemde is dat zowel in China en in de O ECD landen de vraag naar olie scherp was toegenomen. In december kwam de vraag in China uit op pakweg 10 miljoen vaten per dag ofwel 1,5 miljoen vaten per dag meer dan in de vergelijkende periode in 2009. De vraag vloeide voort uit aanhoudende tekorten aan diesel. In de VS zien we dat juist in december de vraag versnelt na twee maanden van achterblijvende ontwikkelingen. In Europa gaat de vraagontwikkeling langzamer dan in China en de VS, maar ze blijft wel geleidelijk stijgen.

……..maar de voorraden blijven op peil
Volgens het IEA zijn de wereldwijde voorraden in het derde kwartaal met 1,2 miljoen vaten per dag sneller gedaald dan op basis van het seizoen had verwacht mogen worden. Over de laatste maanden van het jaar noteerde de IEA een seizoensmatige lagere vraag en dat terwijl de winter in de VS en in Europa vroeg en streng was ingevallen. Ter verdediging van de IEA, het gaat hier om voorlopige schattingen en die worden vaak naderhand (fors) bijgesteld.
Maar stel dat de voorlopige cijfers de juiste richting geven en niet zover bezijden de waarheid zullen blijken, wat kunnen we daar dan uit concluderen? Het verhaal kan twee richtingen opgaan: ofwel de vraag naar olie is los van de OECD en China fors omlaag gegaan. Dat kan. Dat is in 2008 in een reactie op de financiële crisis ook gebeurd. Ofwel, de olievoorraden zijn fors gestegen en het wereldwijde aanbod van olie was in het vierde kwartaal van 2010 veel groter dan aangenomen. De optie dat buiten China en de OECD de vraag naar olie is ingestort is niet reëel. Zeker niet als de geschatte groei voor de Opkomende Markten, behalve China, over het vierde kwartaal meer dan 5% heeft bedragen. De vraag zal ook daar eerder gestegen zijn dan gedaald. Logischerwijs blijft dan optie over: het aanbod op de wereldmarkt viel hoger uit.

Opec
Als het aanbod inderdaad zo groot was, dat niet alleen aan de vraag voldaan kon worden maar dat tegelijkertijd de voorraden meer dan op peil bleven, dan moet er een grote partij actief zijn. Eigenlijk is daar maar een partij toe instaat en dat is Opec. Als dit het geval zou zijn, dan passen ook hier minimaal twee conclusies bij. De eerste is, dat OPEC van strategie veranderd is. In het verleden reageerde OPEC veel trager op de daling van de voorraden met het aanboren van hun reservecapaciteit. Nu lijkt OPEC daar in een eerder stadium mee begonnen. Als dat zo is, dan kunnen er problemen ontstaan, wanneer olievoorraden in de loop van dit jaar terugvallen naar hun normale niveau of zelfs daaronder dalen. Waar moet in dat geval het extra aanbod vandaan komen? Dat zou kunnen betekenen dat een nieuwe bull market in olie aanstaande is. Dat is slecht nieuws voor de consument die zijn liter benzine weer fors duurder ziet worden. Voor de belegger, daarentegen……..


















De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

Goldman Sachs, Demand accelerating, so why is world oil inventory draw stalling? Januari 2011

maandag 17 januari 2011

Duitsland, het tweede Wirtschaftswunder

Jarenlang was Duitsland de zieke man van Europa. Vanaf de val van de Muur in 1989 waren de prestaties van dit land niet om over naar huis te schrijven. In 2010 maakte Duitsland een volkomen onverwachte comeback en liet het een gedroomde groei zien van 3,6%. De Duitsers steunen voor die groei niet alleen maar op de export, nee de Duitse consument laat eindelijk weer van zich horen en 2011 zal een forse groei van de bedrijfsinvesteringen kennen. Het is een uitgebalanceerde groei.

R&D als wapen tegen de crisis
De zieke, kwakkelende oude man heeft een geslaagde verjongingskuur achter de rug en wil dat weten ook. Frau Merkel zwaait de scepter binnen de EU en de Duitse monetaire wil is Europees wet.
Hoe ziet de verjongingskuur er eigenlijk uit? Er zijn een aantal factoren aan te wijzen. De eerste heet Oost Duitsland. Na de Val van de Muur moest dit deel van Duitlans naar West-Duits niveau gesleept worden. Dit aanpassingsproces heeft lang geduurd en heeft honderden miljarden euro’s gekost. Dit pijnlijke proces is nu nagenoeg ten einde en Oost Duitsland is niet langer een zware last op West-Duitse schouders. Misschien is dit gegeven mede een verklaring voor de goede prestaties van het Duitse bedrijfsleven in de crisisjaren 2008-09. Maar wat zeker ook telt, is dat uitgaven voor R&D in de moeilijke jaren niet zijn verlaagd. Duitse bedrijven blijken hun les goed geleerd te hebben: hun comparatieve voordeel is innovatieve kracht gericht op het ontwerpen en produceren van hoogwaardige kapitaalgoederen. Volwaardige R&D is dan van levensbelang.
In Duitsland is de band tussen economische ontwikkelingen en R&D nauwer dan het OECD gemiddelde. Als de economie met 1% krimpt, dan dalen de uitgaven met 0,7% tegen het OECD gemiddelde van 1,1%. Ondanks een krimp van bijna 5% in 2009 liet 75% van de Duitse bedrijven weten die R&D uitgaven niet of nauwelijks te verlagen. Het Europese gemiddelde lag op 62%, terwijl de meeste landen minder hard krompen dan Duitsland.

Rozengeur en maneschijn
Het is natuurlijk niet zo, dat het in overal rozengeur en maneschijn is. Jonge, innovatieve start-ups hadden behoorlijk last van de crisis. Het volume van de venture capital investeringen daalde in 2009 met meer dan 40%. Ook het aantal patentaanvragen, het begin van het innovatieve proces, daalde met 6% in dat jaar.
Er is nog een tweede verklaring voor het op peil houden van de R&D bestedingen en wel de overcapaciteit in de Industrie. Het aanpassen van de productiecapaciteit aan de nieuwe werkelijkheid duurt tamelijk lang. Het resultaat is dat bedrijven kampen met enorme prijsdruk en concurrentie. R&D kan dan een wapen zijn om de (productie)processen te vernieuwen om zo de kosten te drukken. De dotcom crisis van het begin vans deze eeuw gaf de aanzet tot grootschalige outsourcing en offshoring. Procesinnovatie staat juist in crisistijden hoog op de agenda, maar dat is niet het enige argument om te blijven innoveren.
Innovatie is ook bedoeld om hogere prijzen te kunnen bedingen of een groter marktaandeel te kunnen veroveren. Toenemende prijsdruk en concurrentie in crisistijden tasten de verdiencapaciteit van de bestaande productportfolio zwaarder aan dan verwacht. De enige uitweg is innovatie van de productportfolio. Het is de basis voor het herstel van de verdiencapaciteiten.
Vooral technologisch geavanceerde bedrijven zien de ‘innovate or die’ methode als de oplossing bij uitstek. Minder geavanceerde of minder innovatieve bedrijven zullen onder de verslechterende omstandigheden aanleiding vinden om helemaal te stoppen met innoveren. Het opvoeren van de R&D intensiteit zou amper zoden aan de dijk zetten. Zij zouden zich een plaats moeten bevechten in segmenten waar de werkelijk geavanceerde bedrijven toch al de dienst uit maken. Het ligt trouwens voor de hand, dat bedrijven in technologisch geavanceerde bedrijven amper of niet overwegen R&D inspanningen te verlagen. Echter zijn bedrijven in weinig innovatieve sectoren nauwelijks geneigd hun inspanningen te verhogen. Eerder is van het omgekeerde sprake.

Conclusie
Het Duitse economische succes van de tweede helft van 2010 is deels te danken aan het stabiel houden van R&D inspanningen. Veel Duitse bedrijven zijn actief in sectoren en segmenten van de economie waar hoge kwaliteit een conditio sine qua non is. Om mee te blijven doen in deze eredivisies van hoogwaardige industriële productie, moeten bedrijven wel innoveren en investeren. Het voordeel is duidelijk: ze behouden of versterken de eigen positie en zetten bedrijven die minder innovatief georiënteerd zijn op nog grotere achterstand.
Dat is niet enige les. Wat voor bedrijven geldt, gaat ook op voor landen. Waar weinig tot geen aandacht is voor innovatie, daar verliest ook een land de concurrentieslag met de buren en komt het op achterstand te staan in een wereld die economisch gesproken alsmaar innoveert. Nederland let op uw saeck!

Cor Wijtvliet


De auteur is zelfstandig gevestigd analist. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen die de beleggingswereld raken. Daarnaast geeft hij lezingen en presentaties. De auteur is als partner verbonden aan De Weygerbergen, bureau voor performancemeting en vermogensbegeleiding in Eindhoven, www.Weygerbergen.com. Reacties? cor.wijtvliet@weygerbergen.com.

zondag 9 januari 2011

DE EU in 2011: het wordt minder tobberig

Voorspellen is moeilijk, vooral omdat het de toekomst betreft. Dat is een waarheid als een koe, maar het geeft de voorspeller ook wel weer de vrijheid om aantrekkelijke vergezichten te scheppen of om zwartgrijze horizonnen te schilderen. In wezen is de richting van het denken en de onderbouwing ervan belangrijker dan de voorspelling zelf.

With a little help from my friends
Het tumult rondom de schuldenlanden en de aanhoudende onrust over het Europese bankenstelsel laat onverlet dat 2010 eigenlijk een behoorlijk goed jaar is geweest voor de EU. In 2009 was er nog een forse krimp van bijna 4%, maar 2010 zal uiteindelijk een groei laten zien van bijna 2%. Dat is veel beter dan de kenners aan het begin van dat jaar voorzagen en het mag niemand verbazen als in 2011 de Europese economie rustig blijft door denderen in een tempo van iets meer dan 2%. De EU is daarmee terug op het oude vertrouwde niveau van 2% - 2,5%.
Waar komt in 2011 de groei vandaan? Een belangrijke impuls komt van buitenaf. De wereldeconomie zal dit en volgend jaar een sterke groei laten zien van misschien wel 5%. De Opkomende markten blijven in 2011 sterk groeien. Het zijn niet alleen de BRIC’s die sterk blijven groeien, maar ook de zogeheten N-11 landen hebben definitief het groeipad omhoog betreden. De verrassing van 2011 komt met een beetje geluk vanaf de andere kant van de oceaan. Daar kan de groei wel eens fors uitstijgen boven 3% in de richting van 4%. Die opvallende prestatie zal te danken zijn aan een combinatie van hogere particuliere bestedingen, aantrekkende investeringen, overvloedige liquiditeiten en een herstel van de export. Het kan bijna niet anders of het ‘oude Europa’ zal profiteren van de dynamiek van overzee.

Animal spirits
Een deel van de groei komt echter van binnen uit, maar zal anders van karakter zijn dan in 2010. In het afgelopen jaar kwam de economische stimulering vooral van de zijde van overheden. In 2011 zal het initiatief komen te liggen bij de private sector. Evenals in de VS zal de consument na enkele jaren van spaarzaamheid een grotere bereidheid aan de dag leggen om de portemonnee te trekken. En het zelfde geldt voor het bedrijfsleven. Dat zal na enkele jaren van terughoudendheid en herstructureringen meer gaan investeren. Voor wie denkt, dat is allemaal wel heel erg veel zonneschijn, u hebt gelijk. Er zijn beslist enkele beren op de weg. De belangrijkste is misschien wel de overheid. In hun streven het nationaal huishoudboekje op orde te krijgen, gaan overheden Europa breed bezuinigen en/of de belastingen verhogen. Het gaat er om de juiste balans te vinden. Zo niet dan kan het overheidsbeleid veel kwaad aanrichten en het economisch herstel smoren. Het meest aansprekende voorbeeld in dezen is het Verenigd Koninkrijk. Daar zijn hele draconische bezuinigingen aangekondigd. De Britse overheid zet hiermee heel sterk in op het ontketenen van de zogeheten ‘animal spirits’ in de private sector. Dat zou moeten resulteren in een herstel van de bedrijfsinvesteringen en een aantrekken van de export dankzij een zwakker pond en een economisch sterker Europees vasteland. De historie leert dat het Britse beleid beslist kans van slagen heeft.

De motor van Europa
Goed beschouwd staat en valt elke prognose over het Europese reilen en zeilen bij de gratie van Duitsland. De sterke exportprestaties van het land zijn in 2010 van doorslaand belang geweest om de Europese groei uit het moeras te tillen.
Tot voor kort bestond er vrees dat de Duitse opleving van tijdelijke aard zou zijn. Nu echter de wereldeconomie boven verwachting blijft presteren, ligt het in de lijn van de verwachtingen dat de Duitse exportmotor op volle toeren blijft draaien. Maar er is meer goed nieuws. Het herstel in Duitsland steunt niet langer op de exportsector. Het heeft zich verspreid naar bijkans alle andere sectoren. In 2011 mogen we een sterk herstel van de binnenlandse vraag tegemoet zien. De zuinige Duitse consument wordt uitbundiger in zijn bestedingspatroon. De hoge besparingen rechtvaardigen zonder meer enige uitbundigheid. Niet alleen de Duitse burger is in betere doen, ook het bedrijfsleven is financieel gezond en sterk. De investeringen zullen in 2011 en 2012 daarom een gezonde stijging laten zien. Dat kan er in resulteren dat de groei in Duitsland in 2011 en misschien ook in 2012 royaal boven 2,5% komen te liggen.
Als het in Duitsland voor de wind gaat, dan ligt het voor de hand dat buurlanden als Nederland hiervan zullen profiteren. Met andere woorden, de voorspellingen van het Centraal Planbureau kunnen wel eens aan de voorzichtige kant blijken te zijn. Waarom zou de Nederlandse groei niet kunnen uitkomen in de buurt van 2%?

Tenslotte
Niet alleen het bezuinigingsbeleid van overheden kan een rem op de groei betekenen, maar ook de schuldencrisis kan een sta-in-de-weg zijn. Dat zal zeker het geval zijn als Spanje definitief door het schuldenvirus aangetast wordt. Zolang dat niet het geval is en de EU straalt wat meer eensgezindheid en daadkracht uit, dan is er niet veel reden tot grote of overdreven bezorgdheid.